Hoofdmenu  
Home English (United States)
Download  
audioE-BookPrint
AudioAudio
mp3 Download mp3mp3 is een populaire audioformaat dat op vrijwel alle mediaspelers te beluisteren is. meer info...
m4b Download m4bM4B is een Audiobook formaat voor Apple apparatuur (iPod, iPhone etc...) Uw plek wordt bewaard e.d. meer info...
E-BookE-Book
ePub Download ePubePub is de meest gangbare formaat voor E-Book readers. Het heeft geen absolute paginaindeling. meer info...
pdf Download PDFPDF is het meest ondersteunde formaat met absolute pagina indeling. meer info...
xps Download XPSXPS is een relatief nieuw formaat dat vanaf Windows 7 gelezen kan worden zonder extra software te installeren. meer info...
printPrint
book Download PDFPDF ingedeeld als printbaar boekje (dubbelzijdig printen en in het midden vouwen en nieten). meer info...
xpsbook Download XPSXPS document ingedeeld als printbaar boekje (dubbelzijdig printen en in het midden vouwen en nieten). meer info...

Waarom schreeuwen? Spreek!

Door William Marrion Branham

1 De Here zegene u! Laten we een moment blijven staan terwijl we onze hoofden buigen. Is er een speciaal verzoek? Als u dat zou willen, laat het bekend worden door uw hand op te heffen tot God, om daardoor te zeggen: "Heer, U kent mijn nood."

2 Hemelse Vader, wij zijn inderdaad een bevoorrecht volk deze morgen om verzameld te zijn in het huis van God, terwijl wij weten dat er zo velen zijn die in het huis van God zouden willen zijn vanmorgen, en die in ziekenhuizen zijn en op het ziekbed liggen. En Gij hebt ons dit voorrecht gegeven om hier vandaag te zijn. En we zijn nooit gekomen, Heer, om door elkaar te worden gezien, hoewel we van onze gemeenschap met elkaar houden, want we zouden dat in onze huizen kunnen doen. Maar wij zijn hier gekomen om gemeenschap te hebben met Hem, Die ons heeft samengebracht als geliefde kinderen en broeders.

3 Wij danken U nu. En de enige manier die we kennen om op de juiste wijze gemeenschap met U te hebben, is rondom Uw Woord. Uw Woord is de Waarheid. Wij komen hier samen voor geestelijke kracht. Wij hebben het nodig, Here. Wij moeten kracht hebben om de kruizen te verdragen die wij dragen. En wij bidden dat U de grote Heilige Geest vandaag zult zenden en ons allen zult versterken. Sta de verzoeken van Uw volk toe, daar zij samengekomen zijn en hun handen tot U hebben opgeheven dat zij zulke dingen van node hebben. Beantwoord elk ervan, Heer.

4 Wij danken U dat U gisteravond het leven van onze zuster Ungren hebt gespaard in het ongeluk op de weg hierheen. Gij was genadig voor hen, Heer, en wij danken U daarvoor. En nu bidden wij, hemelse Vader, dat U zult doorgaan met bij ons te zijn, en ons te helpen als wij voortreizen, elk en ieder van ons. Geef ons Uw ondersteunende kracht en het geloof van het weten dat Uw nimmer falende tegenwoordigheid bij ons zal zijn. In dat uur wanneer wij onszelf niet kunnen helpen, weten wij dat de engelen Gods gelegerd zijn rondom degenen die Hem vrezen. En zij zullen ons dragen, opdat wij onze voet niet te eniger tijd aan een steen stoten. We bidden nu dat U ons van Uw zegeningen voor het Woord zult geven, en door ons en in ons zult spreken; in Jezus Christus' Naam. Amen.

5 Ik ben dankbaar dat de zonneschijn buiten, de zon van het zonnestelsel, schijnt. Het was vanmorgen erg slecht. En ik denk dat we vooral in dit land zoveel somber, zwaarmoedig weer hebben. En het is erg goed om te zien dat de zon schijnt, tevoorschijn komt.

6 De kleine familiereünie vandaag... Ik ontmoet mijn broers – en ze zijn in mijn zusters huis – en enigen van onze familie uit de omgeving van de stad en uit de omtrek. Er is een hele groep van de Branhams. Als zij hier allemaal samen zouden komen vanuit Kentucky, vermoed ik dat we de stad zouden moeten afhuren; er zijn er zoveel. Maar gewoon een kleine thuiskomst. Vroeger kwamen we allen in mama's huis samen en zij was de oude verbindende schakel die ons zo'n beetje samenhield. Maar God haalde deze schakel naar de hemel en ik hoop dat we elkaar daar allen op een dag zullen ontmoeten.

7 En nu, ik zei onlangs: "Weet je, ik geloof dat ik mijn zondagsboodschappen zal inkorten tot ongeveer twintig àdertig minuten en dan bidden voor de zieken." En ik dacht daar deze morgen aan.

8 En ik dacht gisteravond, toen zuster Downing mij belde en zei dat... ze belde Billy en zei dat zij en zuster Ungren op weg hierheen over de weg waren geslipt en een ongeluk hadden gehad. En terwijl Billy nog steeds bij het venster stond, omstreeks... ik weet niet hoe laat het was, misschien ergens in de morgen. Ik had een poosje geslapen. Ik keek in de richting van broeder Woods huis: de lichten waren uit. En ik knielde even neer om te bidden en toen ik dat deed, zei iets eenvoudig tegen mij: "Het is in orde." Dus toen zei ik tegen Billy: "Vertel haar, dat alles", dacht ik, "in orde zou zijn." Ik ben zo blij hen deze morgen binnen te zien zitten in het huis des Heren, hier terug na het ongeval op de weg.

9 Een volk dat u zozeer liefheeft dat ze van honderden kilometers ver komen om het Evangelie te horen, toen dacht ik: "Een boodschap van twintig minuten en terwijl ik zo langzaam ben, dat zou niet goed zijn." Dus ik dacht dat ik gewoon... zólang.

10 En toen hoorde ik broeder Ungren, haar zoon, vanmorgen Hoe groot zijt Gij zingen. Hij betekent vanmorgen meer voor hem dan gistermiddag, omdat de grote God des hemels zijn dierbare, geliefde moeder en zuster spaarde.

11 Nu, vandaag verwachten wij een geweldige tijd in de Here. En ik had hier twee of drie verschillende teksten waar ik naar keek en ik kon gewoon niet uitmaken over welke ik vanmorgen zou spreken. Een ervan was: Werp uw zorgen op Hem, want Hij zorgt voor u. Nu, als Hij zorgt, waarom u niet?

12 Dus toen, een andere... Billy Paul... of niet Billy Paul, mijn andere zoon, Joseph, bracht mij deze tekst een lange tijd geleden. Hij zat op een dag in de kamer en hij zei, omhoog kijkend naar de plaat, en Billy... of Joseph is erg verzot op boten, zoals kleine jongens; boten en paarden, weet u. En hij zei tegen mij: "Pappie, heeft Jezus een boot?"

     En ik zei: "Dat weet ik niet."

13 Dus toen hij was opgestaan en naar buiten was gegaan, dacht ik zo: "Heeft Hij een boot?" En ik nam daar een tekst uit, ik het heb hier in mijn notitieboek aangetekend: Heeft Jezus een boot? Ik dacht zo, dat toen Hij hier op aarde was, dat Hij een schoot moest lenen om in geboren te worden, een graf om in begraven te worden, een boot om vanuit te prediken, maar Hij is de Loods van het oude schip van Sion. Zeker is Hij dat. Maar die teksten waaraan ik dacht; ik denk dat ik ze misschien later kan nemen, voordat we vertrekken om terug te gaan.

14 U weet dat ik ervan houd om hier vanuit de Tabernakel te spreken, omdat het onze eigen gemeente is. We voelen ons vrij om te zeggen wat de Heilige Geest ook zegt. In andere plaatsen, zelfs al wil men maken dat je je welkom voelt, voel je je wat belemmerd omdat je in iemand anders' gemeente bent. En je wilt heer genoeg zijn om hun gedachten en leerstellingen te eerbiedigen.

15 Ik had deze week een wonderbare tijd op broeder Burchams bedrijf daar. Ik ging de fabriek in waar ze kaas maken. Ik zie dat hij, zijn vrouw en zoon en de anderen vanmorgen aanwezig zijn. Ik dacht altijd dat een kaasfabriek net zoiets zou zijn als andere bedrijven waar ik ben geweest, o, een beetje slordig en vuil. My, ik kan één ding zeggen, u kunt er echt verzekerd van zijn dat die plaats niet vuil is. Dat was de schoonste plaats waar ik ooit binnenging, speciaal in een fabriek. En ik besefte het niet; ik dacht: "O, misschien maken ze zo'n honderd pond kaas per dag" En zij maken er elke dag zes ton! En drie fabrieken draaien er. Ik dacht:"O my, wie eet al die kaas?"

