Hoofdmenu  
Home English (United States)
Download  
audioE-BookPrint
AudioAudio
mp3 Download mp3mp3 is een populaire audioformaat dat op vrijwel alle mediaspelers te beluisteren is. meer info...
m4b Download m4bM4B is een Audiobook formaat voor Apple apparatuur (iPod, iPhone etc...) Uw plek wordt bewaard e.d. meer info...
E-BookE-Book
ePub Download ePubePub is de meest gangbare formaat voor E-Book readers. Het heeft geen absolute paginaindeling. meer info...
pdf Download PDFPDF is het meest ondersteunde formaat met absolute pagina indeling. meer info...
xps Download XPSXPS is een relatief nieuw formaat dat vanaf Windows 7 gelezen kan worden zonder extra software te installeren. meer info...
printPrint
book Download PDFPDF ingedeeld als printbaar boekje (dubbelzijdig printen en in het midden vouwen en nieten). meer info...
xpsbook Download XPSXPS document ingedeeld als printbaar boekje (dubbelzijdig printen en in het midden vouwen en nieten). meer info...

Hebreeën, hoofdstuk 2, deel 2

Door William Marrion Branham

94 ... eerst komen en de Schriften bestuderen, zodat hij het kon vergelijken en zo zien of het de waarheid was of niet. Hij nam het als de waarheid door het Oude Testament. Nu, Paulus was een Oudtestamentische geleerde. Hoe velen weten dat? Hij was onderwezen door één van de beste geleerden van zijn dag, Gamaliël, een vooraanstaand leraar. En Paulus kende het Oude Testament. En ik denk dat de eerste keer dat hij een schok kreeg, zoals ik deze morgen zei, was toen hij getuige was van de dood van Stefanus. Iets moet hem hebben gegrepen omdat hij door al zijn brieven heen ernaar bleef verwijzen. "Ik ben niet waardig omdat ik de gemeente ten dode heb vervolgd. Ik ben de minste onder hen."

95 O, maar God had daar een andere gedachte over. Hij was één van de machtigste mannen van zijn dag.

Daar zien wij Paulus, de grote apostel
Met zijn kleed zo schoon en rein (zei de dichter).
Zeker wordt er gejubeld.
Als wij daar samen zijn (op die grote dag als ik zie dat hij een martelaarskroon ontvangt, een martelaarsbeloning).

96 Ik stond daar bij een klein hok, niet lang geleden; waar hij deze brieven schreef. En toen hakte men zijn hoofd af en duwde hem in het riool, om hem door het riool weg te spoelen. En die kleine Jood daar zei: "Ik draag de lidtekenen van Jezus Christus in mijn lichaam. Ik heb te Efeze met wilde dieren gevochten. Maar ik heb de goede strijd gestreden. Ik heb mijn loop ten einde gebracht. Ik heb het geloof behouden. En voorts ligt voor mij gereed de krans der rechtvaardigheid, welke te dien dage de Here, de rechtvaardige Rechter, mij zal geven, doch niet alleen mij, maar ook allen die Zijn verschijning hebben liefgehad." O, wat houd ik daarvan. O, ik wil ook tot hen gerekend worden. Vroeger zongen wij een lied.

O, heb je ook zo'n verlangen om in Zijn kudde te zijn?
Heb je ook zo'n verlangen om in Zijn kudde te zijn?
Onberispelijk, wakend en wachtend om de Heiland te zien verschijnen.
Hij komt weer terug. (Ik wil één van hen zijn.)

97 Nu, de schrijver gaat voort en zegt:

     Daarom moeten wij temeer aandacht schenken aan hetgeen we gehoord hebben, opdat wij niet afdrijven. (Daar leerden wij deze morgen over.)

98 Het tweede vers zegt:

     Want indien het Woord, door bemiddeling van engelen gesproken... (Nu, wat ontdekten wij dat engelen zijn? Profeten. "God sprak eertijds... vele malen..." Nu, u moet niet uw eigen idee volgen, maar de Bijbel.)

99 Nu, het eerste hoofdstuk, het eerste hoofdstuk, het eerste vers:

     Nadat God eertijds vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had door de profeten.

100 Nu, hij gaat hier verder en zegt het opnieuw:

     Want indien het Woord, door bemiddeling van engelen gesproken, van kracht is gebleken,... (En wat betekent een engel? Een boodschapper.)

     Als Gods gezalfde boodschapper... En dan, als wij gezalfd zijn, zijn wij Gods boodschappers. Wij zijn boodschappers tot de wereld, ambassadeurs van de hemel, belijdend dat wij pelgrims en vreemdelingen zijn. Wij zijn niet van deze wereld, maar wij zoeken een stad die komt, wiens bouwmeester en maker God is. Wij verzamelen geen schatten op deze aarde, waar dieven inbreken; en de mot en de roest het kunnen bederven; want onze schatten liggen in de hemel waar Jezus gezeten is aan de rechterhand van de Majesteit. O, wat een heerlijk en wonderbaar iets om te weten dat:

Mijn hoop rust immer en altijd
Op Jezus' Bloed en gerechtigheid;
Verzinkt alles om mij heen in de nacht
Dan blijft Hij al mijn hoop en kracht.

Op Christus de Rots houd ik stand
Alle andere grond is zinkend zand
Alle andere grond is zinkend zand.

101 Hoe kon Eddy Pruitt dat schrijven in tijden van vervolging.

     Want indien het Woord, door engelen gesproken, van kracht is gebleken... (als de boodschapper van God het Woord sprak, dan stond het vast!) en elke overtreding en ongehoorzaamheid rechtmatige vergelding heeft ontvangen,

     Hoe zullen wij dan ontkomen,... (Als wij niet naar Christus horen, die spreekt van de hemel. Nu let op.)

     Hoe zullen wij dan ontkomen, indien wij geen ernst maken met zulk een heil... (Denk u dat in!)... dat allereerst verkondigd is door de Here,...

102 Christus begon Zijn werk. Wat deed Hij? Laten wij naar Hem kijken hoe ootmoedig Hij was, nederig; hoe Hij niet een geweldig vooraanstaand theoloog was. Maar Hij was nederig, zachtmoedig, vriendelijk. Hij was geen machtige prediker. Zijn stem werd niet gehoord op de straat. Maar Johannes ging uit als een brullende leeuw. Hij was een prediker.

103 Jezus kwam niet als een brullende leeuw, maar God werkte met Hem, bevestigde het Woord. God was met Christus. Petrus zei op de dag van Pinksteren: "Gij Joden en allen die te Judéa woonachtig zijn; Jezus van Nazareth, een Man, u van Godswege aangewezen. Aangewezen door krachten en wonderen en tekenen die God door Hem deed in uw midden, zoals gij zelf weet." Kijk hoe hij hen er met hun neus opdrukte: "U had Hem behoren te kennen."

104 Jezus zei: "Gij huichelaars." Hij zei: "Gij gaat naar buiten en kijkt naar de zon en als ze rood ziet bij het ondergaan, zegt gij: 'Er komt slecht weer' en als ze helder en stralend is, enzovoort, zegt gij: 'Het zal goed weer gaan worden.'" Hij zei: "Het aanzien van de lucht weet gij te onderscheiden, maar gij kunt de tekenen der tijden niet zien. Want indien gij Mij zoudt hebben gekend, hadt gij ook Mijn dag herkend."

