Hoofdmenu  
Home English (United States)
Download  
audioE-BookPrint
AudioAudio
mp3 Download mp3mp3 is een populaire audioformaat dat op vrijwel alle mediaspelers te beluisteren is. meer info...
m4b Download m4bM4B is een Audiobook formaat voor Apple apparatuur (iPod, iPhone etc...) Uw plek wordt bewaard e.d. meer info...
E-BookE-Book
ePub Download ePubePub is de meest gangbare formaat voor E-Book readers. Het heeft geen absolute paginaindeling. meer info...
pdf Download PDFPDF is het meest ondersteunde formaat met absolute pagina indeling. meer info...
xps Download XPSXPS is een relatief nieuw formaat dat vanaf Windows 7 gelezen kan worden zonder extra software te installeren. meer info...
printPrint
book Download PDFPDF ingedeeld als printbaar boekje (dubbelzijdig printen en in het midden vouwen en nieten). meer info...
xpsbook Download XPSXPS document ingedeeld als printbaar boekje (dubbelzijdig printen en in het midden vouwen en nieten). meer info...

Openbaring 5

Door William Marrion Branham

1 Wij zijn weer terug in de Tabernakel deze morgen, om overal het goede nieuws te verkondigen, dat de Here God goed voor ons is geweest.

2 Vorige zondag, toen de meesten van u hier waren, werd het visioen verteld over die slang die in het midden werd gedood. Dat visioen gebeurde woord voor woord binnen vierentwintig uur, nadat het hier op het podium was gezegd. Het was wonderbaarlijk hoe de Here handelde. Ik heb nooit één visioen zien falen in heel mijn leven, en ik ben tweeënvijftig jaar oud. Het is gewoonweg volmaakt, woord voor woord, op de wijze dat het gebeurde. En ik voel mij stukken beter, een stuk beter.

3 En nu, daar hebt u alles waarover ik sprak, toen ik het uitsprak over die beschuldiging. Of, geen beschuldiging, het kwam van oprechte, godvrezende mensen, voor wie mijn bediening gewoon een beetje te bovennatuurlijk was geworden. En zij waren beginnen te denken, dat ik de Here Jezus was, en begonnen er een kleine leerstelling over. Maar het werd allemaal gestopt, plotseling. Dank de Here daarvoor!

4 En gewoon, zodra ik er zelf uit kwam en het gewoon aan de Here overliet en het aan de Here opdroeg, was het onmiddellijk over, binnen vierentwintig uur was het alles afgelopen. Het liet mij een beetje nerveus en een beetje van streek achter, maar ik zal dat over een poosje te boven zijn. Natuurlijk was het wel wat schokkend voor mij, maar ik maak het gewoon heel goed.

5 En wij hadden grote overwinningen deze week; ik wil iets ervan vermelden.

6 Nu, als ik zou hebben geluisterd naar wat de Here mij vertelde, dan zou dat nooit zijn opgekomen. Vier jaar geleden vertelde Hij het mij. En mijn vrouw, die aanwezig is – zij zit achterin de zaal hier ergens nu – en mijn zoon die hier een paar ogenblikken geleden op het podium was, en vele anderen hebben mij keer op keer horen zeggen: "Dit is de laatste keer dat ik ook maar iets van die gave van onderscheiding zal gaan gebruiken." Ziet u? Ik probeerde heel dicht bij God te leven. En met dat te doen, heeft het een uitwerking gehad, alsof het de mensen heeft verward, tot zij nauwelijks weten wat zij ervan moeten denken.

7 En dan, over de belastingzaak die wij hadden. Daar zou nooit een woord over zijn gevallen, als ik maar naar de Here had geluisterd. Het is steeds waar ik Hem ongehoorzaam ben, dat ik altijd in moeilijkheden kom. Als ik slechts aandachtig had geluisterd en met Hem had gewandeld!

8 De bediening is zo bovennatuurlijk soms, dat ik vreesde dat ik zou overgaan op dat andere spoor. Ik wil dat iedereen dit goed begrijpt. Ik bedoel niet te zeggen, dat ik wegga, weg van de Here zal gaan, maar dat ik gewoon helemaal niets meer, wat dan ook van het bovennatuurlijke naar voren zal brengen, ziet u. Dus zoals zulke zaken als de onderscheidingen en dergelijke dingen.

9 De Here is ons genadig geweest gedurende deze tijd. Hij deed broeder Neville opstaan, die een woord van profetie heeft. Hij heeft broeder Higginbotham en vele anderen van de broeders hier, die absoluut geestelijke gaven hebben in de gemeente, wonderen werkend.

10 Laat mij u even een getuigenis geven. Zuster Opal Weaver, ik weet niet of zij hier in de gemeente is deze morgen. Bent u hier, zuster Opal? Ik kan haar misschien niet zien... Wel, verscheidene jaren geleden was zij stervende aan kanker, en de kanker zat in de vrouwelijke klieren en ging omhoog in haar nieren. Zij gaven haar slechts die ene avond nog te leven, zover heen was zij. En ik ging heen en bad voor haar, en er kwam een visioen, en zij was absoluut genezen. Dat is ongeveer vijftien jaar geleden geweest. Zij liep jarenlang bij ons in en uit.

11 Onlangs kreeg zij erge keelpijn en begon te bloeden uit haar keel. Er werd voorgesteld, dat zij onmiddellijk naar de dokter zou gaan. (En dat was toen ik in Canada was.) Zij belde broeder Neville op, en broeder Neville ging heen en haalde onze broeder Higginbotham. Ik denk niet dat broeder Higginbotham hier is; hij is er misschien wel, deze morgen. Broeder Rupert Higginbotham was één van onze vroegere oudsten, een fijne broeder. Is hij er? Dus gingen zij heen om voor de vrouw te bidden, en toen ze voor haar baden... Zij had twee of drie dagen lang bloedingen gehad, en zij bleef gewoon bloed spuwen. En broeder Neville bad voor haar en zij spuwde nooit meer één druppel bloed. Dat is juist.

12 En toen had zij twee gezwellen, builen of wat het ook was, in het verhemelte, een soort blaren, hangend aan het verhemelte van haar mond; als grote bulten. En er was op geen enkele wijze verlichting ingetreden. Zij zei: "Ze zijn ongeveer half zo groot als een hickory-walnoot." Zij hadden nogal een poosje in haar mond gezeten, dagenlang. En broeder Higginbotham... Als ik die Duitse naam niet al te goed uitspreek, broeder Rupert, vergeeft u mij dat. Ik heb dit hier misschien fout. Nee, ik geloof dat hij de gave van spreken in tongen en uitlegging van tongen heeft. En hij had zijn hand, gedurende dat ogenblik, op haar gezicht gelegd. En zij zei: "Broeder Branham, niet gisteren, niet gisteravond, maar onmiddellijk verdwenen die plekken", uit het verhemelte van haar mond. Onmiddellijk!

13 Toen kwamen de doktoren, keken in haar keel en alles, en zij zeiden: "Zij moet naar het ziekenhuis, want zij heeft keelkanker."

14 Zij namen haar mee naar het ziekenhuis. Ik wist zelfs niet dat zij daar lag, tot ik onze goede voorganger broeder Neville hier ontmoette. Ik was op weg naar het ziekenhuis en hij vertelde mij dat zij daar lag. Dus ging ik erheen om haar te bezoeken; haar man zat daar ook. En vier of vijf doktoren waren binnengekomen en hadden er proeven mee gedaan, hun hoofd schuddend, zeiden: "Inderdaad, het is kanker, kanker-virus, het is kanker."

15 De internist kwam binnen en hij nam er een klein proefstukje van. Hij zei: "Dat is kanker, zonder twijfel."

16 Ik zei: "Maar zuster, als God u ééns genas van kanker... laat het zijn wat het ook mag zijn. Misschien hebben die mensen gelijk. Het zijn getrainde mannen op dat gebied, om te kunnen zeggen of het kanker is, of dat het eruit ziet als kanker of wat het ook is. Het zijn mensen, die voor dat doel opgeleid zijn. En het ziet eruit als kanker, dus zeggen zij dat het kanker is." En ik zei: "Het is het waarschijnlijk ook."

17 Maar zij wilde niet geloven, dat het kanker was. Dus ik zei: "Maar als God vroeger gebed kon verhoren om de bloeding te stoppen en God het gebed kon verhoren om die grote dingen uit uw mond te nemen, laat het dan zijn wat het moge zijn; kan God het dan ook niet op ditzelfde moment stoppen?"

18 Zij zei: "Amen!" Haar man zat erbij. Zij zei: "Dat is het wat mij op dit moment staande houdt, dat God het zal stoppen."

19 Ik bad voor haar. En zij namen de proefjes om ze te onderzoeken. Hij kwam terug: "Negatief!" Terwijl zij allemaal zeiden dat het kanker was. Ziet u?

20 Dus de zaak is, vrienden, dat Hij God is en dat Hij antwoordt op gebed. En zij zijn zo blij, dat Hij ons hier bezoekt in deze kleine bescheiden tabernakel. Hij is niet veel zaaks om naar te kijken; wat oude planken, die wij hierzo aan elkaar timmerden, vele jaren geleden, als een beschutting boven ons hoofd, een dak boven ons hoofd liever, tegen de regen- en sneeuwbuien, enzovoort. Maar vele mensen leven vandaag vanwege die inspanning, en daar zijn wij erg dankbaar voor.

21 Wij zijn dankbaar voor onze oudsten. Wij zijn dankbaar voor onze diakenen. Wij zijn dankbaar voor onze samenkomst. En wij zijn dankbaar voor onze voorganger. Wij zijn dankbaar voor elke gave die Hij in de gemeente heeft gegeven. En wij bidden dat Hij deze mensen begrip zal geven, dat zij nooit in de verkeerde richting zullen afdwalen, maar er zuiver op het midden van de weg mee blijven. Wees nooit verheven of wat dan ook. Wanneer u het doet, op dat moment is het met u gedaan, ziet u. Blijf er gewoon deemoedig bij.

22 Kijk, dan komen er mensen, ziek en aangevochten, opdat er voor hen gebeden wordt. En terwijl ik nu voor misschien een jaar of twee rust, heeft God een weg bereid om er zorg voor te dragen, terwijl ik een poosje rust. Ziet u? O, is dat niet fijn? Behoorden wij daar niet dankbaar voor te zijn? God zorgt altijd dat er een getuige is, en dus zijn wij daar zo gelukkig mee.

23 Nu, deze volgende week, zo de Here wil, ben ik van plan mijn kleine meisjes mee te nemen, die net vrij van school hebben gekregen voor hun kleine schoolvakantie, dus ik bid dat u voor ons zult bidden. Mijn oudste dochter, die op de middelbare school zit, wil zien waar Paul Revere zijn middernachtelijke rit maakte, waar hij daar de kerk verliet. Het is hier precies in het noorden in New England en wij willen daarheen gaan en dat dan bezoeken.

24 Dan heb ik altijd Old Ironsides [Een oud Amerikaans oorlogsschip uit de oorlog van 1817 – Vert] willen zien. Hoevelen hebben er ooit van de 'Old Ironsides'-gedichten gehoord? Het is bij mij meer favoriet, dan alles wat ik ken; afgezien van wat Christus aangaat, is dat mijn favoriet. Ik begin ermee te lezen en ik krijg een brok in mijn keel en ga zitten, loop een ommetje, ga terug. Hoe zou je haar kunnen laten zinken, nadat... Het is precies als dat je een paard neemt en hem doodt, nadat hij jou en je gezin van een bestaan heeft verzekerd. Dat kan ik gewoon niet begrijpen. "Dus zal ik haar afschaffen?" Nee, doe dat niet. Terwijl de Britse kanonskogels tegen haar beukten en afketsten tegen haar oude eiken boorden; ik zou niet kunnen zien, dat u haar mee naar buiten neemt en haar laat zinken.

     Geeft haar aan de goden van de storm,

     De weerlicht en de wind! (Daar houd ik echt van.)

25 En dan willen wij naar het zuiden gaan. Meneer Kennedy heeft ons niet uitgenodigd, maar wij willen wel graag zijn Witte Huis zien, als wij daar zijn. Ik ben er verschillende malen in geweest, maar de kinderen willen het zien. Dan zullen wij weer terug thuis zijn, zo de Here wil. Dus bidt u voor ons.

26 En wij bidden voor al onze geliefden hier die met vakantie zijn. Velen van hen maken tochten naar verschillende plaatsen. En sommigen van hen zijn deze morgen vertrokken naar het zuiden naar Kentucky en Tennessee en verschillende plaatsen. Dus bidden wij voor hen.

27 Nu, er was iets anders, waarover ik een afkondiging zou gaan doen. O ja, de doopdienst is onmiddellijk na deze dienst. En dan geloof ik, dat er het opdragen van baby's is – de broeder vertelde mij erover – een opdragen van baby's. En zovele dingen die wij moeten... Wat zegt u? [Iemand vraag broeder Branham over de avonddienst – Vert] Wel, ik voel het niet om beide diensten te nemen. Ziet u, ik neem de ene, en broeder Neville neemt de andere. Als wij hier met zijn tweeën zijn, waarom één van ons uit te putten? Is dat niet in orde, broeder Neville? Dat is precies juist.

28 En dan zei Doc mij u allen te zeggen, te denken aan uw toezeggingen voor de tabernakel, de kerk waarvoor zij aan het rekenen zijn. Om het kerkgebouw te bouwen, zo gauw zij genoeg bijeen hebben.

29 Ik dacht dat er nog iets was. Het opdragen van de baby's; dat was het. Wij zullen dat onmiddellijk na afloop van deze dienst doen.

30 Over deze doekjes moet gebeden worden, veronderstel ik? In orde. Wij zullen dat samen doen.

31 Nu, voor wij tot het Woord naderen... Hoevelen verheugen zich in het Woord? Oh my, wonend op de bergtop! U kon vanaf vorige zondag zien, wat het betekent om iets te doen op Gods wijze. Ziet u? Toen ik zag dat dat een geest was, die onder die dierbare broeders was gekomen, was er geen mogelijkheid voor een natuurlijk mens om dat weg te nemen. Dus was het enige wat wij moesten doen: het overgeven aan de Here, en binnen een paar uur was het allemaal afgelopen.

32 Nu, voorganger, daar ik wegga, zou ik zoals Paulus willen zeggen – als uw helper hier, die met u in het werk van de Here staat: "Ik betuig u voor God en de uitverkoren engelen...", ziet u? Er is een volmaakt voorbeeld voor deze gemeente hier, over wat wij moeten doen, als iemand in de gemeente uit de orde gaat. Ziet u?

33 Als er iets opkomt in de gemeente wat niet juist is, laat dan de persoon die weet dat het niet in orde is, naar die persoon toegaan. En als de persoon niet verzoend zal worden, dan is het volgende om te doen, een getuige nemen en te gaan, of misschien één of twee getuigen, en naar deze persoon toe te gaan, om hem ertoe te brengen zich te verzoenen of de zaak rechtgezet te krijgen. Luister aandachtig! (Nu, dit wordt ook op de band opgenomen.) En dan, als dat niet werkt...

34 Laat nooit een klein 'isme' of wat slechte gevoelens ten opzichte van elkaar ontstaan. Ruim het op hetzelfde moment uit de weg! Dat is de kleine vos die de druiven rooft, weet u. Houdt het dus uit de weg! Elk klein eigenaardig gevoelen: ga heen en vertel de betreffende persoon erover. Zeg: "Ik ben fout. Ik voel mij niet in orde ten opzichte van u, of zoiets. Help mij om erover te bidden, dat het beter met mij zal gaan." Want wij willen niets dan dat alleen zuiver, onvervalst, de Heilige Geest onder ons is. Dat is alles wat wij willen. Dan zullen de gaven en zo op de juiste manier werken en alles zal in orde komen.

35 Waarom een halve gemeente hebben, wanneer u een hele kunt hebben? Waarom een vervanging aanvaarden, terwijl de hemelen vol zijn van het echte? Ziet u? Wij willen dat niet. Dus als er ooit een beetje een vreemd gevoelen opkomt onder u, leden van de gemeente, ten opzichte van elkaar, ga naar die persoon toe.

     U zegt: "Wel, maar zij hebben het mij aangedaan!"

36 Bedenk dan alleen maar, dat het niet gaat om het feit "dat u tegen een broeder hebt, dat hij dwaalt of fout gaat", maar: "Als een broeder iets tegen ú heeft." Begrijpt u? Ga naar hem toe en verzoen u, zeg hem dat u een vreemd gevoelen over hem had en dat u vrienden wilt worden, en bidden en naar het altaar gaan en de zaak uit uw midden verwijderen.