16 Maar de Here heeft deze man gezegend. Ik had het voorrecht in zijn huis te zijn, een zeer lieflijk thuis, een fijne toegewijde vrouw. En er is geen reden waarom zij niet elke dag voor Christus zouden leven, zoals zij doen. Ik ontmoette zijn zoons en het zijn erg fijne kinderen. We zijn zo dankbaar voor deze gemeenschap die we met elkaar hebben.

17 Ik ontdekte dat hun vorige voorganger een man was die ik ken, broeder Gurley, een erg fijne man van het Verenigde Pinkstergeloof, die ik jaren geleden ontmoette in Jonesboro, Arkansas. En ik wist niet dat zij waren... dat hij zijn voorganger was.

18 Nu, denk aan de diensten deze avond. En dan, zo de Here wil, hopen we de volgende zondag opnieuw te spreken. Vervolgens geloof ik dat ik dan de volgende zondag naar Chicago moet gaan. Dan zal ik een poosje weg zijn. Ik moet het gezin terug naar huis brengen, terug naar Arizona, zodat ze – de kinderen – zich weer kunnen laten inschrijven op school. En dan zullen we ophouden de herder te plagen door zijn diensten in beslag te nemen.

19 Dus we zijn broeder Neville erg dankbaar voor zijn gastvrijheid, weet u, om mij uit te nodigen. En hij is zo... broeder, ik mag zo'n man als hij, in wie geen bedrog is; daar is geen zelfzucht; gewoon echt christendom. Ik houd daarvan.

20 Nu, we zullen iets van de Schrift lezen en dan de uitlegging geven. Ik weet niet precies hoe laat we klaar zullen zijn met deze lange boodschappen, maar ik denk... Ik sprak onlangs over het zo lang spreken, en iemand zei: "Welnu, als u maar een paar minuten sprak, en u spreekt toch al zo'n beetje in geheimenissen, dan zouden we nooit in staat zijn om het te begrijpen. Blijf gewoon doorspreken, en na een poosje wordt het duidelijk", zei hij... Dus misschien wil de Here dat wij het op die wijze doen.

     Laten we ons opnieuw buigen.

21 Heer, Uw Woord ligt open op de kansel en we beseffen dat het op een dag voor de laatste keer gesloten zal worden, dan zal het Woord vlees zijn. En dan zijn we dankbaar voor deze tijd vanmorgen. En open voor ons, door Uw Heilige Geest, de inhoud van dit Woord dat we zullen lezen. Moge de Heilige Geest ons vandaag de dingen leren die we behoorden te weten. En mogen we dan op onze beurt aandachtig luisteren naar elk woord, er diep over nadenken. En mogen dan degenen die luisteren door middel van de band, mogen zij aandachtig luisteren. En mogen wij in staat zijn te vatten wat de Heilige Geest aan ons probeert te openbaren. Want we beseffen dat als Hij ons zou zalven, de zalving dan niet tevergeefs is. Het is voor een doel, opdat het zou mogen uitwerken ten goede voor de Here. En mogen onze harten en ons begrip openstaan, Heer.

22 Mogen we vrijmoedigheid hebben om te spreken, en vrijheid om te horen, en toegang tot geloof, om te geloven wat we hebben gehoord, omdat het komt van Gods Woord, opdat ons eeuwig leven zou mogen worden toegerekend in de geweldige dag die komende is. Zegen ons vandaag. Veroordeel ons wanneer wij ongelijk hebben. Laat ons de fouten weten die we hebben. En zegen ons op de weg die goed is, opdat we zouden mogen weten welke weg te gaan en hoe te handelen in deze tegenwoordige wereld, opdat we in ons leven hier eer zouden mogen bewijzen aan Jezus Christus, Die stierf om ons leven te geven in het geweldige hiernamaals. Wij vragen dit in Jezus' Naam. Amen.

23 Nu, ik wil vanmorgen uit twee gedeelten uit de Schrift lezen. Een ervan wordt gevonden in het boek Exodus; eigenlijk zijn ze beide uit het boek Exodus. Het ene staat in het dertiende hoofdstuk, het eenentwintigste en tweeëntwintigste vers. En het volgende is het veertiende hoofdstuk, het tiende, elfde en twaalfde vers. Nu, ik zal lezen vanaf Exodus 13:21.

     En de HEERE trok voor hun aangezicht, des daags in een wolkkolom, dat Hij hen op de weg leidde, en des nachts in een vuurkolom, dat Hij hen lichtte, om voort te gaan dag en nacht.
     Hij nam de wolkkolom des daags, noch de vuurkolom des nachts niet weg van het aangezicht van het volk.

24 Nu, in Exodus 14, het tiende vers:

     Toen Faraö nabij gekomen was, zo hieven de kinderen Israëls hun ogen op, en ziet, de Egyptenaars trokken achter hen; en zij vreesden zeer; toen riepen de kinderen Israëls tot de HEERE.
     En toen zeiden... tot Mozes: Hebt gij ons daarom,... (Neem me niet kwalijk.) En zij zeiden tot Mozes: Hebt gij ons daarom, omdat er in Egypte gans geen graven waren, weggenomen, opdat wij in deze woestijn sterven zouden? Waarom hebt gij ons dat gedaan, dat gij ons uit Egypte uitgevoerd hebt?
     Is dit niet het woord, dat wij in Egypte tot u spraken, zeggende: Laat af van ons, en laat ons de Egyptenaars dienen? Want het ware ons beter geweest de Egyptenaars te dienen, dan in deze woestijn te sterven.

25 Ik zal nog een paar verzen meer lezen.

     Doch Mozes zeide tot het volk: Vreest niet,... (Nu, luister aandachtig.) ... Mozes zeide tot het volk: Vreest niet, staat vast, en ziet het heil des HEEREN, dat Hij heden aan u doen zal, want de Egyptenaars, die gij heden gezien hebt, zult gij niet weer zien in eeuwigheid.
     De HEERE zal voor u strijden, en gij zult stil zijn.
     Toen zeide de HEERE tot Mozes: Wat roept gij tot Mij? Zeg de kinderen Israëls, dat zij voorttrekken.
     En gij, hef uw staf op, en strek uw hand uit over de zee, en klief ze, dat de kinderen Israëls door het midden van de zee gaan op het droge.
     En Ik, zie, Ik zal het hart van de Egyptenaars verstokken, dat zij na hen daarin gaan; en Ik zal verheerlijkt worden aan Faraö en aan heel zijn leger, aan zijn wagens en aan zijn ruiters.
     En de Egyptenaars zullen weten, dat Ik de HEERE ben, wanneer Ik verheerlijkt zal worden aan Faraö, aan zijn wagens en aan zijn ruiters.
     En de Engel Gods, Die voor het heer van Israël ging, vertrok, en ging achter hen; de wolkkolom vertrok ook van hun aangezicht, en stond achter hen.
     En zij kwam tussen het leger der Egyptenaars, en tussen het leger van Israël; en de wolk was tegelijk duisternis en verlichtte de nacht; zodat de een tot de ander niet naderde de ganse nacht.
     Toen Mozes zijn hand uitstrekte over de zee, zo deed de HEERE de zee weggaan, door een sterke oostenwind, die ganse nacht, en maakte de zee droog, en de wateren werden gekliefd.
     En de kinderen Israëls zijn ingegaan in het midden van de zee, op het droge; en de wateren waren hun een muur, aan hun rechter- en aan hun linkerhand.
     En de Egyptenaars vervolgden hen, en gingen in, achter hen, al de paarden van Faraö, zijn wagens en zijn ruiters, in het midden van de zee.
     En het geschiedde in dezelfde morgenwake, dat de HEERE, in de kolom des vuurs en der wolk, zag op het leger van de Egyptenaars: en Hij verschrikte het leger van de Egyptenaars.
     En Hij stiet de raderen van hun wagens weg, en deed ze moeizaam voortgaan. Toen zeiden de Egyptenaars: Laat ons vluchten van het aangezicht van Israël, want de HEERE strijdt voor hen tegen de Egyptenaars.

26 Het Woord van de Here is zógeweldig, zógoed, er is gewoon geen manier om op te houden het te lezen. Het wordt gewoon leven naarmate we het lezen. Ik denk dat ik deze morgen in deze tekst, hoewel het op de band wordt opgenomen, dit in het begin wil zeggen: het vindt... ik vind mezelf erin. En de reden dat ik... Gisteren, terwijl ik aan het studeren was en ik op dit onderwerp kwam, dacht ik: "Ik zal gewoon, zo de Here wil, daarover gaan spreken omdat het me tot wanhoop drijft." En ik hoop dat het ons allemaal tot wanhoop drijft, zodat we het zullen inzien; en dat het maakt dat we omhoog zien; en om een beetje te studeren door de dag van toen te vergelijken met de dag van heden.