105 O, wat zou Hij het vanavond uitschreeuwen! Hoe schreeuwt Zijn Geest het uit door Zijn predikers heen. De tijd is nabij. Wij onderscheiden het, we zien de atoombommen. Wij weten wie Clark Gables zal opvolgen en wie dit en dat zal gaan doen. Of wie de vice-president zal zijn. Daar zijn wij in geïnteresseerd, maar wij kunnen de tekenen van de tijd niet onderscheiden. Wij zijn aan het einde.

106 Wat is het? Wij zijn zo geïnteresseerd in wat de volgende aflevering op de televisie zal brengen: "Wat zal Suzie nu weer gaan doen?" of hoe de naam van die vrouw ook is. En welke grap zal Arthur Godfry's nu weer gaan uithalen? Wij Christenen stoppen onze geest vol met zulke rommel, terwijl wij ergens in gebed behoren te zijn, en de Bijbel zouden moeten bestuderen om de tekenen en tijd te weten waarin wij leven.

107 Wat dat veroorzaakt in onze tijd zijn slappe predikers (dat is waar), die er niet op ingaan om de Evangelie-waarheid te brengen. Wij zullen daar verantwoording van af moeten leggen in de dagen die komen. Wij moeten niets veronachtzamen. En de mensen, die zelfs hier in de Branham Tabernakel zijn, de tekenen en wonderen zien, en de kracht van de opgestane Christus, en dan te weten dat wij onze tijd zouden moeten besteden aan andere dingen, en veronachtzamen om de stem van de Here Jezus te horen; "Hoe zullen wij dan ontkomen, als wij geen ernst maken met zulk een heil?"

108 Het derde vers, of het vierde vers. Hier is waar wij deze morgen eindigden, bij het vierde vers.

     Terwijl ook God getuigenis daaraan geeft... (O my!)
     Terwijl... God getuigenis daaraan geeft... (Luister naar het Woord)... door tekenen en wonderen en velerlei krachten...

     Wat zijn velerlei krachten? Wat is velerlei? Velerlei duidt op vele. Met vele wonderen legde God getuigenis af. O God. Ik vertrouw dat het diep in uw hart zal zinken.

109 Luister! Ik ben één van uw herders, samen met broeder Neville hier. Ik wil dat u dit onthoudt. De Bijbel zei: "Als er iemand onder u opstaat en hij zegt zus-en-zo en het komt niet te geschieden, hoor het niet, want Ik heb het niet gesproken. Maar als hij spreekt in Mijn Naam en wat hij zegt komt te geschieden, hoor hem dan. (Amen.) Want Ik ben met die profeet of prediker of wat het ook mag zijn. Als wat hij zegt komt te geschieden hoor dan naar hem."

110 Nu vrienden, laten wij Hem horen. De Heilige Geest, die spreekt in ons midden, die velerlei krachten toont en tekenen en wonderen. Laten wij er niet aan voorbijgaan alsof het hele normale gebeurtenissen zijn. Laten wij bedenken dat het Jezus Christus is, Dezelfde gisteren, vandaag en voor eeuwig, Die zijn Woord bevestigt. Wij moeten dat doen! O, alstublieft, doe het. Maak er ernst mee! Laat elke andere zaak op de tweede plaats komen. Zelfs uw huis, uw man, uw vrouw, uw kinderen, wat het ook mag zijn, stel het op de tweede plaats. Zet God op de eerste plaats. U zegt: "Broeder Branham, nog boven mijn kinderen?" Boven alles! Zet God als eerste. Laat Hem de eerste zijn.

111 Elia kwam eens op een dag van de berg af. En hij was een engel-boodschapper, Gods gezalfde boodschapper. En hij ontdekte daar een weduwvrouw die twee stokken oppakte. Hij zei: "Ga heen en bak mij eerst een kleine koek en haal mij een beetje water."

112 En ze zei: "Zo waar als uw ziel leeft, ik heb maar net genoeg tarwedeeg om één kleine pannenkoek te bakken. En ik heb nog maar net genoeg olie om er in te doen, en om het ermee te vermengen om het luchtig te maken. En ik had net twee stokken opgeraapt." De ouderwetse manier, zoals de Indianen de stokken kruisten, om ze dan in het midden aan te steken en ze in blijven schuiven. Ik heb al menig kampvuur zo gemaakt. Ze zei: "Nu, ik zal die kleine koek voor mij en voor mijn jongen, mijn baby, gaan klaarmaken. En wij zullen het gaan eten en sterven." Er was daar een droogte geweest, drie jaar en zes maanden lang. Er was nergens water.

113 En die strenge oude profeet keek die vrouw recht aan en zei: "Bereid mij eerst een koek." Wat een bevel voor een man om een weduwe te vertellen die de hongerdood nabij is, om hem eerst te voeden. Wat zei hij? "Want, ZO SPREEKT DE HERE, het meel in de pot zal nooit opraken en de olie in de kruik zal niet ontbreken tot de dag dat de Here regen op de aardbodem geven zal." Eerst God! En ze ging naar binnen en bakte die kleine koek. Kwam en gaf het aan de profeet. En ze ging meteen terug en bakte er nog één en nog één, en nog één, en nog één. En de pot raakte nooit leeg, evenmin droogde de kruik op, totdat God regen zond op de aarde. Zij stelde God voor haar kinderen. Zij stelde God voor al het andere. Zij stelde het Koninkrijk eerst.

114 God moet de eerste plaats hebben in uw hart, de eerste plaats in uw leven, de eerste plaats in alles wat u doet of wat u bent. God moet eerst zijn. Hij wil geen tweede plaats. Hem komt geen tweede plaats toe. Hem komt het beste en het eerste toe en alles wat wij hebben. Dat komt Hem toe! Geprezen zij Zijn Heilige Naam.

     Terwijl ook God getuigenis daaraan geeft (Hij legt getuigenis af) door tekenen en wonderen en velerlei krachten en door gaven van de Heilige Geest toe te delen naar Zijn wil.

     Niet wat de mens zegt, wat de kerk zei, maar wat Gods wil was.

115 O, wij hebben nodig om de wil van God te zoeken. Niet de gunst van de buurman, niet de gunst van uw kinderen, niet de gunst van uw man of uw vrouw; maar om de wil van God te zoeken. Doe dat eerst. Dan zal al het andere, de wil van uw vrouw, van uw kinderen er precies bij aansluiten. Maar zet God op de eerste plaats.

116 Let nu op:

     Want niet aan engelen heeft Hij de toekomende wereld, waarvan wij spreken, onderworpen...

117 Anders gezegd, niet de geweldige engelen die dienen in de hemelen: Gabriël, Michaël, Woodworm, en de tienduizend maal tienduizenden engelen des hemels, of de tien... eh, de honderden profeten die op de aarde zijn geweest, en geen van die allen heeft Hij ooit aangesteld om de toekomende wereld te beheersen, waar wij over spreken. Niet één van hen. Hij zei nooit: "Jesaja aan u heb ik de wereld onderworpen." Nooit gaf Hij de wereld heerschappij aan Elia. Evenmin aan Gabriël of welke engel of dienende geest ook.