37 Nu, Satan zal u voortdurend stompen, totdat het voor u op aarde afgelopen is. Bedenk dat slechts. U zult nooit een tijd hebben, dan dat er voortdurend wordt gestompt, omdat u zich in een strijd bevindt. Had u verwacht, toen u tot Christus kwam, dat u naar een picknick kwam? Wel, u zult zeker verrast gaan zijn, want het is een voortdurende strijd. Ik ben eenendertig jaar op het veld geweest, en ik heb elke centimeter van de weg gevochten. Zo is het. Israël moest elke centimeter van de weg vechten. Palestina werd aan hen gegeven, maar zij moesten elke centimeter van de weg vechten om het krijgen.

38 Nu, onthoudt dit: Als er iets is wat opkomt in de gemeente, laat dan de voorganger komen naar de persoon. Dan, als zij daar niet naar willen luisteren, kom dan voor de gemeente en vertel het voor de gemeente. Geef hen een bepaalde tijd om tot verzoening te komen, misschien van de ene zondag tot de volgende. En als zij niet naar de gemeente willen luisteren, dan zegt de Bijbel: "Dan zij hij u als de heiden en de tollenaar."

39 Zolang zij worden beschermd door de gemeente, kan Satan niet tot hen komen. Maar wanneer de gemeente hen loslaat van onder de bescherming van de gemeente en het Bloed van Christus, dan zal Satan aan hen gaan werken. Dat zal hen regelrecht weer tot verzoening brengen. Ziet u? U begrijpt dat, is het niet, voorganger? Jazeker.

40 Dus dat is de zaak die u altijd in gedachten moet houden om te doen, dat is, om u te laten verzoenen: kom tot God en ga Gods weg.

41 Wat bewijst dat aan ons? Twee of drie van onze broeders weten dat ik mij onder deze zaak twee of drie jaar lang moeite heb getroost. Dat is waar. Maar toen ik tot een plaats kwam, dat ik aan die mensen dacht, en ik die mensen tenslotte genoeg kon liefhebben, dat zij er niet bij weg konden komen... En ik nam getuigen, maar dat werkte niet. Ik moest het tot de gemeente brengen. En toen vanaf het podium vorige zondag, zei ik: "Ik wil het niet één keer meer horen. Ik ben er vrij van. Ik geef het over aan God, ziet u, en verwijs het terug naar Hem."

42 En het toonde onmiddellijk dat die mensen waren geroepen. Als zij het niet waren geweest, toen zij tot de Schrift-correctie kwamen... Kijk, een mens die de correctie van de Schrift niet kan verdragen, wordt heel kwaad en vliegt op. Het toont dat het tussen hem en God niet in orde is. Juist! Maar een ware heilige van God zal door het Woord met God worden verzoend. Dat is juist. En het Woord is de weg van de correctie. Die broeders behoorden God erg dankbaar te zijn, dat...

43 Kijk, de Bijbel zei dat er valse christussen zouden opstaan in de laatste dagen, en dat zij de uitverkorenen zelf zouden verleiden, ware het mogelijk. Maar het is niet mogelijk. O, nee. De uitverkorenen werden voorbestemd, dus zij zullen niet worden verleid, ziet u?

44 Dus zodra die broeders... Zij kwamen daar naar mijn huis de volgende dag, ziet u. Zij kwamen en waren zelfs begonnen mij de Schriftgedeelten te geven, waar zij op steunden. En toen, door de Schrift, veroordeelde de Heilige Geest gewoon alles wat zij zeiden. Ziet u het? Dus daar was het; zij zagen het. Die uitverkoren groep mensen ging eruit in de tegenwoordigheid van God. Het maakt mij dankbaar, dat er zulke mensen zijn. Ja zeker. Dat zijn echte mannen.

45 Wanneer u iemand ziet die fout is, het is bewezen dat hij fout is, dan toont dàt dat hij een Christen wil zijn, als hij komt en zegt: "Ik ben fout." Dat is een echte Christen.

46 Maar die kerel die heel kwaad zal worden, en er langs één kant omheen draait en zegt: "O, er was daar niets mee aan de hand", op zo'n manier; kijk uit broeder, u kunt op datzelfde moment zien, dat hij wegging onder veroordeling, omdat hij van ons niet was. Maar, voorganger, kom altijd tot dat Woord en het zal elke keer gevolg hebben. Maar u moet bij het Woord blijven.

47 Dat is de reden dat, wanneer ik kom, ik de gave van onderscheiding helemaal niet meer zal gebruiken in de Verenigde Staten. Ik ben het helemaal niet van plan voor de rest van mijn leven; alleen overzee en op de velden in het buitenland enzovoort. Natuurlijk, als gave, als profetische gave, zal dat er altijd zijn, maar ik zal het voor mijzelf houden en het gewoon laten werken... De dag is nu te ver gevorderd, om het door te laten gaan. Wij zijn te dicht bij de eindtijd. Maar op de velden in het buitenland is het slechts voor één of twee gevallen op het podium nodig, en broeder, dat is al voldoende voor ze.

48 Dan ontdekken wij, dat het op vleselijke wijze wordt nagebootst. Oh, my! Het is gewoonweg jammerlijk...

49 Kijk, hoeveel Pinkstermensen zijn hierbinnen? Steek even uw hand op. Goed. Een paar jaar geleden viel God werkelijk op u en u begon in tongen te spreken. Dat is waar. Maar wat deed de duivel? Hij kwam erbij en gaf een vleselijke nabootsing van dezelfde ervaring. Hij toonde iets aan, wat in werkelijkheid niet juist was; bracht de mensen op de knieën, liet ze bepaalde woorden zeggen en zo, om ze in tongen te laten spreken, enzovoort. En dat terwijl mannen leven met andermans vrouw, sommigen van hen drinken, roken en van alles, maar nog steeds in tongen sprekend. Waarom deed hij dat? Om de werkelijke bazuin een onzeker geluid te laten geven voor de mensen.

     Hij zei: "Wie kan zich dan gereedmaken tot de strijd?" Ziet u?

50 Toen, toen dit opkwam, kregen wij zulke mensen daar ook in de zaal... Er was er één die vlak voor mij uit reisde, daar in Canada. De politie pakte hem op; het was een homoseksueel. Ziet u? Hij zei: "God gaf mij de gave van onderscheiding." Zei: "Halleluja, de Here zei mij dat er hierbinnen iemand is, die Jan heet."

51 Wij hadden hier op een morgen een kleine vrouw; zij kwam daar achterin binnen, u herinnert het zich, en zij zei: "De Here gaf mij dezelfde gave."

     En ik zei: "Wel?"

     Zij zei: "Ik wou dat ik de kans kreeg, om het te bewijzen."

     Ik zei: "Daar is het podium."

52 En u zag wat er gebeurde; pure massa-psychologie, ziet u. Maar toen zij een zuster Snyder aan zag komen, en haar vertelde dat ze artritis had, dat maakte er een eind aan.

53 Ik zei: "Dat is het niet, wat er verkeerd is met de vrouw." Ik zei: "Zij is gevallen en heeft haar heup gebroken." En ik zei: "Ze staat daar niet eens..." Natuurlijk hoorde zuster Snyder niet zo goed, en ze zei... Wat ze mankeerde, geloof ik, was een gezwel in haar maag of iets dergelijks. Ik zei: "Dat is het; heb er hier heel de tijd over zitten praten met de broeders." Ziet u?

54 Ik deed het alleen maar om het de gemeente te tonen, ziet u, dat het vleselijke nabootsing is, ziet u? En wat is het gevolg ervan? Het maakt dat de werkelijke bazuin...

55 Toen ik in Canada was, hebben zij deze man gearresteerd, die daar heen was gereisd. Hij stond te midden van een groep Noren, en zei: "De Here zegt mij dat iemand hierbinnen...", in een menigte van ongeveer tien maal de grootte van deze samenkomst, "iemand is die Johan heet, of misschien Johannes of Johanna. Hierbinnen, geloof ik." Hij zei: "Nee, het is geloof ik hier ergens." Natuurlijk, hij omvatte er heel wat. In een Noors land en ieder had... negentig procent van hen zijn Petersons, Carlsons, Johan, Johannes, enzovoort, zeker. Ziet u, het moet daarbinnen altijd wel ergens doel treffen. Toen zei hij: "De Here vertelt mij, dat iemand last van zijn rug heeft; ik voel dat mijn rug pijn doet." Ieder die met de Schrift is opgevoed, weet dat dat psychologie is. Zeker, dat is het.

56 Maar ziet u, wat het teweegbracht? (De man werd meteen opgepakt door de F.B.I. hier vandaan, daarheen gestuurd, en zij arresteerden hem daarginds met de Royal Mounted Police [Koninklijke Bereden Politie – Vert].) En het convent van predikers kwam bij mij, en zij zeiden: "Een homoseksueel? Wel, broeder Branham is waarschijnlijk hetzelfde." Daar gaat het heen, begrijpt u. Waarom gaat het? Om de bazuin een onzeker geluid te geven. Ziet u? Helemaal precies. Zo is het altijd, proberend dergelijke dingen te doen, om een onzeker geluid te geven. Dat is Satans werk, om dat te doen.

57 Maar nu: wijk nooit af van dat Woord! Herinner u, ik betuig u voor God, blijf bij dat Woord! Wijk er nooit van af. En als die dingen onder de mensen opkomen, bedenk dan dat er een waarachtige is, elke keer dat u een valse kreeg. Is er een namaak-dollar, dan toont dat, dat er een goede dollar is, waar hij van nagemaakt werd. Wanneer u de één of andere huichelaar in tongen hoort spreken, kunt u niet zeggen, dat hij de Heilige Geest heeft. Maar bedenk, dat hij de één of andere juiste zaak nabootst, wat wél de gave van spreken in tongen is. Wanneer u die dingen ziet die vals zijn, bedenk dan dat zij werden nagemaakt van het echte. God is de Schepper van alle goede dingen, maar Satan bootst die gaven na. Wel, als ik daarover zal beginnen, zullen wij niet tot ons onderwerp komen, is het niet?

58 [Een broeder vraagt dan: "Broeder Branham, vergeeft u mij, mag ik even een ogenblik, alstublieft?" – Vert] Ja, broeder. ["Ik was hier de vorige zondag niet, en ik had vernomen waarover u een paar maanden geleden sprak. En ik was er werkelijk nogal wat door in de war, en ik voelde dat ik moest komen om het u en broeder Neville te – Vert] Amen. ["En ik geloof dat het heel prijzenswaardig is van de broeder."] Ja zeker. ["Hij vroeg mij hem te vergeven, omdat hij had geprobeerd om mij tot de leer over te halen."] Ja. ["En ik wilde het niet aannemen. En hij vroeg mij hem te vergeven deze morgen, en ik heb het hem vergeven in de Naam van Jezus."] Amen. Dank u, broeder Ben Bryant. Nu, dat is het precies. Ik ben blij dat u dat zei, broeder Ben. Ziet u, te weten dat die mannen overal rond zijn gegaan, om dingen goed te maken. Nu, dat is werkelijk Christendom. Dat is Christendom in werking. Wanneer zij inzien dat zij fout zijn, om dan op te staan en toe te geven dat u fout bent. Ziet u? Opstaan en zeggen: "Ik ben fout, vergeeft u mij."

59 Nu, een makker die probeert het achter te houden, heeft iets wat hij bedekt. O nee, ik houd ervan... Zoals de kleine doctor hier die... Kijk, ik wil niet over hem praten, maar hoe dan ook, er was iets wat hij wilde doen, weet u. En ik zei: "O nee, Doc, u kunt God niet omkopen." Ik zei: "U moet er ronduit mee voor de dag komen." Dat is waar; laat het rechtstreeks op die manier gaan. Natuurlijk, de man was er volmaakt onschuldig aan, om te proberen iets verkeerd te doen. Hij dacht alleen dat het een goede manier was om een stuk grond te krijgen. Het was niet om te proberen om het op een kwade manier te doen, hij was aan het proberen om het goed te doen. Hij wist de een of andere manier dat hij iets kon omzeilen door iemand ertoe te krijgen een bepaald iets te doen. En dat zou dan veroorzaken dat deze andere man hier zou worden beïnvloed. Doet u het niet op die manier. Komt u gewoon precies recht door zee. Ziet u? Blijf precies bij het Woord, en dan hebt u het. Blijf precies bij het Woord! God zegende hem en heeft iets groots voor hem gedaan. Ja zeker.

60 Laten wij onze hoofden buigen voor gebed. Hoevelen zouden graag willen dat er aan hen werd gedacht in het gebed? Ik vertrouw dat één dame, die hier in een rolstoel zit, zeker graag zou willen dat er aan haar werd gedacht. En deze zuster hier en allen. Kijk, door de hele zaal. Nu, laten wij alles van ons afzetten en overgaan tot aanbidding. Dat is het waarvoor wij hier zijn, voor ongeveer de volgende vijfendertig, veertig minuten, om te aanbidden.

61 Nu, Here, terwijl wij ons voor U tot rust laten komen, voelend dat onze grote Jozua, de Heilige Geest, onze Goddelijke Leider van deze dag... Zoals Jozua het volk tot rust bracht voor Mozes en zei: "Wij zijn meer dan in staat om het land in te nemen." Omdat hij niet naar die Amalekieten of Amorieten keek, maar naar een Goddelijke belofte.

62 En in deze dag van onrust, in deze toestand waarin de wereld verkeert, op deze mooie sabbatmorgen, brengen wij onszelf tot rust voor U en zeggen, te midden van al de nabootsingen, de vleselijke beredenering en in de aanwezigheid van al de boze en misleidende geesten, dat wij zien naar het Woord van God en weten dat wij meer dan overwinnaars zijn! God zei dat Hij een gemeente zou hebben, die zonder smet of zonder rimpel zou zijn. En wij weten dat wij die gemeente op een dag zullen zien. Wij streven daar ook naar als leden, gelovend dat wij leden zijn van deze grote wederomgeboren samenkomst van God en van de gemeente op het rond der aarde vandaag. Wij naderen U plechtig in de Naam van de Here Jezus.

63 En terwijl wij nederig komen, vragen wij dat U al de dingen van de wereld uit onze gedachten en ons hart wilt wegnemen, al de lasten van het leven en de vermoeidheid, en dat Gij, o God, ons in de toestand van aanbidding wilt brengen, opdat wij U zouden mogen aanbidden door het horen van Uw Woord.

64 Precies zoals Johannes, zoals wij deze morgen hoorden, veel weende, omdat er niemand waardig was om het Boek te nemen, zouden wij in onze harten kunnen huilen deze morgen, Here, want er is niemand die waardig is om dit Boek te openen. Maar Johannes' wenen was slechts voor een korte poos; weldra werd hij getroost en het Lam kwam en nam het Boek. O Lam van God, kom deze morgen en neem het Boek en open het voor ons. Wij wachten op U. In onze ontoereikendheid wachten wij om te... Maak ons toereikend door Uw tegenwoordigheid en door Uw Woord.

65 Vele handen werden naar U opgeheven, o Lam van God. Wij weten dat Gij elk hart kent, want Gij kende hun bedoelingen. U bent evenzeer vandaag God, als U het ooit was. U zult altijd Dezelfde zijn, omdat U volmaakt bent en oneindig en omdat U niet kunt veranderen. En wij vragen U deze morgen, dat U zult voorzien in ieders verzoek. Sta het toe Here, dat zij allen bevredigd zullen zijn als zij het gebouw verlaten, omdat zij in de tegenwoordigheid van God zijn geweest en heengaan met het verlangen van hun hart. Here, vergeet niet mij daar ook in te betrekken, want ik vraag het in Jezus' Naam. Amen.

66 Nu, laten wij dit genaderijke Boek opslaan, verwachtend dat het Lam de zegels zal openen, of het Boek voor ons zal openen. Laten wij opslaan het vijfde hoofdstuk van het boek van "De Openbaring van Jezus Christus".

67 En tot mijn vrienden overal in de verschillende delen van de wereld, die dit zullen horen via de geluidsband: ik zal leerstellingen enzovoort naar voren moeten brengen om dit uit te leggen. En ieder mens die geen leerstelling heeft, heeft geen bediening. Dus, als u van mening bent dat uw samenkomst de band niet behoorde te beluisteren, houd hem dan bij hen weg. Maar ik breng gewoon mijn eigen mening en mijn eigen gevoelens naar voren, mijn eigen openbaring van het Woord van God.