27 Ik wil drie woorden als tekst nemen en dat is: Waarom schreeuwen? Spreek! God zei tot Mozes hier in het vijftiende vers: "Wat roept gij tot Mij? Spreek tot de mensen, dat ze voorttrekken." En, Waarom schreeuwen? Spreek!

28 Nu, we hebben nogal een onderwerp, en ik zal proberen het zo vlug mogelijk door te nemen, zoals de Heilige Geest het leidt. En ik wil denken aan deze tekst, waarin Mozes het uitroept tot God in de tijd van moeilijkheden, en dat God Mozes een berisping geeft precies toen de moeilijkheden aan de gang waren. En het is gewoon de natuur, lijkt het wel, dat iemand het uitroept. En wat is het dan een berisping als God Zich omwendt en hem bestraft, omdat hij dit zegt, omdat hij het tot Hem uitroept. Het lijkt alsof het een zeer moeilijke zaak is.

29 Vele keren wanneer we de Schriften bezien, op onze eigen manier van kijken, dan schijnt het erg zwaar. Maar als we er een poosje dieper op ingaan, ontdekken we dat de alwijze God weet wat Hij doet. En Hij weet hoe Hij deze dingen moet doen en hoe Hij met de mens moet handelen. Hij weet wat in de mens is. Hij, Hij kent hem. Wij niet. Wij kennen hem alleen vanaf de intellectuele kant. Hij weet wat werkelijk in de mens is.

30 Mozes werd in deze wereld geboren als een jongen met gaven. Hij werd geboren om een profeet te zijn, een bevrijder. Hij werd geboren met de toerusting in hem, zoals elk mens die op de wereld komt, wordt geboren met deze toerusting, daar ik vast geloof in de voorkennis van God, de voorbestemming.

31 Niet dat God wil dat iemand verloren zou gaan, maar dat allen tot bekering zouden mogen komen. Maar omdat Hij God is, moest Hij weten, en weet Hij ook het einde vanaf het begin. Zie? Als Hij dat niet weet, dan is Hij niet oneindig; en als Hij niet oneindig is, dan is Hij geen God. Dus Hij wilde zeker niet dat er iemand verloren zou gaan, maar Hij wist wie verloren zou gaan en wie niet verloren zou gaan. Dat is de reden, het eigenlijke doel waarvoor Jezus naar de aarde kwam, om diegenen te redden waarvan God door Zijn voorkennis had gezien dat ze gered wilden worden, zie, omdat de gehele wereld veroordeeld was. En ik zie niet hoe wij het ooit anders zouden kunnen onderwijzen dan dat het is door de voorkennis van God, en de Bijbel zegt duidelijk dat "Hij het einde vanaf het begin weet", en het kan zeggen.

32 Daarom, wanneer iemand probeert iets te zijn wat hij niet is, dan doet hij alleen maar iets na, en vroeg of laat zal het uitkomen. Uw zonden zullen u achterhalen. U kunt ze niet bedekken. Er is slechts één bedekking voor de zonde: dat is het bloed van Jezus Christus, en dat kan niet aangebracht worden tenzij God u heeft geroepen vanaf de grondlegging der wereld. Daarvoor werd dat bloed gestort; niet om te worden vertreden en belachelijk gemaakt, of om ermee te onderhandelen, of er kwaad over te spreken, enzovoort. Het was voor een bepaald doel. Dat is juist. Niet om ermee te spelen; niet om te worden nagebootst door te zeggen dat de zonden bedekt zijn terwijl ze het niet zijn. En geen mens kan zijn zonden bedekt hebben tenzij zijn naam werd gezet in het boek des levens van het Lam voor de grondlegging der wereld. Jezus zei Zelf: "Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat Mijn Vader hem trekke. En allen die de Vader Mij gegeven heeft," verleden tijd, "zullen tot Mij komen." Dat is juist. U kunt die woorden dus niet laten liegen. Ze staan daar als de Waarheid en als vermaning.

33 En Mozes werd geboren met een gave van geloof; Mozes had een groot geloof. We zien het na een tijdje in hem naar voren komen. En hij werd geboren in een vooraanstaande familie, omdat we weten dat zijn vader en zijn moeder uit een familie van Levi afstamden. Want het verhaal hier – dat hieraan voorafging in het boek Exodus – geeft het leven van deze grote persoonlijkheid zo prachtig weer. En hij was een van de... de grootste karakters van de Bijbel, want hij was een nauwgezette typering van de Here Jezus.

34 Zijn geboorte was erg vreemd, zoals bij de Here Jezus. Hij werd geboren in een tijd van vervolging, zoals de Here Jezus. Hij werd geboren om een bevrijder te zijn, zoals de Here Jezus. Hij werd door zijn ouders verborgen voor de vijand, zoals de Here Jezus. En hij kwam tot zijn tijd van dienen, zoals de Here Jezus. Hij was een leider, zoals de Here Jezus. Hij was een profeet, zoals de Here Jezus. En hij was een wetgever, zoals de Here Jezus.

35 En we ontdekken dat hij stierf op de rots, en hij moet weer zijn opgestaan en alles, want achthonderd jaar later stond hij op de berg der verheerlijking, sprekend met de Here Jezus. Zie? Engelen droegen hem weg. Niemand weet waar hij is begraven. Zelfs de duivel wist dat niet. Eerlijk gezegd geloof ik niet dat hij ooit werd begraven. Ik... ik geloof dat God hem wegnam en dat hij stierf op de rots die hij al de dagen van zijn leven had gevolgd.

36 En hij was een volmaakt type van Christus. Hij was een koning over het volk; hij was een wetgever; hij was een... hij was iemand die het volk droeg. Hij was alles in type wat Christus was.

37 Nu dan, we zien dat hij werd geboren met deze geweldige gaven en kwaliteit in zich. Dan was het alleen nodig dat daar iets overheen zou flitsen om die zaak tot leven te brengen.

38 Ziet u, het zaad van God is eigenlijk in ons gelegd vanaf de grondlegging der wereld. En zodra dat licht op dat zaad valt, brengt dat het tot leven, maar het licht moet eerst op het zaad komen.

39 Zoals ik vele keren heb onderwezen over de kleine vrouw bij de bron, zij, in die toestand. Hoewel zij een slecht bekendstaand persoon was, hoewel haar leven ontaard was en zij zich in die toestand bevond, omdat die tradities haar nooit hadden beroerd; maar toch, toen dat licht haar voor de eerste keer trof, herkende zij het snel, omdat daar iets was wat weerklank vond. "Wanneer de diepte roept tot de diepte"; er moet ergens een diepte zijn om te reageren op die roep.

40 En hier werd Mozes geboren als deze profeet, maar hij werd opgevoed in een intellectuele school en in Farao's paleis. De Farao Seti, onder wie hij werd opgevoed, was een man die nog steeds eerbied had en geloofde dat Jozef de profeet van de Here was. Maar na Seti kwam Ramses, en Ramses trok zich van Jozef niets aan. En daarom begonnen toen dus de moeilijkheden, nu, toen er een Farao opkwam die Jozef niet kende.

41 Maar laten we even over deze grote kwaliteiten spreken, voordat we tot het hoofdthema van de tekst komen. Ik heb een vreemde manier om een tekst te bepalen en er dan op voort te bouwen, en de Here helpe ons deze morgen als we erop voortbouwen.

42 Mozes, die werd geboren met deze grote gave van geloof, werd vervolgens gezalfd en kreeg de opdracht bij de brandende struik om Gods volk te bevrijden. Nu, ziet u eens wat een geweldige kwaliteiten deze man had! Hij werd geboren voor een bepaalde zaak. God had er een doel mee.

43 God heeft er een doel mee dat u hier bent. Zie? Als u slechts tot die plaats kunt geraken, bespaart u God veel moeite, en uzelf ook.

44 Nadat Mozes was geboren, werd hij naar de plaats gebracht waar hij werd gezalfd. En merk op, het zaad lag daar met een intellectuele opvatting – met al het geloof dat hij was geboren om dit volk te bevrijden – maar toch kwam het nooit eerder tot leven dan dat dat licht uit de brandende struik erover flitste; totdat hij had gezien – niet iets wat hij erover las – maar iets wat hij met zijn ogen had gezien; iets wat tot hem sprak en waartegen hij terug sprak. O, hoe liet dat de dingen tot leven komen.

45 Ik geloof dat voor elke man met een... of vrouw, jongen of meisje. En ik geloof dat met de intellectuele opvatting van wat zij denken dat het Woord is, enzovoort, ze nooit een volledig gefundeerd standpunt kunnen hebben, totdat ze dat licht hebben ontmoet wat dat Woord tot werkelijkheid maakt.