118 Let op wat Hij zei: Paulus verheerlijkt nog steeds Christus, wat wij al zeiden.

     Maar één heeft ergens betuigd zeggende:

     Wat is de mens dat Gij zijner gedenkt? Of des mensen zoon dat Gij naar hem omziet?

     Gij hebt hem voor een korte tijd beneden de engelen gesteld, met heerlijkheid en eer hebt Gij hem gekroond, Gij hebt hem gesteld over de werken Uwer handen.

119 Nu, als u dat wilt lezen, het is Psalm 8:4–6. Het is David die daar spreekt. Nu, hoe noemde hij David hier? Dat bevestigt het meteen of het juist was deze morgen wat over de profeet werd gezegd.

120 Hij zei: "Want één van de engelen heeft ergens betuigd. David de boodschapper van God was een engel van God, omdat hij een boodschapper van God was. De engel zei (David zei) in de Psalmen: "Gij hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen des hemels. Een engel zei dat God hem lager maakte dan een engel, opdat Hij hem zou mogen kronen, omdat hij zou lijden en de dood smaken, opdat hij dan weer zou worden verhoogd, omdat Hij hem tot erfgenaam van alle dingen van de wereld mocht maken.

     [Leeg gedeelte op de band – Vert]

121 En nu in Mattheüs 28:18 lezen we dit: Nadat Hij was gekruisigd en weer was opgestaan ten derde dage, kwam Hij samen met Zijn discipelen en gaf hun opdracht om heen te gaan in heel de wereld om het Evangelie te prediken tot elk schepsel. Hij zei: "Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Het is in Mijn hand gegeven, alle macht in de hemel, alle macht op aarde is aan Mij gegeven." Wat was het? De mens en God waren verenigd! De Logos was vlees gemaakt, was gedood, en weer opgestaan voor onze rechtvaardiging. En Hij was toen de gezalfde Immanuël voor immer en immer. God veranderde Zijn woonplaats van een troon ginds in de ruimte, naar het hart van Zijn Zoon Jezus Christus om voor immer te leven en te regeren. God was in Christus, Hij is de uiteindelijke rustplaats van de Geest.

122 De Geest verbleef eens in een tabernakel (u weet dat), onder een tent. En Salomo bouwde Hem een huis. "Doch de Allerhoogste woont niet in huizen die met handen zijn gemaakt, maar een lichaam hebt Gij Mij bereid."

123 Als u kijkt naar Handelingen, het zevende hoofdstuk, toen Hij daar sprak, zei Hij: "Zij zagen allen de voorschouw. Zij bouwden een tent voor Hem. Mozes deed dat. Hij had een tent en zette de ark daar in, want God was daar op de genadetroon. Hij woonde daar niet."

124 Goed. "Een lichaam hebt Gij mij bereid." Het lichaam van de Here Jezus Christus werd lager gemaakt dan de engelen om de dood te smaken. Niemand anders dan de allerhoogste hoogheid, Christus: de Vredevorst, de Koning der Koningen, de Here der Heren, de Schepper van elke ster in het heelal.

125 O God. Hij werd lager dan Zijn schepping opdat Hij de mens zou kunnen verlossen (de thuisloze, hulpeloze mens) om hem een huis te geven in de hemel. Hij verliet de heerlijkheid van de hemel. Hij verliet de hoogste Naam die kon worden uitgesproken. Toen Hij op aarde was, gaven de mensen Hem de laagste Naam die zij Hem konden geven. Ze zeiden om te beginnen dat Hij 'een onwettige baby' was. Geboren in een kribbe, gewikkeld in doeken die ze van de achterkant van het juk van een os hadden gepakt. Hij had geen plaats om heen te gaan, geen huis om heen te gaan. Hij werd Beëlzebub genoemd, de overste der duivelen. Hij werd mishandeld. Hij werd bespuwd. Er werd gekheid over Hem gemaakt. Hij werd verworpen. En Hij ging naar de laagste putten, boog zich neer tot de gemeenste prostituees. Dat is wat de mens met Hem deed.

126 Maar God richtte Hem zo hoog op, dat Hij naar beneden moest zien om de hemel te zien. De mens gaf Hem de laagste plaats, de slechtste plaats, de laagste naam. God wekte Hem op en gaf Hem de hoogste plaats en gaf Hem de hoogste Naam. Dat is het verschil tussen wat de mens deed met de Zoon van God, en wat God deed met de Zoon van God.

127 Hij boog Zich opdat wij opgeheven zouden mogen worden. Hij werd gelijk ons, opdat wij door Zijn genade Hem gelijk mogen worden. Hij kwam tot wie geen thuis hadden en werd zelf dakloos, zodat wij een thuis zouden mogen hebben. Hij kwam tot de zieken, en werd zelf ziek gemaakt, opdat wij zouden worden genezen. Hij kwam tot de zondaar, Hij werd Zelf zonde gemaakt, opdat wij zouden mogen worden gered.

128 Geen wonder dat Hij verhoogd werd! Geen wonder dat Hij is die Hij vanavond is! God heeft Hem verhoogd. En al de macht in hemel en op aarde is Hem gegeven.

129 Toen Hij Zijn aardse werk hier op aarde had gedaan... Zodra Hij naar de aarde kwam, betuigde de morgenster dat Hij de Zoon van God was. Hij deed elke duivel waarmee Hij in contact kwam, beven. Geprezen zij de Naam des Heren! Duivelen beefden en sidderden en smeekten om genade in Zijn tegenwoordigheid. Jazeker! De hele hel wist wie Hij was.

130 Hij wandelde nederig. Hij had geen plaats om Zijn hoofd op een regenachtige avond neer te leggen. De dieren die Hij schiep, de vogels des hemels, hebben nesten, de vossen hebben holen, maar de Zoon des Mensen heeft geen plaats om Zijn gezegend hoofd neer te leggen. Zeker was dat zo.

131 Hij werd zonde, werd nederig en verlaten. Maar de duivelen wisten wie Hij was. Zij smeekten om genade, zij zeiden: "Waarom komt Gij ons kwellen voordat onze tijd gekomen is." En terwijl de predikers Hem "Beëlzebub" noemden, de waarzegger, noemden de duivels Hem "De Zoon van de levende God" en smeekten om genade.

132 O, wat konden wij hier even een ogenblik bij stilstaan. Wie bent U eigenlijk? Wat betekent dat baantje wat u hebt eigenlijk? Of wat heeft dat kleine huis wat wij bezitten eigenlijk te betekenen? Wat zegt de auto die wij hebben eigenlijk?

133 Knap meisje, jij klein onbeschaamd wezentje, wat zegt het dat je op dit moment er aardig uitziet? Jij jongeman, met je glimmende, gladde haar en rechte schouders, eens zal je ook gebogen zijn, als je door de jaren gekromd wordt.

134 Maar geprezen zij de Here. Je hebt een ziel die wederom geboren is. En je zult voor altijd en immer leven, omdat Hij jou werd. En dat jij door Zijn genade Hem mocht worden. Omdat Hij een plaats voor je bereidde.