68 Een paar dagen geleden gingen wij even terug en gaven de achtergrond van wat er in het derde tot het vierde hoofdstuk staat. En nu, vorige zondag gaven wij de achtergrond voor het vierde tot het vijfde hoofdstuk. En vandaag willen wij de achtergrond geven voor het vijfde, en een fundament leggen voor het komende zesde hoofdstuk.

69 Het is vandaag mijn bedoeling om de Schriftgedeelten op orde te brengen, voor misschien in de toekomst; ik weet het niet wanneer het zal zijn, maar zo de Here het bepaalt, om op een dag een zevendaagse samenkomst in de Tabernakel te houden over "De Zeven Zegels". Wij hebben de Zeven Gemeente-tijdperken gehad, en nu zullen wij zeven avonden gaan houden over de zeven geheimenisvolle zegels van God, elke avond een zegel openend tot het komt tot de zeven zegels. Nu, ik weet niet wanneer de Here daarin zal voorzien, maar als Hij het doet, zal ik gewoon de achtergrond ervan deze morgen hebben gegeven.

70 En komend tot de laatste verzen van dit Schriftgedeelte hier, zullen wij "De Zeventig Weken van Daniël" naar voren brengen, en de laatste drie weken, en het in verband brengen met het Pinkster-Jubelfeest. Dat voert de mensen naar de laatste zegels, om er dan voor gereed te zijn, dat het Lam de zegels opent.

71 Bedenk, de zegels zijn een geheimenisvol iets. Het Boek werd verzegeld en dat was aan de buitenzijde; het had zeven zegels die zelfs niet waren geopenbaard in het Boek. Deze dingen staan zelfs niet geschreven in de Bijbel. Maar, als iemand er een uitleg aan zou geven, zou het overeen moeten komen met de rest van de Bijbel, En, o, ik ben er zeker van dat u er een zegen uit zult ontvangen, of liever, ik denk dat u het zult. Ik vertrouw daarop.

72 Ik kreeg nog maar ternauwernood mijn jas op tijd aan, om hier deze morgen op tijd naartoe te komen. Want terwijl ik daarbinnen zat te lezen, overspoelde de Heilige Geest mij gewoon steeds opnieuw met Zijn goedheid. Toen ik dat zag, dacht ik: "O, als ik het daar eens zou kunnen zeggen op de wijze dat U het hier aan mij geeft, dan zouden wij allemaal een werkelijk goede tijd hebben." Maar op de één of andere manier, als je voor de mensen komt te staan, voel je je niet zoals je bent wanneer je alleen bent, in gebed, of wat anders ook.

73 Maar nu, om weer met de eerste verzen te beginnen, we zien... Nu, even als achtergrond tot waar wij vorige zondag ophielden: wij vinden hier dat Paulus, daar in Efeziërs 1:13 en 14, ons vertelde, dat wij het onderpand van onze redding hebben, het onderpand van onze verlossing. Want de Heilige Geest is het onderpand van onze redding. Deze komende paar weken van onderwijzing zullen allemaal gebaseerd zijn op verlossing, ziet u, op verlossing, niet op rechtvaardiging. Niet op de bemiddelingsbediening van voorspraak, maar op 'verlost zijn'. O, een erfdeel dat verloren was of verbeurd verklaard, en dat weer voor ons is terug verlost. Hoe het allemaal gebeurde, en hoe God de plannen gereed had, voor er ooit een wereld was, en hoe vast de gemeente is verankerd.

74 Ik denk dat het tot een tijd is gekomen, dat wij moeten weten hoe het er met ons voorstaat. Hoe kunt u iets doen, tenzij u geloof hebt in wat u doet? U zult geloof moeten hebben. En dat is mijn bedoeling om dit met de gemeente hier te doen: om de gelovigen geloof en vertrouwen te geven in dat waarvoor zij staan, omdat het het Woord van de Here is. Zolang het dan onaantastbaar in de Schrift geschreven staat, van Genesis tot in Openbaring, van voor tot achter, en van boven tot onder, dan is er geen manier voor de duivel om er ook maar ergens tussen te komen. Dan hebt u volmaakt vertrouwen, en u weet waar u staat.

75 Hetzelfde zou het zijn met onze zuster hier die in de rolstoel zit, of misschien anderen die ziek en aangevochten zijn. Als u er een volmaakt begrip van kunt hebben, dat het Gods welbehagen is om u gezond te maken, dat zijn er niet genoeg duivels in het land om u ziek te houden. Ziet u? Zo is het, als u begrijpt dat het Gods welbehagen is, om u gezond te maken, en dat Hij het voor u heeft gedaan, dan begrijpt u dat u een bepaald iets zult gaan doen.

76 Ik geef u een voorbeeld. Als ik u vanuit mijn hele hart vertelde dat... Als u honger had, uitgehongerd was, en u had rotsvast vertrouwen in mij, dat ik een betrouwbaar iemand was, en ik vertelde u waar duizend dollar klaarlag. En precies hoe u er zou kunnen komen, langs welke weg u moest gaan, en u begrijpt precies waar het geld ligt. Ziet u? Dan zou u zich op hetzelfde moment beginnen te verheugen, precies net alsof u het geld al had... als u mij geloofde.

77 Dus, ziet u, vóórdat u zich ook maar iets anders voelt, of wat anders ook, kunt u even gelukkig zijn over uw genezing met het te zeggen dat u 'het hebt', omdat u er positief zeker van bent, dat u het hebt, omdat u vertrouwen hebt in degene die het aan u beloofd heeft. Ziet u? Uw vertrouwen is dat Hij niet kan liegen. Hij heeft u precies verteld waar het lag en toen kreeg u zoveel vertrouwen dat u gaat, dat u het al hebt. Want dat is uw geloof, wat het onderpand is van uw verlossing.

78 Met andere woorden, u probeert te worden verlost van ziekte en uw geloof is het onderpand van uw genezing. Zolang als er iets in uw hart zegt: "Ik ben de Here Die u geneest", dat is precies even voldoende, dat is alles wat u nodig hebt. My! U kunt even gelukkig beginnen, ongeacht wat er gebeurt. Als u het nu niet ontvangt, of dat u nu slechter wordt, u bent nog steeds even gelukkig als was u volmaakt gezond, omdat u die zekerheid hebt dat het voorbij is. Hoevelen begrijpen dat nu, laat ons even uw hand zien. Daar bent u er. "Het is het bewijs van de dingen die men niet ziet."

79 Wij ontdekken dan dat het vijfde hoofdstuk net een bevestigingskatrol is. Het is als een diamanten knoop, die het laatste deel van de gemeente-tijdperken, het derde hoofdstuk van Openbaring, op zijn plaats houdt. Het vijfde hoofdstuk vertelt dat Johannes werd opgenomen in de hemel. En het vijfde hoofdstuk is een voorbereiding voor deze... Eerst kwamen wij door de zeven gemeente-tijdperken, toen, in het vierde hoofdstuk, werd Johannes opgenomen. En in het vijfde hoofdstuk maakt Hij een toneel klaar voor de opening van de zeven zegels. Precies zoals Hij in het eerste hoofdstuk van Openbaring de weg opende voor de zeven gemeente-tijdperken. Daar staat Hij tussen de zeven gouden kandelaren, van aanzien de jaspis en sardius gelijk en is Hij bezig met het voorbereiden van die zeven gemeente-tijdperken.

80 Nu is Hij bezig met de voorbereiding voor het openen van die zeven zegels van verlossing. Ziet u, dat houdt het vijfde hoofdstuk in. Dat is de reden dat ik het zo'n beetje voorlees en dat gewoon als uitgangspunt neem, en erover spreek met verwijzing naar de andere Schriftgedeelten die ik u geef. Het is omdat het niet vers voor vers iets verhaalt wat aan het gebeuren is, het is het voorbereiden op iets wat gaat gebeuren. En als u ergens op voorbereid wordt, dan wordt u ervoor klaargemaakt. En zo is het bij geloof, of bij wat anders ook. Nu, de zegels...

81 Ik heb hier enige Schriftgedeelten, commentaren enzovoort, opgeschreven. Nu, in Efeziërs 1:13–14, als u het op zou willen schrijven, daar staat, dat wij nu het onderpand hebben. De Heilige Geest is het onderpand van onze erfenis. Met andere woorden: het is de zekerheid; het onderpand is "de zekerheid, de aanbetaling", dat wij in Christus ontvangen zijn. Het is de gezegende hoop en verzekerdheid dat wij eeuwig leven hebben, en erfgenamen zijn van alles wat Hij voor ons kocht. Oh my! Kunt u het zien?

82 O, wanneer wij zijn verzegeld door de Heilige Geest (ik blijf het aanhalen, omdat ik niet wil dat u het mist), dan is het Gods zegel van goedkeuring, dat alles waarvoor Christus stierf, aan ons behoort. Het is God Die zegt: "Ik heb je nu aanvaard, en Ik zal je dit zegel geven, opdat jij slechts wacht op die tijd", tot onze volledige verlossing. Dat betekent dat wij gedeeltelijk reeds werden verlost.

83 Zoals ik onlangs zei, 's zondags geloof ik dat het was: Kijk, hier beneden bij deze lagere lijn, is waar de zondaar rijdt: modder, vuil, en smerigheid. Nu, zij zouden zo schoon mogen zijn als wat. Nemen misschien elke vier uur een bad. Zij zouden zich mogen kleden in de allerbeste kleren, zij zouden verfijnde geleerden mogen zijn, en toch zo vuil en smerig als de beroete muren in de hel – in hun ziel. Ziet u?

84 Maar, de Christen rijdt daar bovenuit, hierboven, omdat hij het onderpand van onze erfenis heeft. Hij werd opgepakt, opgeheven uit die vuilheid; en hij rijdt erboven. O, daar houd ik van! Zoals Paul Rader eens zei, over het blok hout, u weet het, hij zei: "Ik rijd erop! Ik rijd er gewoon op!" Dat is het waar het nu is:

Volle verzeek'ring, Jezus is mijn!
O, wat een kleine voorsmaak (het werd mij toegestaan een teugje te nemen uit de Bron) van Goddelijke heerlijkheid!
'k Ben nu erfgenaam van redding, 'k ben gekocht door God,
Geboren uit Zijn Geest en gewassen in Zijn Bloed.
Geen wonder dat dit mijn verhaal is, dat dit mijn lied is,
Zijn lof zingend de hele dag door.

85 Ziet u, boven de schaduwen uitgetrokken, uit het slijk weg; wij hebben een voorsmaak. Wij hebben nu het onderpand ontvangen van ons volledige erfdeel, omdat God de diepe wortels van de dingen van de wereld al heeft losgetrokken en ons op hogere gronden heeft geplant. Hij hief mij op, plantte mij over, vormde mij om, weg van de dingen van de wereld. Hij haalde wortels, de takken, alles eruit, en trok mij op uit de modderige klei, uit het oude slijk van de zonde en plantte mij op de top van de berg Sion, als zittend in de boomgaard van de geliefde heiligen Gods. En nu zijn wij burgers van dat Koninkrijk, broeders en zusters in Christus Jezus, alle vuilheid, alle onaantrekkelijkheid en gemeenheid is uit onze gedachten verdwenen. Onze lichamen zijn gewassen met zuiver water en onze harten zijn besprenkeld door het Bloed van de Here Jezus. De Heilige Geest verblijft er, met Zijn koelte de hele dag lang door onze takken waaiend; ons schuivend en duwend, om te maken dat wij goede wortels maken, die diep naar beneden groeien. Is dat niet wonderbaar? Dat is "het onderpand van onze redding".

86 Dit hoofdstuk openbaart ons verloren erfdeel. Ons verloren erfdeel is opnieuw opgeëist door onze genadige, dierbare Bloedverwant-Verlosser. Hoe God neerkwam en Zijn vorm veranderde. Hoe God neerkwam en Hij van God mens werd gemaakt, ten einde menselijk te zijn, om een menselijke Bloedverwant-Verlosser te worden; om een natuurlijke wereld terug te verlossen voor een natuurlijk volk. Amen! Hoe God (de Bovennatuurlijke) natuurlijk werd om een Bloedverwant te worden, want Hij kon Zijn Eigen wetten niet tarten. Hij moest komen via het bloedverwant-verlosserschap omdat dat vaststond in Zijn plannen. Dat is de manier waarop Hij het ook deed.

87 God wist dat de mens zou vallen, en toch kon Hij de mens niet laten vallen. God, Die wist dat de mens verloren zou zijn, hoewel Hij niet wilde dat wie dan ook verloren ging. Maar de mens moest vallen, opdat het geweldige tentoonspreiden van de eigenschappen van God aan alle mensen zou mogen worden gemanifesteerd. De eigenschappen dat Hij een Verlosser kon zijn, en dat Hij een Redder kon zijn. Het lag in de mens om te vallen, maar het lag in God om hem weer te verlossen. Dat is de reden waarom wij de nacht moeten hebben, het is om de dag goed te laten uitkomen. Wij moeten ziekte hebben, om ons in gezondheid te kunnen verheugen. In alles bestaat een voor en een tegen. Nu, en onze Bloedverwant-Verlosser...

88 Ik wil dat u hier oplet. Ik kijk hier rechtstreeks naar dit vijfde hoofdstuk, toen hij ernaar keek. "Vrees niet..." In dit vijfde vers: "Vrees niet..." Ziet u, steeds... U wilt nergens bevreesd om worden.

     En een uit de oudsten zeide tot mij: Ween niet; zie, de leeuw uit de stam Juda, de wortel Davids, heeft overwonnen om de boekrol en haar zeven zegels te openen.

     En ik zag in het midden van de troon en van de vier dieren en te midden der oudsten een lam staan,...

89 "Een Lam." Waarom zag hij het Lam voordien niet? Het Lam had gezeten op de troon des Vaders, binnen de wachters. Johannes kon daar niet naarbinnen kijken; hij zag alleen die vier dieren daar staan, of die vier cherubs, die daar het heilige stonden te bewaken. (Wij namen het vorige zondag, en verder in de andere lessen.) Hij zag dat wel, maar hij kon niet zien wat zich daarachter bevond. En plotseling verscheen daar – gewoon op geheimzinnige wijze – plotseling was daar Iemand, een Lam.

90 Dat het Lam geen natuurlijk dier was, bleek, omdat Het het Boek nam uit de rechterhand van Hem Die op de troon zat; een lam kon dat niet doen, ziet u. Hij was een Lam; het was Christus. Met andere woorden: in Zijn eigenschappen was Hij zachtmoedig en vriendelijk, zoals een lam.

91 Nu, let op, het was een Lam-Verlosser, een Lam-Verlosser precies zoals de eerste. God kan nooit veranderen! Amen! De eerste verlosser was een lam, in de Hof van Eden; het was een lam dat God offerde. En hier is het opnieuw, regelrecht daar in Openbaring; het is opnieuw een Lam. Om wat te verlossen? De gevallen staat en het gevallen erfdeel van een gevallen mensenras. Weer komt er een Lam om te verlossen, precies zoals het in het begin was.

92 Om wat te verlossen? Met betrekking tot wat gaat Hij ons verlossen? Om te verbreken – ons te brengen tot... Alles wat wordt verlost, moet eerst verloren zijn geweest. Het is iets wat verloren was, en toen weer is teruggebracht. Wat brengt Hij ons terug, dit Lam? Alles wat wij in den beginne hadden.

93 Wat hadden wij in den beginne? Eeuwig leven. Wij waren erfgenamen van de wereld. Wij hadden leven, wij hoefden nooit te sterven. Wij hoefden nooit ziek te zijn. Wij hoefden nooit oud te worden. Wij hadden nooit zorgen. Er waren geen begrafenissen, geen graven, geen grijze haren, geen gebogen schouders. Er was geen boosheid, geen dood, geen geklaag, geen geween. Wij hadden eeuwig leven! Wij hadden de rechtsbevoegdheid over de hele aarde. Wij waren gewoon een god op de aarde, dat is alles. En als wij rondwandelden, en het ons niet goed leek, de manier waarop een boom daar stond, dan zouden wij zeggen: "Word opgenomen en naar hier verplaatst", en hij zou het doen. Als de winden waaiden en wij wilden niet dat de winden waaiden, dan zeiden wij: "Zwijg, wees stil", en zij deden het. En waar kwam Hij voor? Om dat alles weer voor ons terug te verlossen (oh, oh, oh, my!), om dat alles weer terug te krijgen.