46 Ik geloof dat geen kerk in haar praktijk, ongeacht hoe intellectueel en fundamenteel ze ook zou mogen zijn... dat die kerk niet kan gedijen totdat het bovennatuurlijke bekendgemaakt is onder die mensen, en ze het zien. Iets waartegen ze kunnen spreken, wat tot hen terug zal spreken, wat dit geschreven Woord bevestigt.

47 Nu bedenk, toen Mozes deze brandende struik ontmoette, werd dat Woord precies betuigd. Het was het Woord. Mozes hoefde zich geen zorgen te maken: "Wat heeft deze stem allemaal te betekenen? Wat is dit Wezen hier?" Omdat God reeds in de Schrift in Genesis had geschreven: "Uw volk zal in dit vreemde land verblijven, maar zij zullen na vierhonderd jaar teruggebracht worden, zij zullen weer in dit land terugkomen, want de ongerechtigheid van de Amorieten is nog niet vervuld." Nu, honderden en honderden jaren tevoren had God gezegd dat Israël zou verblijven en mishandeld zou worden in een vreemd land, en daar vierhonderd jaar zou blijven. Maar God zou hen er met een machtige hand uitleiden. Dus, ziet u, bij dit brandende bosje...

48 Mozes wist dit verstandelijk. En het zaad dat in hem was geboren, lag in zijn hart. En hij had door middel van zijn intellectuele ervaring met het Woord geprobeerd hen eruit te brengen, hen te bevrijden, omdat hij wist dat hij voor dat doel geboren was. Hij wist daarvan, de tijd. Al de Schriften spraken dat zij daar reeds vierhonderd jaar waren geweest.

49 Precies zoals wij het nu weten, zoals een man mij een paar ogenblikken geleden vroeg over de komst en de opname. Wij weten het. We hebben de tijd uitgeleefd. De tijd van de opname is op handen, en we zien uit naar een opnamegeloof dat de gemeente kan samentrekken en haar een bovennatuurlijke kracht kan geven, die deze lichamen waarin wij leven, kan veranderen. Wanneer we een God zien Die de dode van de vloer kan doen opstaan, of van het erf buiten, en hem weer terug tot leven kan brengen en hem voor ons stellen; wanneer we een God zien Die een kanker kan wegnemen die een man tot een schaduw heeft doen wegteren, en hem doen opstaan tot een sterke en gezonde man, behoorde dat opnamegeloof te geven aan de mensen. Dat, wanneer dat licht van de hemel flitst en de bazuin schalt, het lichaam van Christus snel bijeen vergaderd zal worden, en in een oogwenk veranderd, en zal worden opgenomen in de hemel. Ja, er moet iets dergelijks gebeuren. En onze theologische scholen kunnen dat nooit voortbrengen, toch zijn ze intellectueel in orde. Maar u zult dat licht moeten ontmoeten! U zult dat Iets moeten vinden.

50 En hier baseert Mozes zijn geweldige roeping op het Woord – en het was groots – tot hij op een dag dit licht ontmoette en het Woord Zelf tot hem terug sprak. Toen kreeg hij zijn zalving. Dat zalfde hetgeen hij in zich had, datgene aan de binnenkant, het verstand dat het geloofde, het geloof dat was gebaseerd op zijn geloof in God, dat hem scheidde van zijn moeder. En nu, toen hij in de tegenwoordigheid van dit licht geraakte, zalfde het datgene wat hij geloofde. Zie? Wat een zalving! En hij kreeg een opdracht.

51 Nu, we weten dat hij met zijn verstand zijn moeder had gehoord. Hij wist wat er zou gaan plaatsvinden en hij wist dat hij leefde in die dag. Maar hier ontdekte hij dat hij een mislukkeling was, dus hij zou... zijn geloof zou misschien een beetje kunnen zijn verminderd. Maar toen hij bij de struik kwam, zei God: "Ik heb het roepen van Mijn volk gehoord en Ik gedenk aan Mijn belofte aan hun vaderen, Abraham, Izak en Jakob, en Ik ben neergedaald." "Ik" daar, het persoonlijk voornaamwoord, "Ik ben neergedaald om hen te bevrijden."

52 En nu, en mag ik dit er gewoon even aan toevoegen als het... God vergeve mij als het heiligschennend klinkt. "Ik werk niet op aarde dan door de mens. Ik... Ik ben de Wijnstok, gij zijt de ranken. En Ik maak Mijzelf alleen bekend wanneer Ik een mens kan vinden. En Ik heb u gekozen, en Ik zend u erheen om ze eruit te halen." Ziet u? Nu, let op: "Ik zal met uw mond zijn en Ik... neemt gij deze staf."

53 En Mozes zei: "Kan ik een bewijs zien dat U mij zult zenden en dat U mij hebt gezalfd en dat U deze dingen zult gaan doen?"

     Zei: "Wat heb je in je hand?"

     Hij zei: "Een stok."

     Zei: "Werp hem neer." Hij veranderde in een slang. Hij vluchtte.

54 Hij zei: "Pak hem op." Hij veranderde weer in een stok. Zei: "Steek je hand in je boezem." Haalde hem eruit en hij was melaats. "Steek hem terug", en hij was genezen.

55 Hij zei dat hij de heerlijkheid Gods zag. Er waren geen vragen meer voor Mozes. Hebt u ooit opgemerkt dat hij nooit meer de woestijn in rende? Hij wist dat hij gezalfd was. Hij wist vanwaar al deze dingen kwamen die in zijn hart waren geweest, deze geweldige, fijne kwaliteiten, en hij... ze waren nu gezalfd. Hij... hij is gereed. Hij is gereed om te gaan. Dus daar gaat hij op weg naar Egypte.

56 God had gezegd: "Ik zal met u zijn", dus dat maakt het vast. Want, "Ik zal met u zijn", was alles wat Mozes moest weten voor deze geweldige roep in zijn hart. En nu zei God: "Ik zal met u zijn."

57 Nu, God had ook Mozes' verklaring bevestigd. Mozes verklaarde: "Ik ontmoette de Here. En Hij zei me u te zeggen dat 'IK BEN' mij zond." Zie?

58 Nu zeiden ze: "Hier is een man, weer zo'n Jood, waarschijnlijk een van die fanatici die steeds weer opduiken met allerlei plannen om ons uit de slavernij te halen." En u weet hoe mensen zijn wanneer zij slaven zijn, of in slavernij vanwege iets, dan komt er altijd wel een bepaalde grappenmaker aanzetten, weet u, om dat te doen.

59 Dus Mozes... God beloofde Mozes: "Ik zal met u zijn. Ik zal in u zijn. Mijn woorden zullen uw woorden zijn. Spreek Mijn woorden en zeg alleen wat Ik zeg."

60 En nu, toen Mozes heenging en deze oproep deed en voor Farao stond en hem vertelde dat de Here God van de Hebreeën zei: "Haal de kinderen eruit", wilde hij hen niet laten gaan. Dus hij deed een teken voor de oudsten en voor Farao, en de tekenen die God deed. Hij zei: "Nu, morgen omstreeks deze tijd zal de zon ondergaan. Er zal duisternis zijn over heel Egypte." En het kwam helemaal precies te geschieden. En toen zei hij: "Er komen vliegen over het land", en hij strekte zijn staf uit en riep om vliegen en er kwamen vliegen. En hij profeteerde en alles wat hij profeteerde, gebeurde helemaal precies op die wijze. Het was God. Zie?

61 God had hem vanaf zijn geboorte geroepen, legde kwaliteiten in hem van groot geloof, en kwam toen neer met Zijn tegenwoordigheid en zalfde dat geweldige in hem, en zond hem heen met Zijn Woord, en wat hij beweerde werd duidelijk betuigd. Ongeacht hoeveel kwakzalvers er waren opgestaan, hoeveel er van deze andere dingen waren gebeurd, God sprak en Mozes werd geïdentificeerd. Mozes, wat Mozes zei, eerde God! Ik wil dat u dat Woord nooit vergeet. Wat Mozes zei, eerde God, omdat Gods Woord in Mozes was. "Ik zal met uw mond zijn, die zal de juiste dingen spreken." Nu, wat God zegt... wat God zegt, spreekt Hij door Mozes heen, en het bevestigde en betuigde zijn beweringen.