135 O, wij die denken dat wij een dubbel stel kleren hebben en wat levensmiddelen in huis. Wat zijn wij? God zou het in een seconde kunnen wegnemen. Uw adem houdt Hij zelfs in Zijn hand. Maar ook hier is Hij in ons midden, om de zieken te genezen, om te verkondigen en te belijden en te voorzeggen. En elke keer is het volmaakt. Hij is er zelfs bezorgd genoeg over om een dood visje weer tot leven te brengen in ons midden. Jehova om ons heen. Jehova in ons. De grote en machtige IK BEN.

136 Toen Hij stierf, dachten ze dat zij Hem hadden. En Hij daalde af in de hel. Toen Hij de aarde verliet die dag, toen Hij werd gekruisigd, ging Hij naar de sfeer van de verlorenen. En de Bijbel zei: "Hij is heengegaan en heeft gepredikt aan de zielen in de gevangenis, die eertijds ongehoorzaam waren, toen de lankmoedigheid Gods bleef afwachten in de dagen van Noach." Toen Hij stierf en Zijn Geest Hem verliet werd Hij weer de Logos. Hij zei: "Ik ben uitgegaan van God. En ik ga terug tot God."

137 En God was die Vuurkolom die de kinderen van Israël in de woestijn leidde. En toen Hij hier op aarde was, en stierf, toen keerde Hij weer terug tot een licht. Paulus zag Hem, en Hij was een licht. Geen van de anderen zag Hem. Zij zagen Paulus neervallen. Iets raakte hem aan, en het was een licht. Paulus zei: "Wie is deze die ik vervolg?"

138 En Hij zei: "Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij?" Hij zei: "Wie zijt Gij?"

139 Hij zei: "Ik ben Jezus dien gij vervolgt. Het valt u zwaar tegen de prikkels achteruit te slaan."

140 Toen ging hij heen en studeerde over dat licht. En Paulus zocht terug in de Bijbel om te vinden wat dat licht was. En hij schreef deze brief. Hij is dezelfde Jehova. Datzelfde licht dat in de woestijn was met de kinderen Israëls. En toen Petrus in de gevangenis was, was Hij een licht dat binnenkwam en de deuren opende.

141 En door Zijn genade, zodat niemand enige verontschuldiging zou hebben. O, konden ze toch maar die ongeletterde boodschappers vergeten, en bedenken: het is niet de boodschapper, het is de Boodschap! Hij is opnieuw neergekomen bij ons in de vorm van een lichtkolom. En Hij is vaardig met dezelfde wonderen en tekenen. Niets uit de lijn van de Bijbel. Het blijft precies met de Bijbel, blijft er aan onderworpen, verbreidt Zijn glorie en toont Zijn kracht. O, geprezen zij Zijn Heilige Naam!

142 Ik weet dat u moet denken dat ik krankzinnig ben. Maar o, die gezegende eeuwige rust die in mijn ziel is. Al mogen stormen woeden, mijn anker houdt binnen de voorhang.

143 Als u Hem zag toen Hij stierf, toen zelfs de maan een zenuwschok kreeg. De zon ging onder op het midden van de dag. En toen Hij afdaalde tot de sferen van de verlorenen [Broeder Branham klopt op de preekstoel – Vert] en op de deur klopte, en de deur openzwaaide. De Bijbel zei dat hij predikte tot de zielen in de gevangenis, die eertijds ongehoorzaam geweest waren, toen de lankmoedigheid Gods bleef afwachten in de dagen van Noach, nadat Hij was weggegaan van deze aarde. En mijn broeder en mijn zuster, toen Hij heenging, was Zijn aardse werk gedaan. Maar Hij was nog steeds aan het werk. En zo is Hij nog steeds vanavond bezig. Amen.

144 Hij klopte aan de deuren van de verlorenen (De Bijbel zei dat Hij dat deed) en Hij getuigde: "Ik ben het Zaad van de vrouw. Ik ben het van wie Adam sprak. Ik ben Degene van wie Henoch zei dat Hij zou komen met tienduizenden van Zijn heiligen. Ik ben de Zoon van de levende God en u hebt door uw zonden de dag van genade voorbij laten gaan. Maar het werd u geprofeteerd door de engel Henoch, Noach, dat Ik moest komen om elk Woord van Gods Bijbel te vervullen. En hier ben Ik als een getuige in dit land van de verlorenen." En Hij predikte tot hen.

     En daar daalde Hij af in de hel tot vlak voor de deuren van de hel. Hij klopte op de deur. En de duivel opende de deur en zei: "Nu heb ik je."

145 Maar Hij rukte hem de sleutels van zijn zijde, zei: "Jij duivel! Je hebt je bluf lang genoeg volgehouden." (Hier staat het in de Bijbel, we zullen er in een ogenblik op komen.) "Jij hebt die bluf lang genoeg volgehouden, maar Ik ben gekomen om het over te nemen." Greep die sleutels, schopte hem er weer in terug en sloot de deur.

     En Hij kwam verder door en nam Abraham, Izaäk en Jakob mee, en op de derde dag stond Hij op, en degenen die sliepen in het graf, stonden met Hem op. O, halleluja! Geen wonder dat de dichter zei:

Levend had Hij mij lief, stervend redde Hij mij.
Begraven droeg Hij mijn zonden ver weg,
Opgestaan rechtvaardigde Hij, voor eeuwig vrij
Eens komt Hij weer – O, heerlijke dag!

146 Gezegend is de band die onze harten samenbindt in Christelijke gemeenschap, de liefde van God. Toen Hij opstond, was Hij nog niet klaar. Hij had nog meer werk te doen.

147 De Bijbel zei dat "Hij opvoer naar omhoog en gaven gaf aan de mensen." En er hing een atmosfeer over de aarde van duisternis, somberheid, van dood en matheid. En de gebeden konden niet opstijgen, omdat de verzoening niet was gedaan. Maar Hij brak door die sluier heen. Hij opende de weg, Hij brak de sluier van ziekte. Hij brak de sluier van de zonde. Hij brak de sluier van de matheid. Hij brak de sluier van terneergeslagenheid. Hij verbrak elke sluier en maakte een gebaande weg voor de zwervende mens. De gebaande weg des Konings opwandelend, toen Hij de maan en sterren voorbijging, steeds maar verder.

148 En achter Hem volgden de Oudtestamentische heiligen, Abraham, Izaäk en Jakob. En zij gingen regelrecht de hemel der hemelen binnen. En toen zij nog ver bij de stad vandaan waren, kan ik zien dat zij de ogen opslaan en dat Abraham zegt: "Dat is de stad die ik verlangde te zien! O, kom hier Izaäk. Kom hier Jakob. O, wij waren pelgrims en vreemdelingen op aarde, maar daar is de stad. Daar hebben wij op gewacht."

149 En de Bijbel zei dat zij het uitjubelden: "Heft, poorten, uw hoofden omhoog en verheft u, gij aloude ingangen, opdat de Koning der ere inga."

150 En de engelen achter de poorten schreeuwden terug naar de engelen die hier stonden en zeiden: "Wie is toch deze Koning der ere?"

151 En de engelen hier buiten, de profeten zeiden: "De Here der Heerscharen, de Here, geweldig in de strijd."

152 En toen drukten ze op de knop en de grote deuren zwaaiden open en daar kwam Hij door het midden van de straten, (De Overwinnaar. De victorie!) en de Oudtestamentische heiligen gingen achter Hem. Hij zette Zich op de troon en zei: "Vader, hier zijn ze. Zij zijn de Uwe."