94 En nu zucht de natuur in zichzelf, wachtend op wat? Het openbaar worden van de zonen Gods, dat de zonen Gods worden geopenbaard.

95 Nu hebben wij het onderpand van onze redding, en wij kunnen naar onze broeder gaan die stervende is aan kanker, en er staan met dat kleine zuchtje verlossing, en dat gebed des geloofs over hem uitspreken. En dat zal een schim van een man weer opnieuw een gezond mens laten worden. Wat zullen wij dan doen als ons volledig bezit komt? Amen!

96 De natuur weet dat. De natuur zucht en wij zuchten met haar. De natuur wacht op het openbaar worden van de zonen Gods, omdat de natuur samen met haar meester werd vervloekt. Toen haar meester werd vervloekt (de hoogste), toen viel de natuur met de meester. Maar toen kwam deze Bloedverwant-Verlosser (halleluja) en verloste de mens, die de meester over de natuur is. Nu wacht heel de natuur op de mens, de meester.

97 Wat doen wij nu? Wij nemen een bijl, laten hem in onze handen glijden en hakken de boom om als wij dat willen; maar in die dag zullen wij dat niet meer doen. Amen!

98 Heel de natuur wacht op haar meester. En de meester is: de zonen Gods aan wie deze aarde werd gegeven. Nu, God zal Zijn hemelen hebben, natuurlijk, maar dit werd aan de mens gegeven. En de Bloedverwant-Verlosser kwam om ons weer vrij te kopen, terug tot dat wat wij verloren. Wat prachtig! O! "Een Lam-Verlosser."

99 Wanneer het werk is voltooid, dan hebben wij alle dingen opnieuw. Wat verstaan wij onder 'alle dingen'? Wij hebben alle macht. Wij hebben eeuwig leven. Wij hebben eeuwige gezondheid. Wij hebben eeuwige jeugd. Wij hebben eeuwige kracht. O, wij zijn gewoon eeuwig met de Eeuwige! Allen wachten wij erop dat die tijd komt, wachtend en zuchtend. Wachtend.

100 Dit zevenvoudig boek, dit boek van Gods zevenvoudige verlossingsplan is tot ons gebracht; en dat is wat dit boek inhoudt. Laten wij nu naar het tiende hoofdstuk gaan, waar deze machtige engel iets bekend maakt. Hij had een klein boekje, dat Johannes moest opeten. En toen hij dat deed, kwam het in zijn buik en het was bitter, maar op zijn lippen was het zoet.

101 Als u het moet verteren, dan wordt het bitter, iedereen keert zich tegen u, iedereen zegt: "Je bent een 'heilige roller', je bent zus en zo", of wat zij maar zeggen. Ziet u, voor hen bent u niet goed bij uw hoofd. Dus is het moeilijk om het te verteren; maar wanneer u getuigt van Zijn heerlijkheid, dan is het zoet op uw lippen. Dat is alles. Ziet u? Wanneer u opstaat in een samenkomst, zegt u: "God zij geprezen! Halleluja!" Maar o, wanneer u die geweldige aanval doormaakt, is het zwaar. Als u die grote aanval echter doorgekomen bent, kunt u ervan getuigen, en dan is het zoet op uw lippen. Ziet u? Zo is het. Dat is dit boek der verlossing.

102 Nu willen wij nog één kleine illustratie geven in het vijfde vers hier, en dan verder gaan met ons zesde vers. Ik wil dat u opmerkt, hoe God het plan der verlossing voorafschaduwde, hoe Hij het volmaakt uitwerkte in Ruth en Boaz. Daar stopten wij vorige zondag, en daar wil ik nu meteen beginnen, met Ruth en Boaz.

103 Nu, er zijn vier stadia of vier belangrijke kruispunten in de geschiedenis van Ruth en Boaz. Het eerste is dat Ruth besluit. (Hoevelen hebben mij er ooit over horen prediken? Laat mij uw handen zien. U allemaal vermoed ik. Ik heb het hier gehouden, en heb het op geluidsband staan, enzovoort.) Wel, Ruth moest eerst beslissen of zij al of niet met Naomi dit land binnen zou gaan. Zij moest een besluit nemen. Nadat zij het land was binnengegaan, was het volgende wat zij moest doen: dienen op de akker van Boaz. Buiten op het land, barrevoets, aren lezend achter de maaiers, dienend. Daarna, nadat zij genade had gevonden in Boaz' ogen, moest zij wachten tot Boaz het bloedverwant-verlosserschap had gedaan, om al wat Naomi had verloren te lossen, teneinde Ruth, de Moabietische, binnen te brengen. En dan komt het volgende stadium, dat is dat Ruth wordt beloond. Nu, let op. Ruth die een besluit neemt, volmaakt...

104 O, als iemand zou zeggen: "Die Bijbel werd niet geïnspireerd", dan is er daar iets niet in orde met hem. Elk Woord ervan is geïnspireerd, elk Woord ervan! Het past alles precies in elkaar, net als een 'zwaluwstaart' in het werk van de meubelmaker. Het past even perfect tezamen als de tanden van machtige tandwielen die in elkaar grijpen, precies afgesteld op een miljoenste van een seconde, helemaal precies juist.

105 Nu, let hier nu op het volgende: Ruth besluit; zij moest een beslissing nemen of zij nu daarginds heen zou gaan of niet. Zij moest een besluit nemen. En dat is de manier waarop elke gelovige het moet doen. U zult uw oude vaste verblijfplaatsen moeten verlaten, u zult uw oude leven moeten verlaten, u zult de oude dingen van de wereld moeten verlaten.

106 (Broeder Roy, was zuster Roberson ziek geworden? O, ik dacht even dat zij misschien ziek was of zoiets. Dan zou ik zeggen haar hier naar boven te brengen, als zij ziek was geworden of zoiets.)

107 Zij moesten hun oude vaste trefpunten van het leven verlaten, om het zo maar uit te drukken en oversteken, een nieuw land binnen, met een nieuw volk dat u nooit tevoren kende. Is dat wat u deed, toen u een Christen werd? U verliet het gokhuis, u verliet de nachtclubs. U moest komen onder een stel mensen die eruit zagen of ze krampen hadden, zij huiverden en schudden, en riepen, en schudden met hun hoofd en sprongen op en neer. En, wel, het was een 'krankzinnig stel' voor u. Dus u moest een besluit nemen of u zou gaan of niet. En dat is waar. En u wist dat wanneer u het deed, uw eigen bekenden gekheid over u zouden gaan maken, degenen die u had verlaten. Is dat waar? Dat gaat gewoon automatisch. U behoorde dat gewoon om te beginnen te verwachten, omdat dat de manier is dat het is.

108 Nu, Ruth had hetzelfde. Wat zouden de Moabieten tegen haar zeggen, wanneer zij overstak om naar Israël te gaan, naar zo'n stel fanatiekelingen? Ziet u, zij moest een beslissing nemen. Zij moest besluiten. En u moet besluiten. En, tenslotte, toen zij haar besluit had genomen, ging zij heen, het nieuwe land binnen.

109 Nu, dat is uw rechtvaardiging. Is dat juist? Let hier nu op, gemeente. O, het is volmaakt.

110 Hoevelen hoorden de prediking "Het Zaad van Abraham"? Hoe het komt van rechtvaardiging, naar heiliging, en vandaar tot de doop van de Heilige Geest? Nu, kijk of dit juist is of niet.

111 Ruth, die haar besluit neemt, is een beeld van de gemeente, de heiden-gemeente. Zij besliste en stak over naar het land. Nu, heel vaak denken wij Methodisten en Baptisten dat dat alles is wat u hebt te doen. Maar zij was nog maar net begonnen! Zij had nog niets bereikt; zij was alleen maar het land binnengekomen.

112 Het volgende wat zij moest doen: zij moest werken. Zij werd een wettisch iemand. Zij moest 'haar eigen redding bewerken met vreze en beving', zoals u het ook deed. Zij ging naar buiten in het veld, sloeg haar kleding om, ging naar buiten in het veld en las aren op achter de dienstmaagden, teneinde versterkend voedsel te bemachtigen voor die dag. Is dat juist? Wat was zij aan het doen? Zij was aan het proberen in de gunst te komen bij Boaz. Zo baande zij zich haar weg door het stadium van het wettisch zijn.

113 En dat is precies wat de gemeente deed. De Luthersen geloofden het door geloof en kwamen het land binnen. Maar de Methodisten onderwezen heiliging; dat was het wettische standpunt erover, ziet u: "Jij moet iets doen. Ik moet ermee stoppen! Ik moet mijn haar laten groeien", zegt de vrouw. Natuurlijk, zij doen het tegenwoordig niet meer; maar vroeger deden zij het wel, lieten hun haar groeien. Zij moesten er mee ophouden om al die kleurstoffen op hun gezicht aan te brengen. Zij droegen hun rokken niet kort, zoals de anderen het deden. Zij moesten iets doen. Ziet u? Dat is wat zij deed, eerst het stadium van de rechtvaardiging, daarna het stadium van de heiliging.

114 Nu, toen zij tenslotte genade vond bij Boaz, wat gebeurde er? Toen zei Naomi haar: "Wacht jij hier, terwijl Boaz het werk van de bloedverwant-verlosser doet, want hij is de enige die het kan doen. Hij is onze naaste bloedverwant-verlosser. Wacht jij hier slechts. Gij niet meer naar de akkers. Doe niet meer van dit, dat, en al het andere. Wacht jij slechts tot het bloedverwant-verlosserschap is vervuld." En zij rustte. Amen!

115 Dat is precies waartoe de gemeente is gekomen in dit laatste stadium van Pinksteren. Ziet u? In het begin van Pinksteren werkten zij alles op, en zij moesten zus en zo doen, en zij schudden ze en al het andere. Maar wat is de gemeente aan het doen, de ware gemeente? Zij rust gewoon. Wat is rust? Hier is het: de rust is de Heilige Geest, de sabbatdag. (De Zevende-dags Adventisten willen ons vertellen dat het 'de zevende-dags sabbat' is of zoiets dergelijks.) In Hebreeën het vierde hoofdstuk staat: "Want wie tot Zijn rust is ingegaan, is ook zelf tot rust gekomen van zijn werken, evenals God van de Zijne." De sabbat is de Heilige Geest.

116 Toen Ruth rustte, was het een beeld van de gemeente, die rust in de beloften van God! Wij hebben reeds het onderpand van onze redding. Wij zijn er niet bezorgd over of wij daarginds wel heen zullen gaan of niet, wij gaan! Zo is het. God zei het! God beloofde het en wij hebben het onderpand ervan ontvangen (Amen). Wij zijn al aangenomen; Christus heeft ons aangenomen. Er is geen manier om er nu van weg te raken, wij zijn er! Amen! Alles wat wij hebben te doen, is gewoon wachten. Hij is heen gegaan om het werk van Bloedverwant-Verlosser te doen. Wij hebben er nu op dit moment het onderpand van, wachtend op de tijd dat Hij terugkomt.

     En wat was het volgende wat er met Ruth gebeurde; Ruth werd beloond.

117 Zo gaat het met de gemeente ook. Zij kwam binnen door rechtvaardiging, onder Luther. Toen ging zij heiliging binnen, onder Wesley. Kwam tot de doop van de Heilige Geest, in deze laatste dagen. En nu rustend met dit onderpand van onze erfenis, dat wij weten dat er iets in ons is gebeurd. Wij zijn overgegaan van dood in leven, wachtend – zuchtend met de natuur – op het moment dat wij een onsterfelijk leven zullen ontvangen, een onsterfelijke volheid (onze lichamen zullen dan worden verlost). Alles is verlost en wij wachten er alleen op dat Hij terugkomt van de poort. Amen!

118 Wat toen? Ruth werd beloond. Dat betekent dat ook wij dan zullen worden beloond. Nu, dat is wat dit zeven maal verzegelde Boek voor ons zal ontsluiten. Wat zijn deze dingen? Het zijn geheimenissen. Zij staan niet geschreven in het Woord; zij moeten worden geopenbaard door de Heilige Geest. Maar als u erop let, ziet u dat zij in werkelijkheid door de hele Schrift heen worden geopenbaard. Maar zij waren verborgen voor de mensen. Wanneer wij na een poosje op de boekrol komen, zult u zien hoe die precies in elkaar zat, en dan zult u weten hoe die dingen precies opengaan.

119 Nu, het is: rusten. Eerst werd Ruth gerechtvaardigd... Als u het ziet, zeg dan "Amen". [De samenkomst antwoordt: "Amen!" – Vert] In het stadium van heiliging, werkte Ruth, wettisch. Als Ruth daarna rust, dan wacht zij erop, dat Boaz terugkeert van het voltooide werk.

120 Nu, onze Boaz heeft het werk voltooid op Golgotha. Maar voor Hij komt om ons mee te nemen naar Zijn huis, gaat Hij Zelf eerst naar huis (in Johannes 14) om ons een plaats te bereiden. Glorie!

     Uw hart worde niet ontroerd; gij gelooft in God, gelooft ook in Mij.

     In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen – anders zou Ik het u gezegd hebben – want Ik ga heen om u plaats te bereiden;

     en wanneer Ik heengegaan ben en u plaats bereid heb, kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat ook gij zijn moogt, waar Ik ben.

121 Kijk, Boaz gaat heen; wat deed hij? Hij ging heen, nam de oudsten en ging tot voor de poort, deed zijn schoen uit, en zei: "Laat het vandaag bekend zijn dat ik Naomi los, en heel haar erfdeel." Hij kreeg Ruth, de Moabietische, erbij.

122 En toen Jezus kwam, wie kwam Hij verlossen? Israël. Wat deed Hij toen Hij Israël nam? Toen kreeg Hij de heiden-bruid. Zeker, Hij deed het, toen Hij Israël nam. Hij ging tot het Zijne, Hij moest het. Wat was het eerste wat Hij moest doen? De Zijnen verlossen. De heiden-gemeente is gewoon een zuster van die vrouw, van die Israëlietische gemeente. Zeker! Dus moest Hij Israël verlossen, ten einde dit te krijgen. En hij moest Naomi verlossen, ten einde Ruth, zijn bruid, te krijgen.

123 Nu, wat deed hij? Voor hij haar kon nemen... O, glorie! Oei! Wat deed hij? Hij ging naar buiten naar de boerderij, en ik vermoed dat hij alles helemaal goed in de verf zette en dat hij nieuwe kleedjes op de vloer legde. O, hij heeft misschien wel een nieuw huis gebouwd. (In ons geval is het een nieuw huis.) En hij maakte alles klaar, en toen keerde hij terug met een corsage op voor de bruiloft. Amen!

124 Wat was Ruth aan het doen? Niet één ding. Rustend! Wachtend! (Amen.) Geen zwoegen meer, geen opgewonden verwarring meer!

125 "Moet ik Methodist zijn? Moet ik toetreden tot de Baptisten? Moet ik Presbyteriaan zijn?" O, nee, ontvang slechts de Heilige Geest en rust.

Wij verlangen naar het blijde aanbreken van het Duizendjarig Rijk, (Glorie!)
Als onze gezegende Here zal komen en Zijn wachtende bruid zal wegnemen;
O, de aard' is zuchtend, roepend om die bevrijdingsdag,

     (alles ervan; de natuur zucht, de bladeren van de vijgeboom, alles is wachtend op die gezegende dag van bevrijding)

Als de Bloedverwant-Verlosser terugkomt om Zijn bruid te nemen.

126 Nu rust zij. Onder heiliging? Nee. Onder rechtvaardiging? Nee. Maar onder zowel rechtvaardiging als heiliging en binnengegaan in die rust.

127 Nu, Jesaja het achtentwintigste hoofdstuk en het tiende vers. Er staat:

     Want het is wet op wet, wet op wet, eis op eis, eis op eis, hier wat, daar wat. (Houdt vast aan wat goed is.)

     Voorwaar, door mensen die een onverstaanbare taal spreken, en in een vreemde tongval zal Ik tot dit volk spreken...

     ...Dit is de rust, dit is de sabbat... dit is wanneer de gemeente binnengaat om te wachten.

128 Kijk hoe wij regelrecht komen door rechtvaardiging, heiliging, en nu in de doop van de Heilige Geest: rustend en wachtend. Hoe staat het er nu voor? Nu, wanneer wij tot deze openbaringen komen, zult u zien hoe het er nu voorstaat. Deze dingen konden niet worden onderwezen tot op deze dag. Zij konden niet worden onderwezen. Zij waren niet open voor de zonen der mensen. De Bijbel zei het zo. Ik kan u hier in de Schrift tonen, dat ervan werd gesproken, dat het niet geopend zou zijn voor de zonen der mensen tot op deze dag. En nu beëindigen wij het over deze grote gezegende dingen.