62 Ook was hem door zijn moeder over zijn geheimzinnige geboorte verteld, en hoe de tijd dichtbij het uur kwam dat er een bevrijding zou zijn. Amram en Jochebed, uit de zonen en dochters van Levi, begonnen tot God te bidden om een bevrijder te zenden. En er is... wanneer je de tijd der belofte naderbij ziet komen, zet het de mensen aan tot bidden en tot hongeren. En ongetwijfeld had Jochebed het hem vele malen verteld, zijn moeder; want zij was ook zijn opvoedster, zoals wij het verhaal kennen. En ze had hem verteld hoe ze had gebeden. "En Mozes, toen jij geboren werd, zoon, was je een knap kind. Je was anders. Er gebeurde iets bij je geboorte."

63 Ik beeldde het niet lang geleden voor de kinderen uit, en ik zei: "Terwijl Amram in de kamer aan het bidden was, zag hij een engel die zijn zwaard trok en ermee naar het noorden wees, en zei: 'U zult een kind krijgen, en hij zal de kinderen meenemen naar het noorden, naar het beloofde land.'" Het zo uitbeeldend voor de kleine makkers zodat zij het zouden begrijpen; hun verstand is nog niet op het niveau van u volwassenen, die de zaak kunnen vatten zoals de Heilige Geest het u openbaart.

64 Nu, hoewel zijn moeder hem deze dingen had verteld, en hij dit wist, had hij toch nog een aanraking nodig. Het onderricht was fijn, maar hij had een persoonlijk contact nodig.

65 Dat heeft de wereld vandaag nodig. Dat heeft de gemeente vandaag nodig. Dat hebben allen nodig die zonen en dochters van God zijn. Om dat te zijn, hebt u een persoonlijk contact nodig. Zie? Iets. Ongeacht of u weet dat het Woord waar is; u weet dat het juist is, maar dan, wanneer het contact maakt en u ziet dat de zaak wordt gedaan, dan weet u dat u op de goede weg bent. Zie? En let op, het zal altijd schriftuurlijk zijn. Het zal zuiver bij de Schrift blijven, omdat het hier ook zo was.

66 Amrams gebed was volkomen volgens de Schrift. Hun gebeden waren in overeenstemming met het beloofde Woord. God beloofde het in die tijd te doen. Zij baden erom, en hier werd een knap kind geboren. En zij...

67 Let op! O, wat houd ik hiervan! Kijk, in het uur dat Farao al de kinderen ter dood bracht, zie, zij brachten ze om door het zwaard, het zwaard van de wachters; zij staken deze kleine kinderen dood, voerden ze aan de krokodillen – de lichaampjes – tot de krokodillen waarschijnlijk vet waren van de lichamen van de Hebreeuwse kinderen. Maar de Bijbel zei, dat de ouders Farao's bevel om de kinderen te doden niet vreesden. Zij vreesden niet. Ze waren niet bevreesd, omdat zij al van het begin iets in deze baby zagen. Zij zagen dat dit het antwoord op gebed was.

68 En nu had Mozes dit allemaal als achtergrond, dus Mozes wist dat hij was gezonden, zuiver voor het doel om de kinderen Israëls te bevrijden.

69 Kijk, al die achtergronden stapelen zich gewoon op. Wanneer je iets krijgt en je kunt de Bijbel halen die zegt: "Dit zal gebeuren," en hier gebeurt het; "en dit zal er op die tijd zijn," hier gebeurt het; "en dit zal gebeuren op dat bepaalde moment", daar gebeurt het; dan stapelt het zich allemaal op en tekent het een beeld voor ons.

70 O, hoe kan deze Tabernakel vanmorgen... hoe kunnen wij mensen van dit uur, broeder Neville, als we zien dat ons haar grijs wordt, onze schouders zich krommen, wanneer we de wereld zien waggelen en schudden zoals het gebeurt, hoe kunnen we dan om ons heen kijken en zien dat de belofte naderbij komt! Het is, het... ik denk vaak, als iemand daar eens plotseling middenin zou kunnen springen, die het niet zou begrijpen – of die het zou begrijpen, liever – en daar plotseling inkomt, dan zou het je bijna de eeuwigheid inzenden, door zo'n geweldige zaak voor de opname! Die het nog nooit had geweten, en dan, o, gewoon inbreken in de dingen die we hebben gezien en weten en begrijpen, en er plotseling helemaal middenin vallen. De man of de vrouw, jongen of meisje, zal waarschijnlijk de handen opheffen en zeggen: "Laten we gaan, Here Jezus", ziet u. O, wat is het uur toch nabij!

71 Mozes, wetend dat hij voor dat doel geboren was, keek uit de vensters en lette op die Hebreeën terwijl ze zwoegden; keek vervolgens hier in de Schrift, en daar stond: "En zij zullen er vierhonderd jaar verblijven, zie, maar Ik zal ze uitleiden met een machtige hand." Toen hij daarna terugkwam, na een opdracht, gezalfd, en wist dat hij geboren was... En zijn geloof keek, door geloof zag hij die mensen en wist hij dat zij de kinderen van God waren, omdat de wereld... het Woord het zei. Zij waren niet van de wereld, en ze waren niet zoals de anderen. Ze waren anders. Ze waren zonderlingen en fanatici vergeleken bij de geweldige bekoring van Egypte; en hij zou de zoon van Farao gaan zijn die als volgende het koninkrijk zou overnemen. Maar hij, er was iets diep in hem, een echt geloof dat niet naar die dingen keek, de schone schijn die hij zou beërven. Hij keek naar de belofte van God en hij wist dat de tijd naderbij kwam. En waar moet die man over hebben gedacht!

72 Ik wil er eens op een dag met hem over praten, wanneer ik hem aan de andere kant ontmoet. U zegt: "Dat is krankzinnig, broeder!" Nee, dat is niet zo. Ik zal hem ontmoeten door de genade van God. Jazeker. Ik zal op een dag met hem spreken, met Mozes zelf. En wat zou ik hem graag vragen hoe dat was toen hij zijn voorbereiding zag!

73 Hoe hij zich in de war liet brengen door de duivel, die zei: "Ach, de mensen zullen je toch niet geloven. Uh-huh. Dat stelt niets voor."

74 Maar toen dat zaad daar tot leven kwam, trof hem iets, en hij wist dat er iets zou gaan plaatsvinden. Hij wist het. Hij keek naar zijn klok en zag hoe laat het was, en hij wist het. En wat moet hij hebben nagedacht toen hij keek. Nu, toen hij dit alles bij elkaar had gekregen, al dit geweldige dat hij had gezien, de schriftuurlijke tijd, het gebed van zijn moeder en zijn vader en dat hij werd geboren met een eigenaardige geboorte, een vreemd kind. En steeds was er iets heel diep in hem geweest.

75 En nu glipt hij weg en probeert te bedenken dat hij de militaire training van zijn school zou kunnen gebruiken om de kinderen te bevrijden, en dat mislukt.

76 Dan gaat hij de woestijn in en trouwt met een lieflijk Ethiopisch meisje en zij hadden een kleine jongen, Gersom genaamd.

77 En op een dag terwijl hij de kudde hoedde, zag hij plotseling een struik bovenop de berg in brand staan. En hij ging naar boven. En het was niet iets intellectueels, geen inbeelding, geen zinsbegoocheling, geen gezichtsbedrog, maar in hem... Daar was de God van Abraham in een Licht, een Vuurkolom achterin een struik, dat vuur dat als golven uitstraalde maar de struik niet aantastte. En de stem van de Schrift, de stem van God, sprak daar doorheen en zei: "Ik heb u gekozen. Gij zijt de man. Ik deed u opstaan voor dit doel. Ik bewijs u hier door tekenen dat u zult heengaan om de kinderen te bevrijden, omdat Mijn Woord vervuld moet worden."

78 O, Zijn Woord van deze dag moet worden vervuld. We leven in het uur. Ongeacht wat iemand anders ook zegt; het Woord moet worden vervuld. Hemelen en aarde zullen voorbij gaan, maar Zijn Woord niet.

79 Nu, toen Mozes dit alles samen kreeg, en het van alle kanten bezag, zalfde het zijn geloof. Amen! O my! Wat een gedachte! Dit op zichzelf, het ziende in de Schrift, hoe het rechtstreeks aanwees wat het was, en het spreken van God en hoe het daar bewezen werd, zalfde dat geloof dat hij in zich had om aan het werk te gaan.

80 Wat behoorde het met ons te doen? Wij hebben een bekering nodig. Wij hebben een opwekking nodig. Ik zeg het voor mijzelf. Zie? Ik heb een door elkaar schudden nodig. Ik heb iets nodig. Ik zei dat ik vanmorgen tot mijzelf sprak, of over mijzelf. Ik... ik heb een... een ontwaken nodig.

81 En wanneer ik denk aan die grote betuiging, alles werd daar zo perfect aangetoond, en het zalfde het geloof van Mozes. En, my, hij zag dat er niets was...