153 En Hij zei: "Klim naar hier en ga zitten totdat Ik alle vijanden heb gemaakt tot Uw voetbank." En als wij het lezen, dan vinden we dat hier in de Schrift.

154 Goed luister! Nu, dat lezen wij in het achtste vers.

     Alle dingen zijn onder Zijn voeten onderworpen. Want bij dit: alle dingen Hem onderworpen, heeft Hij niets uitgezonderd dat Hem niet onderworpen zou zijn. Maar nu zien wij nog niet dat alle dingen Hem onderworpen zijn. (Dat is de dood. We zien de dood nog niet, omdat wij nog steeds sterven. Wij zien de dood.)
     Maar... (negende vers:) Maar wij zien Jezus (Amen, luister!)... Wij zien Jezus die voor een korte tijd onder de engelen gesteld was vanwege het lijden van de dood, gekroond met glorie en heerlijkheid, opdat Hij door de genade Gods voor allen de dood zou smaken.

     Waarom werd Hij lager dan de engelen gesteld? Zodat Hij de dood kon smaken, Hij moest sterven, Hij moest komen om te sterven.

155 Kijk hier vriend. Vergeet dit nooit. Toen Jezus daar heen ging en de heuvel opliep, zoemde de dood rond Zijn hoofd.

156 Laten wij nog even onze gedachten verplaatsen naar Jeruzalem tweeduizend jaar geleden. Hoe zou u dit kunnen verwerpen? Ik hoor een geluid door de straten. Wat is het? Er bonkt iets op de stenen. Het is een ruw, oud kruis, het wordt de poort van Damascus uitgedragen, bonkend over de straatkeien (die grote keien liggen er nog steeds). Bonkend over deze grote keien, boenk-boenk. Ik zie het spatten van bloed op de straat. Wat is dit? Het is een man die geen kwaad heeft gedaan, niets dan goed heeft gedaan. De mensen waren blind. Zij kenden Hem niet. Zij herkenden Hem niet.

157 U zegt: "Blind?" Konden zij dan niet zien? U kunt nog steeds uw gezichtsvermogen hebben en toch blind zijn. Gelooft u dat? De Bijbel zegt het zo. Herinnert u zich Elisa in Dothan? Hij ging naar buiten en sloeg de mensen met blindheid en zei: "Nu, volg mij." En zij waren blind voor hem. En ook vanavond zijn de mensen blind.

158 Een bepaalde gemeente die niet gelooft in Goddelijke genezing... Eens liep een man op mij toe en zei: "Sla mij met blindheid! Sla mij met blindheid!" (Het was in het huis van broeder Wright.) Hij zei: "Sla mij met blindheid!" Hij zei dat Paulus een man met blindheid sloeg. "Sla mij met blindheid", zei hij.

159 Ik zei: "Vriend, de duivel heeft het al gedaan. U bent al blind. Zeker, u bent het al."

160 Hij zei: "Genees dit kleine meisje en ik zal u geloven."

161 Ik zei: "Red die zondaar en ik zal ú geloven." Zeker!

162 "O", zei hij, "hij zal moeten geloven."

163 Ik zei: "Hier geldt hetzelfde, het moeten komen door de soevereine genade van God."

164 De duivel, de god van deze wereld heeft de ogen van de mensen verblind. Zij hebben ogen maar zij kunnen niet zien, zegt de Bijbel.

165 Hier liep Hij door de straat, Zich door de bloedige voetstappen voortslepend, de weg omhoog. De bij des doods wilde Hem steken en zoemde om Hem heen: "Nog maar even en ik zal je hebben." Hij begon zwak te worden. Hij had dorst... water.

166 Ik werd eens geraakt door een kogel, en ik lag daar in het veld, het bloed gutste uit mij. Ik riep om water en mijn vriend rende, nam zijn pet en hield hem onder water. Vies stilstaand water met allemaal wriemelbeestjes er in. Hij kwam en ik hield mijn mond open en hij wrong hem uit, omdat het bloed spoot als een fontein waar ik kapot geschoten was met een geweer. Dorstend!

167 Toen wist ik wat het voor mijn Heer moet zijn geweest. Na heel die morgen te hebben gebloed, van negen uur tot drie uur in de avond. Al dat bloed verliezend. Ik zie op Zijn kleed eerst wat heel kleine vlekjes erop. En al die vlekjes begonnen groter te worden en in elkaar over te gaan, één hele grote plek vormend die Hem tegen het been sloeg terwijl Hij voortliep. Dat was Immanuëls Bloed! O, de aarde was dat niet waardig.

168 Maar als Hij voortgaat naar boven, dan steekt deze bij om Hem heen. Wat deed hij? Tenslotte stak hij Hem. Maar broeder, iedereen weet dat een insect of een bij als hij u ooit éénmaal steekt, dat dit aan al die steken een einde maakt. Dan kan hij niet meer steken. Omdat, wanneer hij weggaat, dan trekt hij zijn angel uit. En dat is de reden dat God vleesgemaakt moest worden. Hij nam de angel des doods in Zijn vlees en Hij trok de angel des doods uit. Geprezen zij de Naam des Heren!

169 De dood kan zoemen en steken, maar hij kan u niet deren. O, toen Hij voelde dat die bij daar rond Hem zoemde, de dood rondom Hem zoemde, de dood rondom Hem kwam, zei Hij: "O dood waar is je prikkel?" En Hij kon naar Golgotha wijzen waar hij achtergebleven was in het vlees van Immanuël. "Waar is uw overwinning? Maar God zij gedankt die ons de overwinning geeft door onze Here Jezus Christus."

170 Ja, wij zien niet alle dingen.

     Maar wij zien Jezus die voor een korte tijd beneden de engelen was gesteld 'vanwege het lijden des doods'.

     Want het betaamde Hem, om Wie alle dingen zijn, dat Hij vele kinderen tot de heerlijkheid leidende, de overste Leidsman hunner zaligheid door lijden zou heiligen... (De enige manier waarop Hij onze Redder kon worden. Hij moest lijden.)

171 Luister hier nu naar deze prachtige woorden. Nu luister:

     Want Hij, die heiligt, en zij, die geheiligd worden, zijn allen één: (O, ziet u niet de Wijnstok en de rank daar? Allen één!) ... daarom schaamt Hij zich niet om hen broeders te noemen. (Ziet u waarom? Luister naar het volgende vers.)
     Zeggende: "Ik zal Uw Naam Mijn broeders verkondigen; in het midden der gemeente zal Ik u lofzingen."

     En weer: "Ik zal Mijn vertrouwen op Hem stellen." En weer: "Zie daar, Ik en de kinderen, die Mij God gegeven heeft."

     Aangezien dan de kinderen des vleses en bloeds deelachtig zijn, zo is Hij ook eveneens die deelachtig geworden, opdat Hij door de dood te niet doen zou degene, die het geweld des doods had, dat is, de duivel.

     En verlossen zou al degenen, die met vreze des doods, gedurende heel hun leven, aan de dienstbaarheid onderworpen waren.

172 De mens heeft altijd de dood gevreesd. Christus werd zonde, vernederd, nam de dood op Zichzelf. Hij schaamt zich niet om "onze Broeder" genaamd te worden, want Hij werd verzocht precies zoals wij werden verzocht. En Hij kan de juiste soort van bemiddelaar zijn omdat Hij dezelfde soort verzoeking doorstond, die u doorstaat. En Hij nam uw plaats in, wetende dat u het zelf niet kon dragen.