129 Goed, het zesde vers, wel, een deel van het vijfde vers; de oudste in het vijfde vers had gelijk toen hij zei: "Zie, de Leeuw!" Maar toen hij omkeek zag hij een Lam. Het was een Lam in plaats van een Leeuw. Maar wat was het dan? Zijn middelaarswerk was gedaan, bemiddelend. Hij was gestopt met de Middelaar te zijn aan het eind van het gemeente-tijdperk, om de Leeuw van de stam van Juda te worden; Zijn middelaars-werk was gedaan. Hij zou een Leeuw worden, wat de Rechter was.

130 Nu, en Hij nam... Toen Hij het Boek nam uit de hand... Nu, bedenk, wanneer een man heenging om te lossen (vergeet het nu niet), wanneer een man heenging om te lossen, nam hij mannen met zich mee en ging naar de poorten van de stad, naar de oudsten. En daar kondigde hij het doel aan waarom hij daar was. Dat is wat hij deed; hij ging naar de poort en zei: "Ik ben hier als bloedverwant-verlosser, om aanspraak te maken op dit erfdeel. Ik ben hier om mijzelf bekend te maken voor deze oudsten van de stad." Ziet u?

131 En toen de... Johannes weende. Nu, iemand... zoals ik vorige week zei, zij zeiden: "Johannes weende, omdat hij niemand kon vinden die waardig was." Dat was het niet. Een man onder de invloed van de Heilige Geest zou daar niet om huilen. Zij dachten dat het was, omdat hij niet waardig was, dat Johannes zelf misschien niet waardig was. Er is niemand waardig. Maar hij huilde niet om die reden.

132 Ik geloof, dat hij heeft gehuild van vreugde, omdat hij had gezien dat het hele verlossingsplan in dit Boek hier was geschreven. Het was niet omdat er niemand waardig was, want er stond daar op dezelfde plek een Lam dat waardig was. Dus stond hij daar te huilen en zei: "O, God zij geprezen!" Luister straks naar hem als hij gaat jubelen. Nu, maar wij vinden hem hier, dat hij huilt; hij was zo gelukkig dat het Lam het Boek had genomen uit de hand van Hem, Die op de troon zat.

133 Toen deze engel, deze machtige engel, het uitriep: "Wie is er waardig?", deed hij onmiddellijk erna een oproep voor een bloedverwante Verlosser. Hij zei: "Wie is er waardig het Boek te nemen?" Toen begon Johannes te huilen. Wat gebeurde er toen? Hij zag het: daar stond het Boek. Daar was het, maar wie was waardig?

134 Wel, daar stond Gabriël. Natuurlijk, hij was waardig; maar, ziet u, hij was geen mens, hij was een engel. En daar stond Michaël. Hij was waardig, maar hij was geen mens; hij was ook een engel. Dus het moest iemand zijn, die een aards persoon werd, zoals wij het werden. En toen, toen zag hij dit Lam, Dat was geslacht voor de grondlegging der wereld. Het kwam naar voren en hij zag dat Het al vanaf de grondlegging der wereld was geslacht, en toen huilde Johannes. Amen! Want daar was het; hij zag de hele zaak! Ziet u?

135 En zodra hij afkondigde: "Wie is er waardig?", kondigde hij de komst van de bloedverwante Verlosser aan. En hier stond Hij: een Lam. En wat deed Hij? Hij liep naar de troon waar de Geest Gods was en nam het Boek uit de rechterhand van Hem Die op de Troon zat. En al de oudsten vielen neer en zeiden: "Gij zijt waardig, omdat Gij werd geslacht." Ziet u? En toen was Zijn Boek, of het Boek der verlossing tenminste, of het Boek der bemiddeling in het gemeente-tijdperk, geëindigd. Nu wordt Hij de Verlosser.

136 De openbaring van hoe Hij het deed, zal gaan komen in deze zeven zegels. Toen het Boek van Zijn middelaarswerk voltooid was, was het werk geëindigd. Nu, in de eerste drie hoofdstukken van de gemeente, werd het beëindigd. Maar nu zal verlossing worden geopenbaard. Wat is het? Nu, toen Hij dit Boek nam... Probeer om uw diepe denkvermogen in te schakelen, omdat als wij ooit tot deze zeven avonden komen, u het nu zult gaan begrijpen.

137 Als u het niet begrijpt, steek dan gewoon uw hand op en zegt: "Ik begrijp het niet." Omdat ik wil, dat u nu zeker bent.

138 Nu, let op: 'Verlossing'. Onmiddellijk nadat Zijn bemiddeling voor de gemeente was gedaan, openbaart Hij Zich als de Bloedverwant-Verlosser. (Kunt u dat volgen?) En nu zal Hij aan de gemeente gaan openbaren, hoe Hij het deed. En als deze openbaring dan al is begonnen, dan bewijst dat, dat wij aan het eind van de weg zijn. Amen! Nu, kijkt u slechts of het juist is of niet, als wij het Schriftgedeelte hier doornemen.

139 Wij ontdekken wat zou worden geopenbaard. Wat is de openbaring over verlossing; hoe werden wij verlost? Kijk slechts hier, wat er in deze laatste paar jaren is gebeurd: de openbaring van de Naam van Jezus, en van waterdoop. Nooit tevoren bekend was de openbaring dat er geen eeuwige hel is (denkend dat uw geliefden er voor eeuwig zouden zijn). Ziet u?

140 U kunt geen eeuwig leven hebben, tenzij u gered bent. En hebt u eeuwig leven, dan kunt u niet voor eeuwig in de hel worden verbrand. U zult dan worden gestraft voor uw zonden tijdens uw natuurlijk leven, maar u kunt geen eeuwig leven hebben in de hel. Als u eeuwig leven hebt ontvangen, dan kunt u daar niet voor immer branden, want er is slechts één vorm van eeuwig leven. Ik ben er zeker van dat de gemeente dat begrijpt.

141 Nu, wat is het? Welke andere dingen nog meer? Het plan der verlossing. Kijk slechts wat ons onlangs door de Heilige Geest werd gegeven, ziet u: Abrahams Zaad, wat daar de openbaring van was.

142 En dan het zaad van de slang. Ziet u dit Boek der Openbaring? Let op wanneer wij er toe komen, hoe het steeds dingen ontsluit. En ik heb het hier precies bewezen, door de Schrift, dat het zuiver de Waarheid is. Ik zal regelrecht teruggaan naar Genesis en het daar opnemen en tonen, dat, toen dat zegel openging, het zich regelrecht herhaalde door de Bijbel heen, van Genesis tot Openbaring.

143 Bedenk slechts, van Genesis tot Openbaring werd er nooit iemand gedoopt in de naam van 'Vader, Zoon, Heilige Geest'. Het is een valse doop! Ik stond voor driehonderd en nog wat predikers van het groot-convent van predikanten van Chicago onlangs, en bewees dat, tot zij allemaal naar elkaar zaten te roepen. Zeventig van hen komen om te worden gedoopt in de Naam van de Here Jezus.

144 Het zaad van de slang is er geweest van Genesis af! Als de slang geen zaad had, dan was Christus niet geboren; omdat Hij zei: "Ik zal vijandschap zetten tussen uw Zaad en het zaad van de slang." En als het zaad van de slang een fabel was, dan was Christus ook een fabel, dan is de gemeente een fabel, ziet u, dan is het dat allemaal; u kunt het niet scheiden. De slang had een zaad, en dat is hetgeen wat hen werkelijk doet duizelen. Waarom kunnen zij het niet begrijpen? Omdat zij er de openbaring niet over hebben.

145 Waarom komen zij niet om er met mij over te argumenteren? De preekstoel staat heel de tijd open; ik zal iedereen tegemoet treden. Ik zou niet met hen willen redeneren, maar ik zou het zeker met hen bespreken, als zij willen. Ik vroeg het ze daar rechtuit voor het convent: "Ik wil dat enigen van u mij vertellen waar het fout is! Ga niet ergens in een hoek staan, om over mij te praten. Kom bij mij en vraag erover. Laten wij het wezenlijk hebben; laten wij hier naar voren komen, en kijken wie er goed en verkeerd is." Maar zij willen het niet aanvatten. Eerlijk gezegd, zij weten wel beter. Ziet u?

146 Want ik ben het niet, het is de Heilige Geest, de Engel Gods zelf, Die u hebt gezien. Wat denkt u van deze dagen hier, toen al deze dingen plaatsvonden, en deze Engel van de Here hier stond? Ik zou deze dingen niet hebben geweten, maar het is de tijd ervoor. Het is zover. Wanneer wij vandaag deze zeven geesten doornemen, dan de zeven horens, en die dingen, zo de Here wil, dan zult u zien waar het aan toe is. Het is in dit uur waarin wij leven, dat deze openbaringen worden verondersteld te komen. Het is het boek der openbaringen, van de openbaring van Jezus Christus. Wij ontdekten in het eerste hoofdstuk, dat Hij openbaarde wie Hij was. En nu is Hij in de zeven zegels, openbarend hoe Hij de aarde verloste.

147 En één ervan was: "In de Naam van Jezus Christus." Een andere nam de vrees uit de mensen weg, en wel over de eeuwigheid, eeuwige verlossing, rechtvaardiging door geloof, heiliging en de doop van de Heilige Geest. En wat? Dat wij eeuwig verzekerd zijn, wat alle twijfel nu van de mensen wegneemt. Als u het onderpand van uw redding hebt, heeft God u reeds verzegeld tot de dag van uw verlossing. Efeziërs 4:30 zegt:

     ...Bedroeft de Heilige Geest Gods niet, door Wie gij verzegeld zijt tegen de dag der verlossing.

148 Nu, hoe zult u terug gaan vallen? U zou mogen terugvallen, maar u kunt niet verloren gaan. En als u in die teruggevallen staat blijft, toonde het dat u het in den beginne niet had. Maar als u een kind van God bent, dan staat er in Hebreeën: "De aanbidder, éénmaal gereinigd, heeft geen besef van zonde meer." Dat is waar. Dus u kunt niet een Christen zijn, u kunt niet de Heilige Geest hebben en dan weggaan en in de wereld leven. "Indien u de wereld liefhebt en de dingen van de wereld, is de liefde Gods niet in u." Dan luistert u dus ergens naar een vals geluid; de duivel heeft u er helemaal toe gekregen, dat u opgeblazen bent geworden. Maar als u uw leven onderzoekt met het Woord van God, en het toont u, dat u precies leeft naar de bladzijden van die Bijbel, dan hebt u eeuwige zekerheid.

149 En er is niets om voor te vrezen. Wat God beloofde, dat zal God doen. Ik daag iedereen uit, wie hij ook is, om dat aan te nemen. Neemt u dat gewoon en wandel met dat Woord, en let op wat er met u gebeurt. Broeder, het zal alles laten geschieden; God heeft het gezegd. Alles wat God beloofde, het zal gebeuren.

150 Nu, ik was u aan het vertellen, dat mijn werk aan het beginnen was. Er zijn nu bijna vijftien jaar voorbijgegaan. Ik ben rond en rond de wereld gereisd, en niet één keer heeft het gefaald. Waarom? Omdat ik, in de eerste plaats, op Gods belofte stond. Ik wist dat het de Waarheid was. Laat het niet zijn, dat ik moet proberen u te vertellen dat het iets van mijn grote wijsheid is, maar Dezelfde Die de geheimen des harten openbaarde, is precies Dezelfde Die het mij in de Schrift toonde. Want ik kon zelfs niet... Toen ik voor het eerst begon te prediken, ongeveer dertig jaar geleden, moest ik mijn vriendin erbij hebben om uit de Bijbel voor te lezen. Ik kon zelfs niet lezen, ik had te weinig opleiding. Zuster Wilson, u moet het zich herinneren, die tijd dat Hope de Bijbel voor mij las, daar achterin zittend en het voorlezend. En ik zei dan: "Hoor wat Hij zei, doe precies wat er staat. Dat is alles wat ik u weet te vertellen." En allen die dat deden, wel, het kwam in orde met hen. Dat was alles.

151 Zij zou dan zeggen: "Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft."

     En dan zei ik: "Hoevelen geloven het? Lees het volgende, lieverd."

152 "Gaf Zijn eniggeboren Zoon, opdat een ieder die in Hem gelooft, eeuwig leven heeft."

153 Ik zei: "Hoevelen geloven het? U hoort wat er werd gesproken." Ik kon het zelf niet voorlezen.

154 Kijk, ik had geen bepaalde gedragslijn vanuit welke school ook. Maar, o, ik houd van de school waar ik heenging! O, daarginds buiten in een kleine grot ergens met mijn handen opgeheven tot God, dag in, dag uit, op die manier, wanneer de Heilige Geest neerkwam in Zijn liefelijkheid en Zich begon te openbaren en te spreken: "Dit is zus, en dat is zo." En niet één keer is welk mens ook, welk soort schepsel ook, ooit in staat geweest om zijn vinger op wat ervan ook te leggen. En als zij al het fanatisme en al het andere zien, dat het land doorzweepte, dan heeft God het hoog en rein gehouden, en heeft het laten uitgaan de hele wereld rond. Halleluja! Wij zijn in de eindtijd, broeder. Wij zijn hier in de eindtijd. Dat is alles. "Ten tijde des avonds zal het Licht zijn", dat is precies wat Hij zei.

155 Nu, het is een Boek der Openbaring, God Die Zich openbaart. En nu, door deze grote geheimenissen, openbaart Hij de Naam van de Here Jezus Christus in de doop. Hij openbaart dat er niet zoiets bestaat als een eeuwige hel. Dat kan het niet zijn. Er is geen Schriftplaats in de Bijbel, die zegt dat er zoiets bestaat.

156 Nu, er is een hel, en er is een poel des vuurs, waar de bozen worden gestraft, maar zij worden tenslotte verteerd. Misschien duizendmiljoen jaren, maar zij worden tenslotte verteerd. Omdat u geen eeuwig leven kunt hebben, tenzij u gered bent. En als u eeuwig zou moeten branden, zou u eeuwig leven moeten hebben. Wel, normaal gezond verstand zou u dat al laten zien. Ziet u? Hoevelen weten dat wanneer u eeuwig leven ontvangt, dat u gered bent? Wel, als u voor eeuwig brandt, zou u dan geen eeuwig leven moeten hebben om het te weten? Dus, ziet u, het is gewoon zelfs niet redelijk. Ziet u?

157 Nu over 'zekerheid'. "Die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij ook geroepen, en die Hij geroepen heeft, heeft Hij gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, heeft Hij reeds verheerlijkt." [Romeinen 8:30 – Vert] Paulus vertelde ons, in het eerste hoofdstuk van Efeziërs, dat God ons voor de grondlegging van de wereld ertoe heeft bestemd, als zonen van Hem te worden aangenomen door Christus Jezus.

158 En Johannes vertelt ons hier in Openbaring, dat de vijand – die religieuze vijand – in de laatste dagen onder mensen zou komen en organisaties zou hebben en cultussen enzovoort, zoals zij vandaag hebben. En dat zij de uitverkorenen zelf zouden verleiden, ware het mogelijk, en dat hij allen zou verleiden, wier namen niet geschreven stonden in het Boek des Levens van het Lam sinds de grondlegging van de wereld.

159 Wanneer werd uw naam in het Boek des Levens van het Lam gezet? Vóór de grondlegging van de wereld. Wanneer werd Christus geslacht? Negentienhonderd jaar geleden? O nee: vóór de grondlegging van de wereld. "Het Lam, Dat geslacht werd vóór de grondlegging van de wereld."

160 Ziet u wat het doet? Het zijn deze zegels die zich openen, die juist beginnen het plan der verlossing te openbaren, hoe Hij het deed. Het is nu allemaal voorbij, of zich net ongeveer aan het afsluiten. Dus zijn wij in de eindtijd, en dat is het waarom de dingen geopenbaard worden. Goed.

161 Nu, onze Bloedverwant wordt het zeven maal verzegelde boek der verlossing overhandigd door de oorspronkelijke Bezitter. Toen wij het verloren in de Hof van Eden, door Adam, ging het terug naar de oorspronkelijke Bezitter. Maar er is een stroper op het land geweest, een 'squater' [Iemand die land in bezit neemt zonder toestemming of eigendomspapieren – Vert] Dat is Satan. Hij kwam er naartoe; hij is een stroper. Deze aarde hoort niet aan hem; zij behoort aan God. Maar hij is een stroper, een onbevoegde. Mensen, ik zou op dit moment iets kunnen zeggen, maar ik doe het maar beter niet. Dit zeven maal verzegelde boek is het eigendomsbewijs van onze verlossing. Het is het eigendomsbewijs. Wacht u maar, tot wij in die zegels komen!