82 Hier was hij Egypte ontvlucht, terwijl hij eigenlijk een opstand had kunnen uitroepen, of zoiets, en hij had... hij had kunnen opstaan en een revolutie beginnen in Egypte, en had een leger kunnen nemen en vechten, maar, ziet u... en hij had vele duizenden aan zijn kant. Maar in plaats daarvan was hij zelfs te bevreesd om dat te doen met legers aan zijn zijde.

83 Maar nu komt hij hier terug, veertig jaar later, tachtig jaar oud, met alleen een stok in zijn hand. Waarom? Wat er diep in zijn hart brandde, was werkelijkheid geworden. Hij was toen gezalfd en hij wist dat hij ZO SPREEKT DE HERE had. Er was niets wat hem nu nog zou tegenhouden. Hij had geen leger nodig. God was met hem. Dat was alles wat hij nodig had; God met hem.

84 O, wanneer u weet dat God u heeft gezonden om een bepaalde zaak te doen en u ziet het daar voortbewegen, is er niets wat er de plaats van kan innemen. Dat is alles.

85 Ik herinner mij de keren dat de Here mij vertelde dat er bepaalde dingen zouden gaan gebeuren, en dan ga ik voorwaarts en zie het daar precies bewezen worden, hoe... O, wat een gevoelen! De situatie is reeds onder controle, dat is alles, zie, omdat God het heeft gezegd.

86 Ik herinner me – velen van u herinneren het zich – de kleine jongen die in Finland werd opgewekt uit de dood; gedood door een auto. En ik stond daar aan de kant van de weg en begon bij dat kind vandaan te lopen en draaide me om en keek. En iets legde zijn hand op mijn schouder en ik dacht dat het broeder Moore was, maar er was niemand in mijn buurt. En ik keek om en toen keek ik omhoog naar de berg die ik zag. Ik zei: "Wel, ik heb die heuvel ergens gezien, maar we kwamen niet van deze kant. We kwamen van een andere kant. Waar is die heuvel?"

87 En ik keek en zag die auto daar verderop, vernield; ik zag die kleine jongen daar met zijn... daar liggen met een bloempotkapsel, zoals wij het hier zouden noemen. De ogen naar achteren gedraaid zoals die van broeder Way toen hij onlangs neerviel. En zijn voetje stak door de sok waar zijn kleine ledematen gebroken waren. En bloed liep uit zijn ogen, neus en oren. En ik zag zijn kleine, korte broek, hier vastgeknoopt met knopen langs de zijkant van zijn taille, en zijn kousen omhoog getrokken zoals de lange kousen die wij vele jaren geleden droegen.

88 En ik keek rond, en daar was het precies, precies zoals de Heilige Geest me twee jaar tevoren had verteld, toen u het allemaal door het hele land in uw Bijbel schreef dat het zou gebeuren. O, dan is daar de situatie onder controle. Ongeacht hoe dood hij is; ongeacht wat iemand anders ook zegt; het is allemaal voorbij. Hij móét terugkomen!

89 Ik zei: "Als dit kind niet opstaat uit de dood, dan ben ik een valse profeet; ben ik een verkeerde vertegenwoordiger van God. Want in mijn vaderland vertelde Hij mij twee jaar geleden dat dit zou gebeuren. En deze predikers daar, en zij allen, het staat op het schutblad van onze Bijbel geschreven en hier gebeurt het precies. Lees het op het schutblad hoe het zou zijn, in een land met overhangende rotsen, enzovoort. Hij zou gedood zijn aan de rechterkant van de weg." Ik zei: "Daar is het. Niets kan het tegenhouden. De situatie is reeds onder controle."

90 Het geloof dat binnenin mijn hart was, werd gezalfd. O, als ik dat slechts kon uitleggen! Het geloof dat God... dat ik in God had, dat me zei dat het nooit zou falen, vertelde mij: "De situatie is nu onder controle. Hier is precies wat Ik je twee jaar geleden toonde, en hier ligt het helemaal precies op orde. Het enige wat je moet doen is het Woord spreken!" En de kleine jongen stond op uit de dood. Zie?

91 Ik dacht eraan en keek hier achteraan naar broeder Fred Sothmann die daar zit, en broeder Banks Wood en de anderen. Onlangs op de Alaska Hoofdweg, hoe ik hier bij de kerk stond en u allen vertelde van een dier dat er uitzag als met hertshoorns van honderdvijf centimeter [tweeënveertig inch – Vert], en een zilvertip grizzlybeer. Ik was daar nooit eerder geweest en hoe de... dat ik deze zou krijgen, en hoe het zou gebeuren, en hoeveel er bij me zouden zijn, en hoe ze gekleed zouden zijn. En ieder van u weet het, weken en weken voordat het gebeurde.

92 En daar, toen ik daar terechtkwam, het niet wetend, lag daar dat dier. En ik liep erheen en hij... het was een onmogelijkheid. Als een jager het zou vernemen of naar deze band zou luisteren... je kunt niet recht op een dier aflopen; het zou opspringen en er vandoor gaan. Maar hij deed het niet.

93 En daar hangt hij in mijn studeerkamer. Daar hangt de zilvertip precies evenzo. En er ligt een duimstok, een meetlint om het precies aan te tonen. En een hoorn zal tenminste vijf centimeter of meer slinken, wanneer deze vers op het dier is en daarna opdroogt, maar deze kromp nooit. Hij is nog steeds op de kop af honderdvijf centimeter. Zie? Daar ligt de zilvertip, hij is gewoon precies twee meter tien [zeven voet – Vert] lang, en alles helemaal precies zoals het was; ligt daar nu.

94 Maar toen zei deze man tot mij: "Nu kijk, broeder Branham, we hebben dit dier waarover u sprak, maar u vertelde me dat u een zilvertip grizzly zou schieten, voordat u de voet van de heuvel zou bereiken, daarginds waar die jongens zijn, die met dat groene overhemd aan."

95 Ik zei: "Het is ZO SPREEKT DE HERE. God zei het."

96 "Maar, broeder Branham," zei hij, "ik kan hier alles mijlenver overzien; er is niets. Waar komt hij vandaan?"

97 Ik zei: "Daar hoef ik me niet druk over te maken. God zei het! En Hij is Jehova-Jireh. Hij kan daar een beer brengen. Hij zou er daar één kunnen neerzetten." En Hij deed het. En daar is hij. Dan is de situatie onder controle.

98 En toen Mozes zag dat hij was opgegroeid voor dit doel, en hij van aangezicht tot aangezicht deze grote God had ontmoet, Die de roeping had gegeven, en hem had gezalfd en hem betuigde en zei: "Dit is je roeping, Mozes. Ik zend jou en Ik zal je Mijn heerlijkheid tonen. En hier ben Ik in een brandende struik. Ga daarheen! Ik zal met je zijn", toen had hij zelfs geen stok nodig. Hij had het Woord, het betuigde Woord, en daar ging hij. Het zalfde het geloof dat in hem was.

99 En het zalft ons, wanneer we zien dat we in de laatste dagen leven, om al deze tekenen te ontdekken die we zien gebeuren, waarvan in de Schriften wordt gesproken dat ze zouden plaatsvinden in de laatste dagen – volledig vanaf de hemel – met betrekking tot de politieke machten, en de natuur van de mensen, en het morele verval van de wereld, en onder de vrouwen, en hoe ze zich zouden gedragen in de laatste dagen, en wat de mannen zouden doen, en wat de kerken zouden doen, wat de naties zouden doen, en wat God zou zijn. En we zien het hier allemaal precies voor ons uitgestald.

100 O, het zalft ons geloof. Het drijft ons uit de grote cirkelgang. Zie? Het... het scheidt ons af van andere dingen van de wereld. Zie? Ongeacht hoe klein we zijn of hoezeer we in de minderheid zijn, hoezeer er om ons gelachen wordt, we bespot worden; het maakt geen enkel verschil. Dat is alles. We zien het. Er is iets binnenin ons. We werden voorbestemd om dit uur te zien, en er is niets wat ons zal gaan weerhouden het te zien. Amen! Hier heeft God het gesproken. Het is... het is reeds gebeurd. We zien het. O, hoe danken we God hiervoor! O, dan brengt het uw geloof naar voren wanneer we deze dingen hier zien gebeuren.

101 Nu, hier lezen we opnieuw dat "Mozes de smaad van Christus groter rijkdom achtte dan de schatten van Egypte". Nu, hij achtte de smaad van Christus hoog.

102 Nu bedenk, "de smaad van Christus". Zie, er ligt een smaad in het dienen van Christus. Als u erg populair bent bij de wereld, dan kunt u niet dienen, dan dient u Christus niet. Nee, dat kunt u niet. Want ziet u, er gaat schande mee gepaard. De wereld heeft altijd verwijten gemaakt.