173 Dus ziet u niet, broeder en zuster, dat de hele zaak genade is. Het is allemaal genade. Het is helemaal niet wat u doet. Het is wat Hij reeds heeft gedaan voor u. Nu, u kunt niet één ding doen om uw redding te verdienen. Uw redding is een gave. Christus werd zonde opdat u rechtvaardig zou mogen worden. En Hij is de juiste soort Leidsman voor onze behoudenis, omdat Hij precies zo leed als wij leden. En Hij werd op precies dezelfde wijze verzocht als wij werden verzocht. En Hij schaamt zich niet om "onze Broeder" te worden genoemd, omdat Hij weet waar wij doorheen gaan. O, geprezen zij Zijn Naam!

     Want waarlijk, Hij neemt de engelen niet aan, maar Hij neemt het zaad van Abraham aan

174 O my! Hij werd geen engel. Hij werd het zaad van Abraham. En wij, dood zijnde in Christus, nemen Abrahams zaad aan en zijn erfgenamen overeenkomstig de belofte. Ziet u? Hij nam nooit de vorm van een engel aan. Hij werd nooit een engel. Hij werd een mens! Hij werd het zaad van Abraham en nam de angel des doods in Zijn eigen vlees, om ons weer met God te verzoenen. En nu is Hij daar gezeten als Middelaar. O, hoe konden wij het verwerpen, vriend?

175 Luister:

     Waarom Hij in alles de broeders gelijk moest worden, opdat Hij een barmhartig en een getrouw Hogepriester zou zijn bij God om de zonden van het volk te verzoenen. (Opdat Hij de Verzoener zou zijn.)

176 Ziet u, er was vijandschap tussen God en de mens. En geen mens... Zij zonden de engelen (de profeten), zij konden uw plaats niet innemen, omdat zij voor zichzelf moesten bidden. Zij konden de plaats niet innemen.

177 En toen zond Hij de wet. En de wet was een politieman die ons in de gevangenis zette. Het kon ons er niet uitbrengen. Hij zond de wet. Hij zond de profeten. Hij zond de rechtvaardigen. En niets kon een verzoening maken. Maar Hij kwam neer en werd Eén van ons. O my!

178 Ik wilde dat we op dit moment een beetje meer tijd hadden, dan zou ik graag met u die wet der verlossing behandelen; maar wij hebben het niet. Maar even voor een ogenblik... dat prachtige beeld ligt in Ruth en Naomi. Als u daar de verzoening zult zien, hoe de landman de man was die de verloren en gevallen nalatenschap moest lossen, en dat hij familie moest zijn van die persoon, die de nalatenschap had verloren. En dat is de reden dat Boaz een bloedverwant van Naomi moest zijn zodat hij Ruth kon krijgen. En dan moest hij ook waardig zijn. Hij moest in staat zijn het te doen, om het verlorene te verlossen. En Boaz bij de poort legde een openbaar getuigenis af door zijn schoen uit te schoppen, dat hij Naomi had gelost en al haar bezit. En hij moest een bloedverwant zijn.

179 En dat is de reden dat Christus, God, bloedverwant van ons moest worden. En Hij kwam neer en was een mens. En Hij leed verzoeking. En Hij werd uitgelachen, en werd belachelijk gemaakt, en vervolgd, en verloochend, en Beëlzebub genoemd, en bespot, en onderging de dood onder de doodstraf. Ziet u? Hij moest een bloedverwant van ons zijn. Hij moest vals beschuldigd worden, omdat u vals beschuldigd wordt. Hij moest ziek worden, omdat u ziek bent. Hij moest zonden dragen omdat het uw zonden waren. En Hij moest een bloedverwant worden. De enige manier om ons te verlossen was om een bloedverwant van ons te worden. En hoe Hij bloedverwant werd is door zondig vlees aan te nemen en één van ons te worden. En daarvoor betaalde Hij de prijs en verloste Hij ons terug in de gemeenschap van de Vader. O, wat een Redder! Woorden zouden het niet uit kunnen drukken.

     Want in hetgeen Hijzelf, verzocht zijnde, geleden heeft, kan Hij degenen die verzocht worden, te hulp komen. (te hulp komen betekent 'sympathiseren met'.)

180 En dat is de reden dat Hij dit werd, dat Hij medegevoelend zou zijn, met u die uw ups en downs hebt en uw kleine bijzonderheden en uw verzoekingen die zo groot worden dat u het nauwelijks kunt verdragen. Hij weet hoe met u mee te voelen. Hij zetelt daar om Middelaar te zijn. Hij zetelt daar om u lief te hebben. En hoewel u afdwaalt, zal Hij u niet verloochenen. Hij zal nog steeds achter u aankomen en aan uw hart kloppen. Er is geen teruggevallene in het gebouw of hij weet dat God dagelijks aan zijn hart klopt. En Hij zal het doen zolang u een sterveling op aarde bent, want Hij heeft u lief. Hij verloste u.

181 Dichters hebben het geprobeerd. Schrijvers hebben het geprobeerd. Mensen hebben het geprobeerd. Mensen hebben geprobeerd om dat thema van liefde tot uitdrukking te brengen en het kon niet worden uitgedrukt in menselijke bewoordingen. Eén zei:

O liefde Gods, hoe rijk en rein!
Onmetelijk en diep!
Zij zal voor eeuwig bestaan,
Het lied van heiligen en engelen.

Zou men met inkt de oceanen vullen
En was de lucht van perkament;
Was elk riet op aarde een pen
En elke man een schrijver van beroep;
Om de liefde van God te beschrijven,
Het zou de oceanen op doen drogen,
Evenmin konden de boekrollen alles bevatten,
Al waren ze over heel de hemel uitgespreid.

182 U zult het nooit begrijpen. Er is geen manier voor ons om het te begrijpen, hoe dat grote offer dat Hij bracht, neerkwam en ons terugverzoende met God. En toen Hij terugging en zei: "Nu, ik zal u niet ongetroost achterlaten. Ik zal weerkomen, en met u zijn, ja in u, tot aan het eind van de wereld."

183 En hier zijn wij vandaag, levende in de eindtijd, met dezelfde Jezus, dezelfde dingen, hetzelfde teken, dezelfde wonderen, dezelfde redding, dezelfde Geest die dezelfde dingen doet, hetzelfde Evangelie, hetzelfde Woord, dezelfde illustraties, dezelfde manifestaties, alles! Het betaamt ons om deze grote redding niet te veronachtzamen, want wij zullen op een dag rekenschap moeten geven over wat wij doen met de Zoon van God.

184 Hij is op uw hand vandaag, zondaar, teruggevallene. Wat zult u met Hem gaan doen? U zegt: "Wel, ik stel het uit." Maar bedenk: Doet u dat niet. Er is geen enkele mogelijkheid, als u een zondaar bent, dat u dit gebouw kunt verlaten als dezelfde. Dat kunt u niet.