162 Hij breekt de zegels, openbaart, en geeft Zijn erfdeel aan ons, Zijn volk. Hij geeft het erfdeel, dat Hij erfde door Bloedverwant-Verlosser te worden, vrijuit aan ons. Het behoorde Hem allemaal toe. Hij was Degene Die verloste. Maar in plaats van het Zelf te houden, geeft Hij het terug aan de mensen. Dat is Zijn liefde voor ons. O!

163 Satan, die er nu de bezitter van is, de onbevoegde, zal tenslotte... Hij wil het niet zo heel snel prijsgeven. Wij ontdekken het hier een beetje verder in de Schriften, hier in een ander hoofdstuk, denk ik. En hij wilde het niet dadelijk opgeven, maar hij moest er om vechten. Maar uiteindelijk, toen hij tot een beslissende strijd werd gebracht, werd hij in de poel des vuurs geworpen. Zo is het.

164 Wist u dat de Naam 'Jezus' in de Evangeliën in vier titels met 'Zoon' voorkomt? Jezus heeft vier titels als 'Zoon' in de Evangeliën. Eén ervan is 'de Zoon van David'. Nog één is 'de Zoon van Abraham'. Een ander: 'de Zoon des mensen'. En nog een ander: 'de Zoon Gods'.

165 Nu kijk. Toen onze Bloedverwant-Verlosser Jezus Christus werd, werd Hij de Zoon Davids, dat is: de Erfgenaam van de troon. Glorie! Hij beërfde de troon, door een Zoon van David te zijn. God zei daar vroeger, dat Hij David nooit zou verlaten, en David nooit zonder zaad zou laten. En Christus is de Zoon van David. En Hij werd onze Bloedverwant-Verlosser, en wacht, en maakt een plaats gereed, waar Hij met ons kan regeren. Als Zoon Davids is Hij de erfgenaam van de troon.

166 Als Zoon van Abraham, is Hij de erfgenaam van de koninklijke schenking. Amen. Is dat juist? Hij is de erfgenaam van de koninklijke schenking (Amen): Palestina en alles wat in haar is; Abrahams zaad. Hij was een Zoon van Abraham.

167 Waar is Hij erfgenaam van als Zoon des mensen? Wat verloor de mens? Hij verloor de aarde. Dus als Zoon des mensen is Hij de erfgenaam van alles op aarde. Dit alles heeft Hij gekregen, en Hij moet het aan ons teruggeven. Dan keert Hij terug zoals Hij was.

168 En dan, als de Zoon Gods, beërft Hij alle dingen. Als Zoon van David is Hij erfgenaam van de troon. Als Zoon van Abraham is Hij erfgenaam van het koninklijk geschenk. Als Zoon des mensen is Hij erfgenaam van de aarde. En als Zoon van God is Hij erfgenaam van alle dingen in de hemel en op aarde. Oh my! Dat is onze Verlosser, onze Bloedverwant-Verlosser.

169 Let nu op! O, dit doet mij zo goed. Dit is waar ik werkelijk door word gevoed. Stel nu uw hart open voor God, even voor een paar ogenblikken, en luister naar het volgende.

170 Satan is een 'onbevoegde'; hij heeft dit niet wettig in bezit. Maar tweeduizend jaar heeft hij erover getwist, of hij het bezit, of dat iemand anders het bezit. Maar Christus kwam als de Bloedverwant-Verlosser en kocht het terug voor ons. Satan heeft het nog in bezit, maar u weet, na een poosje, als dit grote gevecht voorbij is, zal hij in de poel des vuurs worden geworpen. Ziet u? Hij zal uit de weg worden geruimd, samen met al diegenen die met hem aanbidden. Maar de erfgenamen der zaligheid zullen bij Christus komen. Satan is een onbevoegde bezitter.

171 Herinner u, in het Oude Testament, als een man zijn erfdeel kwijtraakte, en er een onbevoegde op zijn land kwam, kon die het nooit langer in bezit houden dan vijftig jaar, omdat de eigenaar het contract dan ongedaan maakte. Na het negenenveertigste jaar kwam het Jubeljaar. En wanneer het Jubeljaar kwam, dan kwam alles weer terug tot zijn oorspronkelijke toestand. Alle slaven werden weer wat zij oorspronkelijk waren. Als een man op de akker aan het schoffelen was en de bazuin klonk en hij hoorde het, dan zou hij de schoffel neergooien en zeggen: "Ik ben geen slaaf meer, ik ga terug naar huis, naar mijn gezin." Alles werd teruggegeven. Als er een onbevoegd iemand op de grond was, moest hij zich van de grond verwijderen. Hij ging van het land af. Waarom? De wettige eigenaar kwam terug. Hij moest het veld ruimen.

172 Halleluja! Eén dezer dagen zullen de koninkrijken van deze wereld vallen en de rechtmatige eigenaars zullen één dezer dagen arriveren. Amen.

173 Nu, er was een tijd dat men het er niet met elkaar over eens was. Vanaf het begin van de eerste dag van het reinigen van het heiligdom, of toen Christus naar Golgotha ging, was het veertig dagen tot aan de hemelvaart. Er werd over geredetwist of Satans groep het zou overnemen, met het gezegde dat Hij niet was opgestaan uit de doden. Zij begonnen daar een verklaring uit te geven, die luidde: "De discipelen kwamen en stalen Hem des nachts." U hebt de Bijbel gelezen; zegt: "Zijn discipelen zijn des nachts gekomen en hebben Hem gestolen, terwijl wij sliepen." En zij gaven de soldaten geld om dat te vertellen. Maar het was toen de vraag; voor ieder was het een vraag.

174 "Wel, misschien hoort het dan in de werkelijkheid toch aan de organisatie, dat de hele zaak haar toekomt."

175 Maar op de vijftigste dag was het de Pinksterdag, en de wettige Eigenaar kwam neer onder hen (Halleluja!) en toonde dat het geen organisatie was. Maar dat het een vervulling van de Heilige Geest was, aanbetalingsgeld voor Zijn gemeente, dat zij niet zou worden beheerst door organisaties, enzovoort. Zij zou het onderpand ontvangen van de doop van de Heilige Geest met de kracht en de liefde van God. Amen! O, doet u dat niet gewoon iets? De wettige Eigenaar! Waar bevond het zich? In de handen van God. En op de...

176 Kijk, hij kon het niet langer dan vijftig dagen houden. U leest dat daar in de wetten van Leviticus. Er stond dat het in het vijftigste jaar moest terugkomen in de handen van de oorspronkelijke eigenaar. Wij weten dat allemaal. U hebt dat vele keren gelezen, dat het bij het vijftigste jaar moest teruggaan naar de oorspronkelijke eigenaar.

177 Wel, wat gebeurde er na deze vijftig 'dag-jaren'? (Eén dag beschouwend als een jaar.) Vanaf de dag van de kruisiging, toen zij deze Bloedverwant-Verlosser namen en Hem slachtten op de dag van het Paasfeest, was het in discussie. De gemeente geloofde tot op dat moment, dat Hij Bloedverwant-Verlosser was: "Hij was de Verlosser." Wat deden zij toen? Zij slachtten Hem, de vijand deed dat, en zeiden dat zij Zijn lichaam hadden genomen en het ergens hadden verborgen. En daarover waren allemaal onzekerheden bij de mensen: "Wat gebeurde er? Wat vond er plaats?"

178 Nu, aan het eind van de vijftigste dag, ziet u, toen kon het niet langer een twistpunt zijn. In plaats van zich te voegen bij een oude, stijve, koude orthodoxe kerk zond God de Heilige Geest terug, joeg alle onbevoegde bezitters eruit en nam het toen over. De kracht van de Heilige Geest kwam neer en de gemeente ontving het onderpand van haar redding.

179 Nu, broeder, niet om uw gevoelens te kwetsen of wat ook maar, wat dat betreft; als de organisatie juist is en u bent alleen maar Katholiek door organisatie, of u bent Baptist door organisatie, dan bent u verloren. Ziet u, het onderpand van onze redding was niet het toetreden tot een kerk; het onderpand van onze redding was niet om tot de een of andere organisatie te behoren. Het onderpand van onze redding is de doop van de Heilige Geest zonder welke organisatie ook! Amen.

180 Dat was de reden dat zij het niet konden behouden, na die vijftigste dag, omdat dat de dag van het Jubelfeest was, waarin alles terugging tot zijn oorspronkelijk begin. De kracht van God werd teruggevoerd tot haar oorspronkelijke staat, de vijftigste dag, het Jubeljaar, wanneer alle dingen teruggingen.

181 Nu, er zal nòg een Jubeljaar komen en wij hebben het net omstreeks deze tijd gehad. Als u het hebt opgemerkt, het Pinkstervuur is gedurende ongeveer vijftig jaar neergekomen in Amerika, ongeveer die periode. Net ongeveer vijftig jaar geleden begon Pinksteren neer te komen. Nu, wat is er aan het gebeuren: de gemeente ontvangt het zevenmaal verzegelde boek van de openbaring van Jezus Christus (van de zeven zegels) en niet één-tiende van hen kan het ontvangen.

182 Maar wanneer u het Jubeljaar begint te zien, dan hoeven wij niet meer te redetwisten, te wringen en te trekken op deze manier, maar zijn wij reeds verzekerd in Christus! Wij hebben reeds de Naam van de Here Jezus Christus in de doop. Wij hebben al deze grote geheimenissen die wij naar voren zullen gaan brengen in deze zeven zegels. En wij zullen u bewijzen dat het de zegels waren, die waren verzegeld voor de ogen van de mensen. Zo God mijn Helper is, zal ik u bewijzen, dat zij dat uit de Bijbel niet konden zien (want, zeker, als de Bijbel het zei, dan zou u het geloven). Zij konden niets anders zien dan 'Vader, Zoon en Heilige Geest' tot dit moment. Zij konden niet zien dat er geen eeuwige hel was, tot op deze tijd. Zij konden niet zien dat er een eeuwige zekerheid was. Ik bedoel voor de ware gelovige natuurlijk.

183 Er heeft zich heel de tijd een bedrieglijke nabootsing omheen bevonden, die een onduidelijk geluid geeft. Dat is de reden dat de mensen tegenwoordig zeggen: "Wel, kijk naar die Presbyterianen enzovoort; zij roken, drinken, en al het andere, en zeggen dat zij eeuwige zekerheid hebben." Ziet u, dat is om de werkelijke bazuin aan de kant te werken.

184 Laten wij het hier achterin uitvinden, wanneer de bazuin weerklinkt, of u niet regelrecht terugkomt van Genesis tot Openbaring, van voren naar achteren, wanneer dit zegel is geopend en deze dingen worden geopenbaard.

185 Nu, o, broeder! Ik was nog van plan om... Ik zal het moeten laten rusten, tot ik hier de volgende keer kom. Ik heb hier nog ongeveer zes bladzijden; of nee, we hebben nog een doopdienst voor de boeg... Laat ik een paar van deze kleine dingen hier lezen, over het Jubeljaar. Goed.

186 Nu, schrijft u allen de Schriftplaatsen op? Het is in Jeremia 32, en te beginnen bij het zesde vers, voor als u het thuis wilt lezen. Om u te laten zien wat deze boekrol is, zal ik er dit uitnemen. Laten wij toch de boekrol nemen. Dat zal ongeveer een minuut of tien in beslag nemen. Nu, een boek in de bijbelse tijden, was geen rechthoekig boek zoals dit. Het was een boek dat er zó uitzag. Zij noemden het: 'een boekrol'. Hoevelen weten dat? Zeker, het was een rol. Goed.

187 Nu, dit boek was verzegeld met zeven zegels. Het was de Bijbel en hij was verzegeld met zeven zegels. Kijk hoe dit werd gedaan.

188 Jeremia, toen hij zou... Hij had geprofeteerd dat hij weggevoerd zou worden. Jeremia, het tweeëndertigste hoofdstuk. Hij zou in gevangenschap worden weggevoerd naar Babylon. Zij zouden daar zeventig jaar gaan zijn. Hij had het geprofeteerd. U bijbellezers bent het vele keren tegengekomen. Zeventig jaar lang zou hij daar mee heen worden genomen. Nu was zijn neef Hanameël overleden, en Jeremia was zijn naaste verwant. Daar hij wist dat de vijand de eigendomspapieren van zijn bezitting zou houden, liet hij het allemaal optekenen. Hij wist dat God Zijn volk nooit zou begeven. En op deze manier verzekerde hij zich ervan, dat hij de rechtmatige eigenaar zou zijn van het erfdeel, als hij terugkwam.

189 Hoevelen hebben het ooit gelezen? Goed, u hebt het gelezen. Dan hebt u het gelezen. Goed. Nu, hij nam het en verzegelde het helemaal precies op de wijze waarop deze rollen hier werden verzegeld. Het is iets prachtigs, het geweldigste wat u ooit zag.

190 Ik zal het gaan proberen te illustreren met dit stuk papier. (Ik weet niet of ik het kan of niet.) Hier is de manier waarop zij was beschreven, op déze manier. Hij deed het en bracht de zegels zó aan, elk naar beneden. Nu, wat er gebeurde: bij elk van deze zegels was hier rondom geschreven wat zijn erfdeel was, en wat er had plaatsgevonden, en al degenen die het vóór hem was toegevallen en hoe het kwam, dat hij het beërfde. Op die manier werd alles verzegeld.

191 Nu, dat is de manier waarop het is met Gods zeven maal verzegelde Boek. Meteen als Hij dit eraf trekt, komt die openbaring regelrecht terug rondom tevoorschijn, en loopt helemaal rond tot de achterkant van het boek. Dat is de reden dat u de Naam van Jezus Christus kunt nemen en het nemen van Genesis tot Openbaring en kunt aantonen dat er niet zoiets is als 'Vader, Zoon en Heilige Geest'. Ziet u? Kijk, het gaat helemaal rond, door de Bijbel heen; het openbaart het.

192 Dan neemt u iets als: "Er is een eeuwige hel." U trekt dat eraf en loopt het helemaal in de rondte door; er is nooit een eeuwige hel geweest, omdat God in den beginne zei, dat de hel werd geschapen voor de duivel en zijn engelen, voor de straf die voor hen in de toekomst ligt. Als de hel eeuwig is, hoe kon zij dan worden geschapen? Het woord eeuwig betekent: 'het begon nooit en kan nooit eindigen'. Dan is er altijd al een hel geweest, als het een eeuwige hel is; heel de tijd was er een hel, dezelfde tijd dat er daar een God was, was er dan een hel. Voor er daar enige zonde was, was er dan toch een hel? Huh! Oh, my! Ziet u, u kunt het niet laten kloppen.

193 Dus let u op, als deze dingen zich ontvouwen. Het wordt regelrecht teruggerold en opent het boek. Deze zegels, die de Bijbel verborgen houden voor de ogen van wijzen en verstandigen, geven dus in werkelijkheid het beeld van de gehele Bijbel. Door de Heilige Geest opent God ze op deze manier, en openbaart ze regelrecht door de Bijbel heen. God zij geprezen!

194 Broeder, ik zeg u, dat wekt de geestelijke eetlust in mij op! Ziet u? Ziet u het? Nu, kijk hier! Het is net als... Begrijpt u wat ik bedoel? Kijk, hier is het, een zegel. Als u kijkt en het hier bij Jeremia leest, ziet u hoe hij het verzegelde.

195 Daar is het boek, daarin staat het geschreven. Precies op het moment voor de eerste openbaring, opent Hij dit zegel. Let u maar op en zie wat dat eerste zegel was, wanneer wij op de zegels komen. Dan komt de tijd voor het tweede zegel, en Hij trekt het volgende zegel eruit. En weet u waar wij ons bevinden? Wij zijn bijna op dit moment aan het zevende zegel toe. En wanneer het zevende...