103 Heel vroeger, duizenden jaren geleden, was er een smaad die ermee gepaard ging. En Mozes zou farao worden, hij was de toekomstige farao, Farao's zoon. En hij zou de toekomstige farao zijn, en stond in de gunst bij de mensen, maar toch achtte hij... achten betekent "hoogachten". "Hij achtte de smaad van Christus hoger dan al wat Egypte hem kon bieden." Hij had Egypte in handen. Maar hoewel hij wist dat de weg van Christus een smaad was, was hij zo gelukkig om te weten dat er iets in hem lag, wat maakte dat hij deze benadering van Christus – de smaad van Christus liever gezegd – hoger achtte dan al de glamour die hij beërfde. Hij had een erfenis binnenin zich die veel groter was dan wat het uiterlijke erfdeel hem had gegeven.

104 O, als wij heden op dezelfde wijze konden zijn, om de Heilige Geest datgene wat we binnenin ons hebben te laten zalven, dat geloof, tot een godvruchtig leven, toegewijd aan Christus!

105 Nu, met zo'n geloof als dat hij had, beschouwde hij en achtte hij die smaad als een eer.

106 Vandaag kan iemand zeggen: "Hé, ben jij één van die mensen, van die?"

     "Uh, uh, wel, uh." U schaamt zich er gewoon een beetje voor.

107 Maar hij achtte het als een grotere schat dan heel de wereld, omdat er iets in hem was waardoor hij zich kon uiten en zeggen: "Ja, ik acht dit hoog. Dit wordt hoog gewaardeerd. Ik ben blij één van hen te zijn." Zie? "Ik ben blij dat ik mij tot de Hebreeërs kan rekenen en geen Egyptenaar ben."

108 De Christenen vandaag zouden hetzelfde moeten zeggen: "Ik ben blij mezelf als een Christen te beschouwen, om mij te onthouden van de dingen van de wereld, en de orde van de wereld. Niet slechts als een kerklid, maar als een wedergeboren Christen die leeft overeenkomstig de Schrift. Al word ik zelfs door de kerkleden een 'fanaticus' genoemd, toch acht ik dat groter... groter dan dat ik de populairste persoon in de stad of in het land was. Ik zou liever dat zijn dan president van de Verenigde Staten, of de koning over de aarde. Ziet u? Ik acht dat zo hoog, omdat God in Zijn genade mij voor de grondlegging van de wereld zag en er een klein zaad in legde, opdat mijn geloof zou uitstijgen boven deze dingen van de wereld. En nu heeft Hij mij geroepen en ik... ik waardeer mijn plaats zeer."

109 Zoals Paulus zei dat hij zijn bediening hoogachtte, met... zie, en o, dat God hem had geroepen om niet een groot leraar te worden zoals Gamaliël. Maar Paulus was geroepen om een offer te zijn voor Christus. Zie? Nu hetzelfde.

110 Let op, met zo'n geloof vertrouwde hij nooit op zijn gezichtsvermogen, op wat hij kon zien. Nu, hij zag daarbuiten niets anders dan een stel met modder werkende mensen, slaven in gevangenschap, elke dag gedood wordend, geslagen met zwepen, bespot vanwege hun godsdienstig geloof, ze waren "fanatici". En er zat een farao op de troon die niets afwist of zich aantrok van hun godsdienst. Hij wist er niets over. Hij was een heiden, dus hij... Wat een beeld van vandaag! En daar hebt u het: een andere godsdienst. En hoe deze Mozes, hoewel hij in dezelfde positie verkeerde als de president, of als de grote man Farao, om hem op te volgen bij zijn dood, en hij was een oude man. En toch dacht Mozes dat die roeping... Hij keek daar naar buiten door hetzelfde raam als waar Farao door keek, omdat hij in zijn huis was.

111 En Farao keek naar buiten en zag die mensen die hun handen ophieven, en dan namen zij een zweep en sloegen hen tot de dood erop volgde, omdat zij aan het bidden waren. Men zou ze met een zwaard doorsteken als ze maar even nalieten gehoorzaam te zijn, en men liet ze werken tot hun kleine, oude lichamen erbij zouden neervallen, en men gaf hun maar half genoeg te eten. "Wel, ze waren niets dan een stel fanatici, nauwelijks menselijk."

112 En toch zag Mozes met dat geloof in hem op hen, en hij zei: "Zij zijn Gods gezegend volk." Amen. Daar houd ik van. Met zo'n geloof, zijn ogen vielen niet op de schittering van Egypte, ze vielen op de belofte van God. Zijn adelaarsoog van geloof keek over de schittering van Egypte heen. Hij – vergeet het niet – hij is nu een adelaar aan het worden. Hij is een profeet, en zijn adelaarsoog stijgt boven deze dingen uit. O, wat houd ik daarvan! Huh! My!

113 Hoe dikwijls vandaag; vandaag vertrouwen Christenen op hun zintuigen, op wat zij kunnen zien, of wat zij kunnen begrijpen – in plaats van op hun geloof – om te vertrouwen op wat u ziet met uw oog, en de glamour. Zoals u vrouwen, ik ben altijd tegen u aan het roepen dat u uw haar moet laten groeien, dat u geen make-up moet dragen, dat u zich als dames en Christenen moet gedragen. U kijkt op straat en ziet dat de vrouwen vandaag onzedelijk gekleed zijn. "Wel," denkt u, "wel, zij behoort tot de kerk, waarom kan ik dat niet doen?" Zie? "En zij knipt haar haar af, waarom... waarom kan ik dat niet doen? Wel, zij schijnt even lieflijk te zijn en even intelligent, en heeft een persoonlijkheid die ik zelfs niet bezit. Wel, waarom kan ik dat niet doen? Ik zou het moeten doen." Wanneer u dat doet, verlamt u uw geloof. Zie? U geeft uw geloof geen kans om te groeien. Begin daarmee, zoals ik zei.

114 Iemand zei: "Broeder Branham, het land, de mensen, beschouwen u als een profeet. U behoorde niet zo tekeer te gaan tegen de vrouwen en tegen de mannen vanwege deze dingen. U, u behoorde ze te onderwijzen hoe te profeteren en gaven te ontvangen."

115 Ik zei: "Hoe kan ik ze algebra leren wanneer ze zelfs hun ABC niet kennen?" Zie?

116 Nu, begin daar eerst maar mee. Houd schoonmaak bij uzelf, zodat wanneer u op straat wandelt, u er ook als een Christen uitziet, zie, en ga dan handelen als een Christen. Zie? En u kunt het niet uit uzelf doen. Het is nodig dat Christus in u komt. En als dat zaad daarin ligt en dat licht het treft, dan zal het tot leven komen. Als het niet tot leven komt dan is daar niets wat tot leven kan komen. Want het werd duidelijk bewezen bij anderen, zie, het komt onmiddellijk tot leven zodra het licht het treft.

117 Ik weet dat het een berisping voor de vrouwen is die meeluisteren naar deze band, of ernaar zullen luisteren. Het is een berisping voor u, zuster. Het behoorde het te zijn. Het behoorde het te zijn omdat het iets duidelijk maakt. Het maakt mij niet uit wat u hebt gedaan. U zou heel uw leven godsdienstig geweest mogen zijn. U zou in de gemeente geleefd mogen hebben, uw vader zou een prediker mogen zijn, of uw man zou een prediker mogen zijn; maar zolang u ongehoorzaam bent aan het Woord van God toont het dat daar geen leven is. Wanneer u de zaak tot uitdrukking gebracht ziet worden, en het leven van de Heilige Geest, let er dan op wanneer het op anderen valt. Kijk wat zij doen, als het op hen wordt gebracht. Geen wonder dat...

118 Wat een berisping voor die Farizeeën die Jezus "Beëlzebul" noemden toen Hij hun gedachten kon onderscheiden.

119 En die kleine prostituée zei: "Wel, deze Man is de Messias. De Schriften zeggen dat Hij dit zal doen." Kijk, dat voorbestemde zaad lag daar. En toen het licht erop viel, kwam het tot leven. Je kunt het niet onder de grond houden. Je kunt leven niet verbergen.

120 Je kunt beton nemen en het op wat gras gieten, wat het in de wintertijd zal doden Waar bevindt zich de volgende lente het meeste gras? Precies rondom de rand van het beton. Omdat je die bevruchte zaadkiem onder die steen, wanneer de zon begint te schijnen, niet kunt tegenhouden. Het zal z'n weg daar helemaal omheen wringen en komt precies aan de rand ervan naar buiten en steekt z'n hoofd op om God te verheerlijken. Zie, leven kun je niet verbergen. Wanneer zonlicht plantaardig leven treft, zal het moeten leven.

121 En wanneer de Heilige Geest het schriftuurlijk leven dat in de mens is, treft, zal het precies daar zijn vruchten voortbrengen. [Broeder Branham knipt met z'n vingers – Vert] Zie?