185 Pilatus probeerde het op een avond. Hij vroeg om wat water en hij waste zijn handen, en hij zei: "Ik heb er helemaal niets mee te maken. Ik doe of ik het nooit heb gezien. Ik heb van het Evangelie nog nooit gehoord. Ik wil er niets mee te maken hebben." Kon hij het van zijn handen afwassen? Hij kon het niet!

186 En tenslotte weet u wat er gebeurde met Pilatus? Hij verloor zijn verstand. En ginds in Zwitserland waar wij vorig jaar waren, het Evangelie predikend... Nu, er is een oude legende die zegt dat er een vijver is waar mensen van heel de wereld heengaan om te kijken, elk jaar op de tijd van de kruisiging. Pilatus stortte zichzelf in de dood door zelfmoord te plegen en in het water te springen en zichzelf te verdrinken. En elk jaar op dezelfde dag borrelt er blauw water omhoog uit die vijver om te tonen dat God het water verwierp. Water kan nooit het Bloed van Jezus van uw handen of van uw ziel afwassen. Er is slechts één manier om het te doen, dat is om het te aanvaarden als uw persoonlijke vergeving en verzoend te worden met God.

     Laten wij bidden.

187 Hemelse Vader, wij danken U vanavond voor het Woord. Want geloof komt door het horen, en horen door het Woord. Wij danken U voor Jezus. En als wij deze grote dag zien waarin wij leven, hoe dat tekenen en wonderen, hoe wij ons deze dingen laten ontglippen, God, open de ogen van de mensen van deze Tabernakel vanavond, opdat zij mogen zien en begrijpen, dat wij in de laatste uren zijn. De tijd vliegt heen. Wij hebben niet veel langer om hier te zijn, en wij zullen Jezus moeten zien. En wij zullen als verraders moeten worden gerekend, want er is geen excuus deze morgen. Toen U dat grote en machtige visioen gaf van die man die hier kwam van ver weg uit dat land ginds... en hem zonder enige zweem van twijfel te zien opstaan uit die rolstoel, zijn gezichtsvermogen ontvangend; en zijn benen werden sterk... en door het gebouw komend, zich verheugend en God prijzend. Het toont dat God nog steeds in staat is uit deze stenen Abraham kinderen te verwekken. Om het visioen te zien zoals Jezus zei: "Ik doe niets totdat de Vader het Mij toont. Ik kan niets doen."

188 De blinde man volgde Hem en zei: "Heb genade met ons."

189 Hij zei... raakte hun ogen aan en zei: "U geschiedde overeenkomstig uw geloof."

190 Nu Heer, wij zien Jezus. Wij zien niet alle dingen. Wij zien nog steeds... wij brengen de geheiligden van ons naar het graf, en wij lopen over elkaars graf. Maar wij zien Jezus, die de belofte deed. Wij zien Hem bij ons. Niet Jezus in het graf, niet Jezus tweeduizend jaar geleden. Maar Jezus vanavond, die bij ons is. Wij zien Hem gemanifesteerd in al Zijn kracht, en tekenen en wonderen.

191 God, mogen wij nooit deze grote Redding veronachtzamen. Maar mogen wij het aangrijpen en het accepteren en eerbiedig erdoor leven tot de dag dat Jezus komt om ons mee naar huis te nemen. Geef het, Heer. Wij vragen het in Zijn Naam.

192 En terwijl wij onze hoofden gebogen hebben, vraag ik mij af, of er iemand in het gebouw is vanavond onder de Goddelijke tegenwoordigheid van de Heilige Geest, die zou willen zeggen: "Broeder Branham, ik ben overtuigd dat ik fout ben. Ik ben overtuigd dat ik fout ben. God heeft mijn zonden geopenbaard. En ik weet dat ik fout ben. Ik zal mijn hand opheffen naar Hem en om genade vragen vanavond. God wees mij genadig, ik ben fout." Wilt u dat doen?

193 Terwijl wij even een ogenblik wachten, als er iemand is hier die dat wil dat we... Er is een doopdienst, die over een ogenblik zal worden gehouden. En als u een zondaar bent, zou ik mij bekeren. Hoe kunt u zo'n mateloze liefde verwerpen van Iemand die stierf. De heilige God des hemels werd een zondig mens, niet omdat Hij zondigde, maar omdat Hij Uw zonden nam en ze daar naar Calvarie droeg en u wilt die verzoening niet aanvaarden. Wilt u het vanavond niet doen? Terwijl wij onze hoofden gebogen houden, iemand zegt: "Gedenk mij broeder Branham. Ik steek mijn handen op naar Christus en zeg: 'Wees mij genadig. Ik ben fout, en ik wil verzoend worden met God.'" Wilt u uw hand opsteken?

     Goed, als ieder dan een Christen is, laten wij dan bidden:

194 Vader, wij danken U vanavond, dat ieder hier binnen Christen is, dat zij dit hebben betuigd door zich stil te houden, dat hun zonden allen onder het Bloed zijn. En ik ben daar zo dankbaar voor. Zegen hen Heer. O, ik ben zo blij dat zij verzoening hebben gevonden door het Offer van het Bloed, door het Woord te horen. Het wassen van het water door het woord; het reinigt ons; het brengt ons tot een geweldige toestand waar de zondaar in zijn ellendige duisternis wit als sneeuw wordt gemaakt. De scharlaken vlekken van zonden zijn weg gewassen en wij zijn nieuwe schepselen in Christus. O, hoe danken wij u hiervoor. Nu, de doopdienst gaat zo beginnen. Ik begrijp dat deze jongedame vanavond zal worden gedoopt in de Naam van haar Heer.

195 O, Hemelse Vader, wij bidden dat u deze jonge vrouw zult zegenen. Hoe gaan mijn gedachten terug naar een paar dagen geleden, toen ik in Henryville kwam en ik dat lieflijke jonge meisje daar over straat zag lopen. En vanavond – ze is een moeder, een dame – heeft ze U aanvaard als haar persoonlijke Redder. Het leven is hard voor het kind geweest, Heer. O God, maar er is zeker een hemel voor haar. En wij willen U daar voor danken. Wij bidden, God, dat U deze jonge vrouw nu zult zegenen. Als ze komt om gedoopt te worden in water, moge U haar vullen met de Heilige Geest van God. Geef het, Here. En moge haar ziel zo bewogen worden de hemelen binnen. Geef het, voor Uw Eer. Wij vragen het in Jezus' Naam. Amen. [Dan is er een klein leeg gedeelte op de band – Vert].

196 Ik wil lezen uit Handelingen, het tweede hoofdstuk, waar Petrus spreekt op de dag van Pinksteren; de eerste doop die ooit werd volvoerd in de Christelijke gemeente. Petrus die de Farizeeën en de blinde mensen bestrafte voor het niet erkennen van de Zoon van God, spreekt er nu van hoe God Hem opgewekt heeft, en Zijn werken bewees in grote tekenen en wonderen. Luister hiernaar; zoals hij sprak, verhoogde hij Jezus.

197 De geest van elke Christen verhoogt Jezus, niet alleen door uw lippen, maar ook door uw leven. Uw lippen kunnen het éne zeggen, uw leven doet iets anders. Als u dat doet, weet u wat dat is? Dat is huichelarij. En ik zou liever oog in oog staan met de hemel als een ongelovige, dan als een huichelaar. Ik zou meer kans maken, geloof ik, in de hemel als een ongelovige, dan als een huichelaar. Ik weet zeker dat als u getuigt van Jezus en zegt: "Hij is de Redder", leeft u er dan naar, want de mensen zullen het van u gaan verwachten. Dat is waar. Leeft u zoals een Christen behoorde te doen. Wij namen dat deze morgen door.