196 Toen het eerste zegel werd geopend, klonk de eerste bazuin en de eerste plaag kwam neer. Toen het zesde zegel openging, klonk de zesde bazuin en de zesde plaag kwam neer. Let er slechts op, het is het allermooiste wat u ooit hebt gezien. En als ik het ga doen, zal ik hier een groot, heel groot schoolbord naar voren halen en het hier direct op onderwijzen. Wij nemen gewoon ruim de tijd voor elk zegel en grijpen terug in de geschiedenis en die dingen, en bewijzen precies wanneer het gebeurde, en tonen hier precies in de Bijbel, wanneer Hij zei dat het plaats zou vinden, en helemaal precies wanneer het gebeurde, precies de datum en al het andere. Ik ontving het, amen, direct van Hem. Zo is het. Daar zijn de zegels.

197 Nu, toen Jeremia dit boek schreef, werd het verzegeld. (Hier is iets goeds, en ik zou willen dat u erop let, u allen die het lazen, over dat verzegelde boek...) Bedenk, hij zou een tijd weg zijn. Hij had het geprofeteerd. Nu, hij wist het niet, dan alleen door profetie. Kunt u mij volgen? Door profetie wist hij, door de openbaring van God, dat zij zeventig jaar lang uit dat land weg zouden zijn. Herinnert u het zich dat hij dat profeteerde? Zeventig jaar zouden zij in gevangenschap zijn. Dus wilde hij er zeker van zijn dat dit zegel, zijn erfdeel, bewaard zou blijven, het erfdeel dat hij van zijn neef had geërfd. Dus had hij het allemaal opgeschreven, volgens de wet. En wat deed hij ermee, zodat het niet zou rotten of roesten? Hij deed het in een aarden vat en zette dat weg, zodat het niet zou rotten of roesten, tot de zeventig jaren voorbij waren.

198 God zij geprezen! Ik hoopte, dat u het zou begrijpen. Ziet u wat God deed? Hij heeft het nooit geopenbaard aan de hooggeplaatsten en verstandigen zodat zij er heel deze tijd over konden redetwisten, maar Hij deed het in een aarden Vat en Hij schiep Zich Zijn Eigen Zoon, Christus Jezus. En in deze laatste dag nu, is Hij deze zegels aan het openen en is Hij bezig het te tonen aan Zijn gemeente. Bewaard in een aarden Vat, zodat het niet zou rotten of roesten! Halleluja! O! (Ik weet dat u denkt dat ik een 'heilige roller' ben. Misschien ben ik het wel, ziet u.) Maar daar is het! Het is verhuld gebleven in het aarden Vat, dat uit de aarde werd verlost, om op te staan op Paasmorgen, waar de zegels des doods Hem niet langer meer konden houden. Hij verbrak de zegels en stond op, en bewees in deze laatste dagen dat Hij leeft! Hij is in Zijn gemeente! Hij is Dezelfde, gisteren, vandaag en voor immer. En dat is verborgen geweest voor seminaries; het is verborgen geweest voor organisaties.

199 En in deze laatste dagen is Hij bezig het te openbaren door Zijn Eigen tegenwoordigheid onder Zijn volk. Hij neemt iemand, opdat Hij de wereld en al die dingen uit hen kan halen (de kerksheid uit hen weg), zodat Hij Zelf door hen kan spreken en Zich kan openbaren en deze zegels openen op deze wijze. Halleluja! O, hebt u Hem niet lief? My, my, my!

200 Ons plan der verlossing, hetzelfde wordt nu geopenbaard in Jezus Christus. Hoe openbaarde Hij Zich in deze laatste dagen? Doordat Hij het zegel opende. U hebt nooit in uw leven gehoord, dat er werd geschreven over het Zaad van Abraham, hoe zij gingen via rechtvaardiging, heiliging en de doop van de Heilige Geest. Hoe dat die engel zou komen in de laatste dagen, die zijn rug naar de samenkomst gekeerd zou hebben en helemaal precies zou zeggen wat Sara binnen in haar hart dacht (Dat was pas in deze dag. Zo is het, dit is die dag); en over het geloof van Abraham, en over de Naam van de Here Jezus.

201 Nu, één ding hier. Ik heb hier nog vijf dingen waarover ik graag zou spreken, even een ogenblik, zo snel als ik maar kan. Kijk, er zijn zeven zegels, en er zijn vijf zevens in Gods plan der verlossing. 'Vijf' is het getal van 'genade'. Hoevelen weten dat? J-e-z-u-s, f-a-i-t-h [Het Engelse woord voor 'geloof' – Vert], 'vijf' is het getal der genade. 'Zes' is de dag van de mens, en 'zeven' is Zijn dag der verlossing.

202 Nu, let op. Er zijn zeven zegels in dit... of zeven stadia in dit grote plan der verlossing. Er zijn zeven wat? Zeven zegels van verlossing, zeven geesten van God. Wij ontdekken dat, weet u, en zien dat er staat: "zeven geesten." Laat mij hier even een ogenblik kijken, het is het vijfde hoofdstuk, te beginnen bij het zesde vers:

     En ik zag in het midden van de troon en van de vier dieren en te midden der oudsten een lam staan, als geslacht, met zeven horens en zeven ogen; dit zijn de zeven Geesten Gods, uitgezonden over de gehele aarde.

203 Wat zijn die zeven geesten? Die zeven boodschappers: Columba, Irenaeüs, John Wesley, Maarten Luther, enzovoort. Ziet u, "de zeven geesten", wat zeven mannen zijn (zeven engelen), wat zeven boodschappen zijn.

204 Zeven zegels, zeven geesten, zeven engelen, zeven hoornen en zeven gemeenten. Kijk, er zijn daar vijf zevens, waarbij zeven 'volmaaktheid', en vijf 'genade' is: Gods genade voor Zijn zeven gemeente-tijdperken. Zijn zeven menselijke boodschappers, Zijn zeven geesten van God, de zevenvoudig ontworpen zegels der verlossing (waar wij nu net mee bezig zijn), de zeven hoornen duiden zeven tijdperken aan.

205 Natuurlijk, een hoorn betekent: 'een koninkrijk'. Herinnert u zich de hoorn die op het dier kwam in Daniël, enzovoort? Ziet u, het betekent een koninkrijk, of 'zeven tijdperken'. Bedenk dat Jezus erover sprak, dat sommigen in slaap vielen in de eerste wake, het ene tijdperk; anderen in het volgende tijdperk, of het daarop volgende tijdperk. Regelrecht door tot de zevende wake. En in de zevende wake kwam de Bruidegom; toen werden zij allemaal gewekt. Herinnert u zich dat?

206 Dus de zeven hoornen waren haar zeven 'tijdperken'; de zeven 'gemeenten', of de 'zeven bedelingen van het lichaam van gelovigen'. O, hoe het werd verlost – het boek, de tijdperken – is gewoon zo volmaakt als het maar kan zijn! [Dan is er een leeg gedeelte op de oorspronkelijke bandopname – Vert]

207 Bij het zevende en laatste van deze zegels, wanneer zij zijn geopend (u leest erover in Openbaring het tiende hoofdstuk), was er een machtige Engel, dat was Christus, Die neerkwam en de ene voet op het land zette en de andere op de zee, en Zijn hand ophief en zei: "De dag is geëindigd. Er is geen tijd meer. Het is alles voorbij. Er zal geen tijd meer zijn."

208 En Hij zei: "Dit is het bazuinen en in deze tijd zou het geheimenis van God zijn voleindigd." Over: wie God is, en hoe Hij openbaar werd gemaakt; hoe wij – toen dat zegel werd geopend – nu beginnen te begrijpen, hoe dat Hij de Zoon van God was: hoe Hij God Zelf was, vlees gemaakt; de openbaring van Wie Hij is. En dat zou voleindigd zijn vóór deze Engel Zijn voet op het land en de zee kan zetten en zweren dat "er geen tijd meer zal zijn", wanneer deze tijd komt. Wij bevinden ons nu op dit moment precies in het voorportaal ervan. Ziet u?

209 De laatste ervan is Openbaring 10: "De voeten op het land en op de zee", de tijd was voorbij, de verlossing is voorbij en nu komt Hij eraan als de Leeuw. Toen was Hij een Lam; nu komt Hij binnen als Leeuw van de stam Juda.

210 Laat mij nu even de rest hiervan lezen, zodat ik het u nu heel vlug kan doorgeven. Het achtste vers:

     En toen het de boekrol nam, wierpen de vier dieren en de vierentwintig oudsten zich voor het Lam neder, hebbende elke een citer en gouden schalen, vol reukwerk; dit zijn de gebeden der heiligen.

211 Dit is de tijd wanneer alles aanbidding moet zijn. Bedenk hoe passend het is. Laten wij dit nu niet missen. Luister aandachtig. Toen al de geheimenissen van het gemeente-tijdperk, al de geheimenissen van de plannen van verlossing voleindigd waren – die zeven zegels werden geopend bij... direct onmiddellijk na dit nu – kijk, dan is het de tijd voor alles in de hemel en alles op aarde om God te aanbidden. Let op wat er plaatsvindt. Luister ernaar; luister hier gewoon even een ogenblik naar:

     En zij zongen een nieuw gezang, zeggende: Gij zijt waardig...

212 Luister wat dit voor een aanbidding was! De oudsten, de dieren, alles viel zo vlak voor Hem neer, ziet u, toen Hij Zijn volledige plan bracht. Het is aanbiddingstijd nu, ziet u?

     En zij zongen een nieuw gezang, zeggende: Gij zijt waardig de boekrol te nemen en haar zegels te openen; want Gij zijt geslacht en Gij hebt (hen) voor God gekocht met Uw Bloed, uit elke stam en taal en volk en natie;

     En gij hebt hen voor onze God gemaakt tot een koninkrijk en tot priesters, en zij zullen als koningen heersen op de aarde. (Luister, die verloste zielen die het daar uitroepen!)

     En ik zag, en ik hoorde een stem van vele engelen rondom de troon, en van de dieren en de oudsten; en hun getal was tienduizend tienduizendtallen en duizenden duizendtallen, (alles in de hemel aanbidt dit Lam, ziet u?) zeggende met luider stem:

     Het Lam dat geslacht is, (Halleluja! Halleluja!) is waardig te ontvangen de macht en de rijkdom, en de wijsheid en de sterkte, en de eer en de heerlijkheid en de lof.

213 Luister: "En alle schepsel!" Luister naar wat Johannes deed:

     En alle schepsel in de hemel en op de aarde en onder de aarde en op de zee en alles wat daarin is, hoorde ik (Johannes) zeggen: Hem, Die op de troon gezeten is, en het Lam zij de lof en de eer en de heerlijkheid en de kracht tot in alle eeuwigheden.

214 Johannes moet werkelijk een Pinksterfeest voor zichzelf hebben gehad. Hij zei: "Elk schepsel in de hemel, elk schepsel op de aarde, elk schepsel onder de aarde, elk schepsel dat in de zee was, hoorde ik zeggen: 'Amen, Hem Die op de troon gezeten is, dat Lam, zij heerlijkheid, eer, kracht en lof.'"

215 Tijd van aanbidding! Amen! "Hoe deden zij het?" Hier is Zijn Woord, zij hoorden het allemaal.

     En de vier dieren zeiden: Amen. Je hebt gelijk Johannes, jubel maar en prijs Hem zo luid als je maar kunt. Zij hoorden hem zeggen: Lof, amen, eer, wijsheid, kracht en macht... En de vierentwintig oudsten wierpen zich neder en aanbaden Hem, Die leeft in alle eeuwigheid.

216 Wat een prachtig verhaal! Nu, ik heb geen tijd meer. Ik heb het opgeschreven hier, iets over de samenhang erover, maar wacht tot onze volgende samenkomst voor wij hier op in kunnen gaan. Misschien zal ik, wanneer ik van mijn vakantie terugkom, of de een of andere keer, deze zeventig weken van Daniël nemen en het hier direct mee in verband brengen; het laten zien hoe het naar het Pinkster-Jubelfeest voert, en het regelrecht terugbrengt bij die zeven zegels; dat zij hier opengaan juist voor wij weggaan. En om te laten zien dat dit aan het einde gebeurt.

217 Het Lam (de Messias, de Vorst) zou komen tijdens de zeventig weken, die waren geprofeteerd over Zijn volk. En de Vorst zou worden afgesneden in het midden van een week (dat is zeven jaar); de helft van zeven is drie en een half. En het dagelijks offer zou worden afgeschaft, en de gruwel zou worden opgericht, die verwoesting brengt. En de Moskee van Omar heeft op het terrein van de tempel gestaan tot op de huidige dag, sinds zij de tempel verbrand hadden. En dan zijn er drie en een half jaar nog overgebleven voor Israël.

218 Christus kwam en predikte en profeteerde precies drie en een half jaar, en het dagelijks offer werd weggenomen; alles net zo volmaakt als het maar zou kunnen zijn. En de moskee van Omar werd gebouwd op hetzelfde terrein en staat daar tot op deze dag. En zij zullen de muren van Jeruzalem vertreden tot de bedeling der Heidenen zal zijn vervuld, de gemeente is opgenomen, de uitverkorene, de bruid, daaruit is weggenomen.

219 Dan wenden zich de twee profeten, Elia en Mozes, tot Israël voor die andere drie en een half jaar. Het is het allerprachtigste wat er is, als u het aan de dag ziet komen.

220 Hebt u Hem lief? Met heel uw hart? Begrijpt u nu wat het zeven maal verzegelde boek was, of wat het is? Wij hebben het begrepen, het was een boekrol. En bedenk even, juist nu in deze laatste dagen... Het werd bewaard in een aarden Vat. Begrijpt u dat nu? Wie was dat aardse Vat? Jezus Christus. Geen mens had het, niemand had het, het is alleen door Hem. Het stond zelfs niet geschreven in het Woord. Als het geschreven stond in het Woord, was het verborgen, zodat u het zelfs niet zou kunnen vinden. Zo is het. Dus is het in Hem, dat het is geopenbaard, verborgen in dat aarden Vat, zodat het niet zou rotten of roesten.

221 En dan komt Hij en trekt er één weg voor Zijn gemeente, en zei: "Zie, Ik ben Dezelfde gisteren, vandaag, en voor immer." Ziet u? Ziet u het? Nu, u hebt het zich altijd afgevraagd of een arme zondaar voor eeuwig zou branden of dat hij gewoon werd vernietigd na een miljoen jaar. Hier is het. Dat is hoe het was. Er bestaat niet zoiets als 'eeuwige hel'. Zij zou niet eeuwig kunnen zijn, omdat de hel "niet bij Mij was, toen Ik ginds vroeger begon. Ik schiep haar om er de bozen in te straffen." Ziet u? Waar bent u zo bevreesd over, ziet u, over Abrahams Zaad en al deze verschillende dingen? Dat is gewoon in grote lijnen, ziet u, maar wanneer u daar komt, dat God het opent, die zegels, het toont en het regelrecht verder ontvouwt... Ziet u, wanneer u het doet, dan is dit Boek er onlosmakelijk mee verbonden. Die zegels...

222 U zegt: "O, het zegel betekent iets anders, broeder Branham."

223 Wacht een ogenblik! Het zal hiermee moeten overeenstemmen, omdat het aan de achterzijde ervan was verzegeld om dit te openbaren. Wat is het? Wat was het? Hier, zoals hier: Jeremia bijvoorbeeld. U zegt dat er iets bepaalds is gebeurd; nu trekt u dit eraf en hier is dan waar dat staat. Goed. Scheur dat eraf en kijk hier-achter; hier staat geschreven wat er gebeurde. Goed. U trekt deze er hier af, kijkt hier, en daar staat weer wat er gebeurde. Kijk, dat is hetzelfde wat dit boek is, ziet u, aan de buitenkant ervan.

224 U zegt: "Wel, ik kan het niet begrijpen. Sommigen zeiden: 'Vader, Zoon', en sommigen: 'Heilige Geest', en sommigen zeiden: 'Jezus' Naam'; zo is er van alles."

225 Het is al deze jaren verborgen geweest. Maar nu is zij hier, zij rolt helemaal af en gaat helemaal naar het begin terug, om te laten zien dat er slechts één God is. Er was nooit meer dan één God. Ziet u?

226 Precies zoals in het Evangelie van Matthéüs, waar staat in hoofdstuk 28:19: "Gaat dan henen, maakt al de volken tot Mijn discipelen en doop hen in de Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes"; een Vader is geen naam, Zoon is geen naam, en Heilige Geest is ook geen naam. Hoe zult u hen dan gaan dopen? In welke van die 'namen' zult u gaan dopen, als het geen van alle namen zijn? Wat dan? Dan zult u eigenlijk in geen enkele naam dopen. Die Profeten-school weer, ziet u?