198 Nu, zo de Heer wil zullen wij morgenavond of woensdagavond dit derde hoofdstuk nemen, wat een wonderbaar hoofdstuk is. En nu, probeert u zeker te komen, woensdagavond. Hoevelen verheugen zich in dit Boek, van de zondagsschoolonderwijzing? O, dank u zeer, dat is fijn.

199 Nu, ik wil gaan lezen uit Handelingen, hoofdstuk 2, te beginnen bij het tweeëndertigste vers:

     Deze Jezus heeft God opgewekt, waarvan wij allen getuigen zijn. (Zij wisten het.)
     Nu Hij dan door de rechterhand Gods verhoogd is en de belofte des Heiligen Geestes van de Vader ontvangen heeft, heeft Hij dit uitgestort wat gij ziet en hoort.

200 Nu, luister naar Hem als Hij spreekt over David, één van de engelen:

     Want David is niet opgevaren naar de hemel, maar hij zegt zelf: de Here heeft gezegd tot mijn Here, zet U aan Mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden gemaakt heb tot een voetbank uwer voeten.

     David kon niet omhoog gaan. Hij was onder het gestorte bloed van vaarzen en bokken en schapen. Maar nu kan hij opstaan. Hij is onder het Bloed van de Here Jezus. Want zij antwoorden alleen op dat Bloed wanneer het in kracht zou komen. Toen het Bloed van Christus in kracht kwam, stonden al diegenen die waren gestorven onder verkregen genade, op. Dat is waar, en voeren op, de heerlijkheid binnen.

201 Nu, luister:

     Dus moet ook het ganse huis van Israël zeker weten... (luister hiernaar) ... dat God Hem en tot Here en tot Christus gemaakt heeft, deze Jezus die Gij gekruisigd hebt. (Wat wil dat zeggen?)

     Is Hij een derde persoon van de drie-eenheid, of is Hij de gehele drie-eenheid? Hij is de gehele volheid van de Godheid lichamelijk.

202 Er bestaat niet zoiets als drie goden: God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest. Dat staat zelfs niet in de Schrift. Nergens, nergens staat het. Nergens werden wij ook bevolen om te dopen in de naam van de Vader, in de naam van de Zoon en in de naam van de Heilige Geest. Nergens in de Schriften. Het is een Katholieke geloofsbelijdenis en het is niet voor de Protestantse kerk. Ik zal ieder vragen om mij één Schriftgedeelte te tonen waar een persoon ooit werd gedoopt op een andere manier dan in de Naam van de Here Jezus Christus. Kom het me tonen, en ik zal een bord omhangen: "Een huichelaar, een valse profeet, en een valse leraar" en zo door de straat gaan. Zoiets bestaat er niet. Nooit werd er iemand op die wijze gedoopt! Het is een Katholieke geloofsbelijdenis, en niet een Protestantse leer.

203 Mattheüs 28:19 zegt u; Jezus zei: "Gaat daarom heen in de gehele wereld, onderwijst alle volken en doopt hen in de Naam van de Vader, Zoon en Heilige Geest." En dat is correct! Maar niet in de naam van de Vader, in de naam van de Zoon, en de naam van de Heilige Geest. De Naam van de Vader... De Naam, niet namen, van de Vader... Vader is geen naam. Hoevelen weten dat? Hoeveel vaders zijn hier? Steek even uw hand op. Hoeveel zonen zijn hier? Steek uw hand op. Hoeveel mensen zijn hier? Steek uw hand op. Goed. Nu, maar wat is uw naam? Noch vader, noch zoon, noch mens.

204 Een vrouw zei eens een keer tegen mij – ze was een strenge drie-eenheidgelovige – ze zei: "Broeder Branham, maar de Heilige geest is een naam."

205 Ik zei: "De Heilige Geest is geen naam. De Heilige Geest is wat Het is. Het is de Heilige Geest, niet een naam. Zo is het. Ik ben een mens, maar mijn naam is niet mens. Mijn naam is William Branham. Dus als Hij zei: 'Gaat daarom heen en onderwijst alle volken, en doopt hen in de Naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest.' Toen zei Petrus tien dagen later: 'Bekeert u.'"

206 Nu, luister hiernaar:

     En toen zij dit hoorden werden zij diep in hun hart getroffen, en ze zeiden tot Petrus en de andere apostelen: "Mannen broeders, wat moeten we doen?"

     En Petrus zei tot hen: "Bekeert u en een ieder van u worde gedoopt in de Naam van de Here Jezus Christus, tot vergeving van uw zonden; en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen."

207 Deed Petrus toen wat Jezus hem vertelde niet te doen? Hij was niet in de war! Wij zijn degenen die in de war zijn.

208 In Handelingen 2:38 werden de Joden gedoopt in de Naam van de Here Jezus Christus door onderdompeling. En in Handelingen, het achtste hoofdstuk, ontdekken we dat Filippus heenging en tot de Samaritanen predikte en ze doopte in de Naam van de Here Jezus Christus; de Samaritanen. En in Handelingen 10:49 beveelt Petrus de heidenen dat zij moesten worden gedoopt in de Naam van de Here Jezus Christus.

209 Paulus, in Handelingen 19:5 trok hij door de bovenlanden van Efeze en hij vond discipelen. Het waren Baptistendiscipelen. Zij waren allen Baptisten. Zij waren tot bekering gekomen onder een Baptistenprediker, genaamd eh... laten wij eens kijken, Apollos. En hij was een Baptistenprediker, en hij bewees door de Bijbel dat Jezus de Christus was. Paulus zei: "Hebt gij de Heilige Geest ontvangen sinds gij tot het geloof kwam?"

210 Ze zeiden: "Wij weten niet dat er een Heilige Geest is!"

211 Hij zei: "Hoe zijn jullie dan gedoopt?"

212 Ze zeiden: "Wij zijn gedoopt door dezelfde man die Jezus doopte in dat watergat daarbuiten, dat is goed genoeg."

213 Paulus zei: "Dat zal nu niet meer werken. U moet overgedoopt worden." En Paulus gebood hen om overgedoopt te worden in de Naam van de Here Jezus Christus. Legde zijn handen op hen, en de Heilige Geest kwam op hen. Precies. Jazeker!

Het zal licht zijn in de avondtijd;
Het pad der heerlijkheid zult u zeker vinden.
In de waterweg, daar is het licht vandaag,
Begraven in de dierbare Naam van Jezus,
Jong en oud, bekeer je van al je zonden,
De Heilige Geest zal zeker binnenkomen.
Het Avondlicht is gekomen,
Het is een feit dat God en Christus één zijn.

214 Dat zegt de Bijbel. Dat is waar. Het is het uur, het is de tijd dat wij ons zouden moeten bekeren.

215 Zeg, roep wanneer u gereed bent in het doopbekken en dan zullen we... Bent u klaar? Goed, doet u de gordijnen open.

216 De Heer zegene u, terwijl de broeder de doop bedient. Kunt u dit allen zien? [Broeder Neville doopt de gelovigen – Vert]