227 Toen kwam Hij terug en ging naar dit gedeelte hier, en neemt u het hier en sla het terug, en ga naar Matthéüs 1; wat deed Hij? Hij trok dat gewoon helemaal terug en neemt het hier in het begin:

     De geboorte van Jezus Christus geschiedde aldus... (Geen drie goden nu, ziet u?) Terwijl zijn moeder Maria ondertrouwd was met Jozef, bleek zij, voordat zij gingen samenwonen, zwanger te zijn uit de Heilige Geest. (Niet uit God de Vader, uit de 'Heilige Geest'. Ja?)

     Daar nu Jozef, haar man, rechtschapen was en haar niet in opspraak wilde brengen, was hij van zins in stilte van haar te scheiden. Vanwege deze dingen.

     Toen die overwegingen bij hem opkwam, zie, een engel des Heren verscheen hem in de droom en zeide: Jozef, zoon van David, schroom niet Maria, uw vrouw, tot u te nemen, want wat in haar verwekt is, is uit... (uit God de Vader?) ...de Heilige Geest.

228 "Ik dacht dat God de Vader Zijn Vader was." (Ik zeg dit, omdat wij zo gaan dopen. Begrijpt u?) "Ik dacht dat God de Vader Zijn vader was." Nu zijn er twee mogelijkheden, òf de Heilige Geest en God de Vader is dezelfde Persoon, òf Hij had twee vaders; dat zou Hem dan een bastaard-kind maken, en wat voor soort God hebben wij dan? Ziet u? Kijk:

     Dit alles is geschied, opdat vervuld zou worden hetgeen de Here door de profeet gesproken heeft,...

     Zie, de maagd zal zwanger worden en een zoon baren, en men zal Hem de naam Jezus geven... (Klopt dat? Nee.) ...en men zal Hem de naam Immanuël geven, hetgeen betekent: God met ons.

229 Nu, kijk, toen Hij het zegel eraf trok, wat is de hele zaak vanaf Matthéüs het eerste hoofdstuk (ga terug)? Wel, dat het 'Jezus Christus' was. Dat is precies wat Petrus zei op de Pinksterdag. Dat is wat alle anderen zeiden.

230 Natuurlijk, deze groep Romeinen moest komen en zeggen: "O nee! Wij moeten drie goden hebben." Zij hebben er tegenwoordig wel tienduizend; er zijn Maria's, Sint Cecilia's, Sint Marcus, en Sint Zo-en-zo. Ik geloof dat er alleen al in Mexico City zo'n vijfhonderd zijn. Een vrouw werd enige tijd geleden gedood door enigen van haar minnaars, en zij raakten in een gevecht om haar en zij doodden haar, dus maken zij haar een heilige, en mensen bekenden haar hun zonden en al dat soort dingen. Spiritisme!

231 En hier komt de Protestantse kerk, met wat zij de Apostolische Geloofsbelijdenis noemen: "Ik geloof in God de Vader, de Almachtige, Schepper des hemels en der aarde, en de Heilige Rooms-katholieke kerk. En ik geloof in de gemeenschap der heiligen." Protestanten zeggen het onder een eed Gods, dat zij geloven in de gemeenschap der heiligen. Dat is spiritisme! Ziet u. Dan gaan zij heen en doen het, zeker, omdat de kerk het zo zei. (O God, wat ben ik blij dat ik weet wat ik weet!) Niet beseffend dat zij zichzelf gewoon regelrecht van God weg verzegelen, naar buiten de duisternis in. En u kunt het ze niet zeggen, omdat zij het absoluut niet kunnen zien.

232 Ik wil vragen... Niemand hoeft dit te zeggen. Er zijn tenminste vijftien of twintig mensen, die hier zitten, die er schuldig aan waren, te denken dat ik Jezus Christus was. Hoe konden zij het doen? Ik was mij heel goed van hen bewust, tot God mij vertelde dat het een geest was. En die mannen geloofden mij, elk woord. Ik zei: "Hóe gelooft u mij dan, als ik het u zelf zeg?" Toen wij tot het Woord kwamen, begonnen zij het te zien. Zij zeiden: "Wel, zeker, wij geloofden u niet, anders zouden wij hebben geluisterd naar wat u zei." Ziet u?

233 Maar zij dachten werkelijk dat zij gelijk hadden, in oprechtheid. Begrijpt u? En als één van die geesten op u komt, die dat meebrengt, ziet u, dan zult u het absoluut geloven. Het maakt mij niet uit, er is dan niemand die u iets anders kan laten zien. Ziet u? Het geeft niet hoe zeer het Woord het ook zegt, wel, u gelooft het gewoon hoe dan ook niet; gaat gewoon zo door en zegt: "Als u op die manier wilt zijn, ga uw gang, ik zal mijn eigen weg gaan." Ziet u, dat toont dat u gezalfd bent met de verkeerde geest.

234 Wel, zegt u: "En uzelf dan, broeder Branham?"

235 U weet dat ik altijd wil luisteren naar iedereen, die mij toont wat goed en fout is, maar het moet het Woord zijn. Zij kunnen niet zomaar iets zeggen. Het moet uit het Woord komen! Zo is het ook daar, waar deze zegels opengaan. En maakt u zich nooit bezorgd. Als het een zegel is, dan zal het zichzelf verklaren van Genesis tot Openbaring. Dus daar zijn de zegels. Hebt u Hem niet lief?

Ik min Hem, ik min Hem,
Want Hij deed het mij eerst,
Betaalde voor mijn zondeschuld,
Op Golgotha.

     Laten wij onze hoofden buigen.

236 [Broeder Branham begint te neuriën: 'Ik min Hem' – Vert] Hoevelen hierbinnen die Hem niet kennen als hun Redder zouden Hem graag willen ontvangen in hun hart? Weet u, ik geloof in het naar voren komen tot het altaar; ik geloof daar werkelijk in. Dat is goed. Maar in de Bijbel gingen zij nooit naar voren om gered te worden. Zij geloofden het gewoon in hun hart en aanvaardden het. Hoevelen van u willen komen op de Bijbelse manier van: "Zovelen als geloofden werden gedoopt." Hoevelen geloven vandaag, hebben het nooit tevoren gedaan, maar willen in het openbaar belijden dat u verkeerd was in uw wegen, en willen Jezus aanvaarden als hun Redder? Zou u even uw hand willen opsteken, met uw hoofd gebogen, zeggend: "Ik..." God zegene u. God zegene u. God zegene u. God zegene u. God zegene u, achteraan. God zegene u. God zegene u, daar. "Ik geloof nu."

237 God zegene u. God zegene de man daar achteraan. Nu, bedenk, dat u niet hier maar in uw hart, voor God, een openbare belijdenis aflegt: "Here, ik weet dat wij in de eindtijd zijn. Ik ben aan het einde."

238 Onlangs sprak ik met een kleine vriend van mij hier in de stad, doctor Sam Adair. Wij zaten in het kantoor. Ik zei: "Sam, ik heb wat last gehad van 'lucht-vorming'."

     Hij zei: "Hoe weet je dat het lucht is? Rond je hart?"

     En ik zei: "Ja."

239 Hij zei: "Dat zou gewoon trombose of een hartkwaal kunnen zijn."

240 Hij zei: "Nu, hoe weet je dat het er zit?" Hij zei: "Laat mij eens naar je kijken."

     Hij onderzocht mij en zei: "Nee, er is helemaal niets met je aan de hand."

241 Ik zei: "Sam, wanneer het ook komt..." Ik ben tweeënvijftig jaar oud, en Sam is een beetje ouder dan ik. Ik zei: "Wanneer het komt, Sam, al deze dertig jaar heb ik mij ingezet om te proberen mensen ertoe te krijgen te geloven in Jezus Christus, Degene Die ik liefheb en voor Wie ik heel deze tijd heb gewerkt. Het maakt mij geen enkel verschil wanneer Hij komt, want ik zal naar huis gaan."

242 Hij zei: "Billy, je weet, waar ik mijn grootste voldoening krijg, is om iets voor iemand anders te doen."

     Ik zei: "Dat is werkelijk leven."

243 Vriend, als wij hier in deze wereld een erfdeel hebben, is het een erfdeel dat aan bederf onderhevig is. Maar wij ontvangen een erfdeel, dat niet teniet gaat. De verloren zoon ging van zijn erfdeel weg; een deel ervan nam hij met zich mee. Toen hij terugkeerde was zijn erfdeel bezoedeld. Maar als u van het uwe wegloopt; in het koninkrijk Gods gaat het zo niet; wij ontvangen een onverdervelijke erfenis. Wilt u het niet ontvangen? Het waren er ongeveer vijftien die hun hand opstaken, zondaars die hun erfdeel deze morgen wilden ontvangen. Is er nog een ander, voor wij bidden? Ja.

     Laten wij nu heel langzaam zingen [De gemeente zingt – Vert]:

Ik min Hem, ik min Hem,

     (Kom nu tot een besluit. Als u voelt dat u het behoorde te doen, dan zou dit het moment zijn.)

Want Hij deed het mij eerst,
Betaalde voor mijn zondeschuld,
Op Golgotha.

244 [Broeder Branham begint 'Ik min Hem' te neuriën – Vert]

     Hemelse Vader, in de stilte van dit moment, brengen wij deze samenkomst bij U. Het was onder afmattende omstandigheden deze morgen, Here, proberend deze Boodschap aan de mensen te brengen, omdat ik hen liefheb. Ik wil dat zij het horen, Here. Ik wil dat zij verankerd zijn. Ik wil dat zij weten dat al deze dingen, die in de laatste paar jaren werden gedaan, niet zomaar bij toeval zijn geweest; U bent het geweest Here. U bent het geweest, Die deze dingen hebt geopend. En, o God, wij voelen allen dat vlak voor ons een geweldig jubelfeest ligt.

245 Ik bid voor dezen die hun hand opstaken. Zij weten dat zij verkeerd zijn, Here. Veel van die andere dingen... misschien hebben zij zo nu en dan wat geld van iemand geërfd, maar wat heeft het uitgewerkt? Zij weten niet waar het gebleven is. Er is misschien nog maar een beetje over, omdat dat een vergankelijke erfenis is. En als zij het voor iemand anders nalaten, zal het opnieuw vergankelijk zijn.

246 Maar wij hebben een onvergankelijke erfenis, en dat is: redding, verlossing, om weer terug te gaan naar de Hof van Eden. Dat te bedenken, Here, wie zou er niet terug willen gaan en leven zoals Adam en Eva, daar vroeger? Ons voedsel dat dagelijks voor ons werd verschaft; een hemelse Vader Die altijd op ons pad is, met ons sprekend; om dat geweldige licht voor ons uit te zien gaan. De leeuw en de wolf die samen weiden; de jonge os die stro eet, en de leeuw die met hem samen eet, terwijl zij elkaar nu opeten, of, de leeuw eet de os, en de wolf eet de os, wat ze ook maar kunnen eten. Maar in die dagen zal het niet op die wijze zijn. Geweldige prachtige vogels vliegen rond. Er zal geen droefheid zijn. Wij zullen nooit meer voorbij een grafzerk komen. Daar onderweg zullen wij onze kinderen en onze geliefden tegenkomen. O God, wat een dag! Wat een dag! Het maakt niet uit wat wij hier op aarde ontvangen, het zal gewoon allemaal in het niet verdwijnen, maar dat zal nooit vergaan.

247 God, misschien ben ik nooit in staat om hier op aarde met deze mensen te spreken, die hun hand opstaken. Ik weet het niet. Ik hoop van wel. Maar als ik het niet zal, Here, laat mij hen dan daar onderweg ontmoeten. Zij zouden dan misschien zeggen: "Broeder Branham, herinnert u zich, beneden op aarde voordat dit geweldige gebeurde, dat u op een morgen sprak over het openen van de zegels, die bewaard waren in een aards Vat? Toen was het, dat Hij in mijn aardse vat binnenkwam; ik was één van degenen, die hun hand die morgen opstaken. O, ik ben zo blij dat ik er was."

248 Ik zal zeggen: "Broeder, zuster, ik ben ook zo blij dat ik er was. Nu zullen wij gemeenschap met elkaar hebben door alle tijden heen."

249 Zegen hen, Vader; zij zijn de Uwen. U zei: "Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader hem trekt. En al wat de Vader Mij geeft, zal komen; geen van hen zal verloren zijn." Dus zijn wij dankbaar, Vader, daarvoor. Mogen zij nu verder doorgaan en het onderpand van hun redding ontvangen; dat zij niet heengaan en tot een kerk toetreden. Het onderpand is niet een toetreden tot een kerk, maar een nieuwe geboorte, om de Heilige Geest te ontvangen. Mogen zij U ontvangen, Vader. Wij leggen het in Uw handen, in de Naam van Jezus Christus. Amen.

250 Here Jezus, ik bid over deze zakdoeken en vraag dat U allen die een nood hebben, zult zegenen. Zegen ook allen die hier zijn, Here, ook deze arme vrouw die hier in de rolstoel ziet.

251 Na deze grootse samenkomst deze morgen, Vader, voelen wij dat Uw Heilige Geest ons geheel doordrenkt; wij voelen dat het Woord diep indringt en Zich wortelt in de harten van de mensen. Zij zullen het nooit vergeten, Here. Elke keer wanneer zij deze dingen horen, zullen zij denken aan die zegels die worden geopend. Help ons nu, om te weten wat die zegels waren, Here, zodat iedereen het zich niet in zijn gedachten afvraagt, maar dat hij het zal weten vanuit het "ZO SPREEKT DE HERE" dat het het zegel van God is, het zegel dat God voor ons ontvouwde.

252 Wij bidden dat U al de zieken en aangevochtenen zult genezen. Geef het, Here. Uw Geest is tegenwoordig. Als U een zondaar daar helemaal achterin het gebouw kunt redden, kunt U daar ook een ziek iemand genezen. Ik bid dat U het zult toestaan, Here, en dat U hen geneest, die door deze zakdoekjes worden vertegenwoordigd, die hier vandaag niet konden komen. Wij dragen het alles aan U op, in de Naam van de Here Jezus Christus. Amen.

253 Ik geloof dat er een kleine baby is die zij willen opdragen. Is die vrouw hier met de kleine jongen? Als u hem naar voren zou willen brengen op dit moment, zouden wij blij zijn om de kleine kerel op te dragen. Nee, hij hoeft niet klein te zijn, komt u maar gewoon. (Willen een paar van de oudsten bij mij komen staan als u wilt, op dit ogenblik?) Hoe oud? Twee-en-een-half jaar oud. Wat is zijn naam? Scott, Scott Ford, de kleine Scott Ford, vier-en-een-half jaar oud, wil deze morgen worden opgedragen aan zijn Heer en Redder, Jezus Christus. Zijn moeder brengt hem. (Kom maar naar voren, broeder.)

254 Genadige Heer, wij brengen deze kleine baby hier deze morgen bij U, om hem op te dragen. Wij leggen onze handen op de kleine baby, deze kleine jongen, en vragen dat de kracht die Jezus uit het graf deed opstaan, deze kleine jongen zal levend maken. God, moge hij leven in gezondheid en kracht. Moge hij leven, Here, tot Uw eer. Wat bent u reeds begonnen deze baby te helpen, en wij danken U ervoor. En ik bid, dat U verder met de kleine kerel zult zijn. Wees met zijn ouders, zijn geliefden. Wij weten, en er wordt ons geleerd, dat alle dingen meewerken ten goede voor hen, die de Here liefhebben. En hoe deze dingen soms mensen dichter tot U trekken. Ik bid, dat U de zegeningen zult toestaan, die wij vragen. En nu Vader, in gehoorzaamheid aan Uw Woord, dragen wij deze kleine jongen aan U op, in de Naam van Jezus Christus. Moge U zijn kleine geest, ziel en lichaam aannemen en hem gebruiken voor Uw eer. Amen.

255 God zegene u, zuster. God zegene je, kleine Scott. Wat zijn wij de Here daar dankbaar voor!

256 Nu, wie zullen er gaan worden gedoopt? Er is een groep mensen, die gedoopt zal worden, geloof ik. Laten wij zingen, terwijl wij ons daarvoor gereedmaken. Ik zal zeggen wat we zullen doen, laten we zingen... Ik zal het broeder Neville laten doen. Ik weet dat het in orde zou zijn. Goed, ja, broeder Neville?

257 Hebt u de Here lief? Zeg dan: "Amen." [Dan antwoordt de gemeente: "Amen." – Vert] Zult u voor mij bidden? [De samenkomst antwoordt: "Amen." – Vert] Amen. Amen.