122 Dus ongeacht hoe waarachtig en eerlijk u bent, hoe u ook zegt dat u het niet bent, en spreekt en zegt dat ze... Deze vrouwen die ginds deze verkeerde kleding en dergelijke dragen, het is gewoonweg een striptease op straat. Hoewel u niet gelooft dat u dat bent, u kunt niet doen alsof u het gelooft. U kunt bewijzen dat u onschuldig bent aan overspel, maar volgens het Boek van God pleegt u wel overspel. Jezus zei: "Wie een vrouw aanziet om haar te begeren, heeft reeds overspel in zijn hart met haar gepleegd." En u bood uzelf op die manier aan. Zie, u kunt het niet zien tenzij dat leven daar ligt.

123 U kijkt naar iemand anders en zegt: "Nu, ik ken zuster Jones. Broeder Jones is een prediker. Zijn vrouw doet dit en doet dat."

124 Het kan me niet schelen wat ze doen, dit is het Woord. Jezus zei: "Laat ieder mensenwoord een leugen zijn, Mijn Woord is de Waarheid." Het is de Bijbel. En wanneer dat licht het werkelijk treft, moet het wel tot leven komen. Het zal gewoon tot leven moeten komen.

125 Nu, Mozes' geweldige oog, zijn adelaarsoog, keek voorbij de betovering van Egypte.

126 Wanneer dat licht de ware Christen-gelovigen vandaag treft, zien zij, ongeacht wat de kerk zegt, wat iemand anders zegt, de ware betuiging van God, die Vuurkolom Die daar hangt, en de tekenen en wonderen die de Schrift beloofde, die erin zijn gelegd, en het komt tot leven; het geeft niet hoe klein het is, en hoezeer het in de minderheid is. Gods groep is altijd in de minderheid geweest. Zie? "Vreest niet, klein kuddeke, want het is uw Vaders welbehagen u het Koninkrijk te geven." Zie? Zij vatten het. God is verplicht om hen binnen te brengen vanuit elke denominatie, elke orde, overal, om het te zien, als zij verordineerd zijn tot leven.

127 Kijk naar de oude Simeon, verordineerd tot leven. Toen de Messias in de tempel kwam, in de vorm van een Baby in Zijn moeders armen, was Simeon ergens achter in de kamer aan het lezen. De Heilige Geest deed hem opstaan, want hij was wachtende. Dat leven was in hem. Hij zei: "Ik zal niet sterven voordat ik de Christus des Heren zie." En daar was de Christus des Heren in de tempel. De Heilige Geest leidde hem weg uit zijn dienst, en hij liep regelrecht door alles heen en pakte die Baby op en zei: "Laat Uw dienstknecht gaan in vrede, want mijn ogen hebben Uw heil gezien."

128 Daar was in de hoek een oude, blinde vrouw, genaamd Anna, die de Here dag en nacht diende. Zij voorzegde ook en zei: "De Messias is komende. Ik kan Hem zien komen." Hoewel zij blind was. Op datzelfde ogenblik toen Hij daar was... Dat kleine leven in haar voorzegde: "Het zal er zijn! Het zal er zijn! Het zal er zijn!" Toen kwam datzelfde leven, het licht, in het gebouw in de vorm van een Baby, als "een onwettig Kind", gewikkeld in Zijn doeken, komend door het gebouw. En de Heilige Geest trof die oude, blinde vrouw, en zij kwam door de Geest, door de mensen heen geleid, en stond bij deze Baby en zegende de moeder en zegende de Baby, en vertelde wat de toekomst ervan zou zijn. Kijk, verordineerd tot leven! Zie?

129 Kijk naar hen, het waren er geen dozijn. Er werden slechts acht zielen gered in de dagen van Noach, heel erg weinig, maar allen die verordineerd waren tot leven kwamen in die tijd. Kijk hoe de Heilige Geest in elk tijdperk werkt, de mensen trekt.

130 Nu ontdekken we dat het geloof van Mozes hem leidde om te letten op wat er zou gebeuren, niet op wat er was. Kijk naar morgen in plaats van naar vandaag. Kijk naar de belofte in plaats van naar de betovering. Kijk naar de mensen in plaats van naar de organisatie. Zie? Dat deed God.

131 Lot kon de glans van de welvaart zien daar in Egypte, of daar in Sodom. Lot kon de mogelijkheden zien van een... van een hoop geld. Lot kon de mogelijkheden zien als hij over Sodom keek, misschien kon hij wel worden... Omdat hij een Hebreeër was, zou hij daar een groot man kunnen worden, omdat hij een grote intellectueel was, en de neef van Abraham, dus verkoos hij om naar Sodom te gaan. Lots verstand leidde hem om de schittering van de welvaart te zien. Lots verstand leidde hem om de zegeningen van glamour te zien. Maar zijn geloof werd er zo door verlamd, dat hij het vuur niet zag dat dit soort leven zou gaan vernietigen.

132 En zo zijn de mensen vandaag. Zij zien de mogelijkheden van het bij een grote organisatie behoren, zij zien de mogelijkheden van het hebben van een sociale reputatie bij de mensen van de stad, maar zij zien niet de mogelijkheid... Zij zien niet dat hun geloof verlamd is. Laat me dat herhalen zodat het niet verkeerd wordt begrepen. Vrouwen vandaag, zoals ik zei, zij... zij willen zich gedragen zoals de filmsterren. De mannen willen zich gedragen zoals televisiekomieken.

133 Het ziet ernaar uit dat predikers vandaag van hun kerken een of andere moderne loge of zoiets willen maken: lidmaatschap, enzovoort. Zij zien de mogelijkheden om misschien bisschop of algemeen opziener te worden of zoiets, als ze maar in lijn blijven met de kerk; de Schriften verloochenend, terwijl het grondig voor hen wordt bewezen door de kracht van God en door het levende Woord van God dat in de mensen leeft. Toch willen zij het niet. Ze zeggen: "Wij willen niet in iets dergelijks betrokken raken." Het zou hun lidmaatschapskaart kosten. Het zou hun denominatie-orde kosten. Hoewel het oprechte mannen zijn, zoals Lot die ginds in Sodom zat, wetend dat dat verkeerd is. Zie? Zie? Wat doen ze wanneer ze dat doen? Zij verlammen het kleine beetje geloof dat ze hadden. Het kan niet werken.

134 Nu, Mozes gaf daaraan toe, en hij zette... zijn geloof verlamde de wereld.

135 Of uw geloof zal de schittering verlammen, of de schittering zal uw geloof verlammen. Nu, u moet het één of het ander nemen. En u ziet dat de Bijbel niet verandert. God verandert niet. Hij is de onveranderlijke God.

136 En nu zien we vandaag dat de mensen van deze dag, zie, naar de grote dingen kijken, de grote organisatie. "Ik behoor tot de Zo-en-zo." Zie? En ze gaan daarheen en, kijk, er is geen verschil met de mensen op straat. Er zijn geen andere dingen. Ze hebben een klein intellectueel iets, en gaan zo door. Wanneer u over Goddelijke genezing spreekt, de Vuurkolom, het Licht van God, dan zeggen ze: "Dat is psychisch."

137 Een man pakte onlangs de foto van de Engel des Heren op, een Baptistenprediker, en lachte erom. Kijk, dat is godslastering. Zie? Daar is geen vergeving voor.

138 Dat is wat Jezus zei, zie. Het is godslastering wanneer u ziet dat het precies dezelfde werken doet die Christus deed. En Hij zei... Toen zij dat in Christus zagen werken – Hij was het Offer – noemden zij Hem "Beëlzebul", een duivel, omdat Hij dat deed. En nu zeggen ze... Hij zei: "Ik vergeef u dat, maar wanneer de Heilige Geest komt om hetzelfde te doen, en u spreekt er een woord tegen, zal het u nimmer vergeven worden, noch in deze wereld, noch in de toekomende wereld." Zie? U hoeft er slechts één woord tegen te zeggen. Zie? En dan...

139 Want als dat leven – als u verordineerd bent tot eeuwig leven – dan zal dat leven doorbreken als u het ziet. U zult het herkennen, zoals de kleine vrouw bij de bron en anderen. Maar als het daar niet is, kan het niet tot leven komen, want daar is niets wat tot leven kan komen. Zoals mijn oude moeder vroeger zei: "Je kunt geen bloed uit een knol halen", omdat er geen bloed in zit. Nu, dat is hetzelfde.

140 En het verlamt dat kleine beetje geloof dat u hebt. Lot kon de schittering zien, maar hij had niet genoeg geloof om het vuur te zien, dat zo'n schittering zou vernietigen.

141 Ik vraag me af of we het vandaag hebben? Ik vraag me af of wij... wel, zoals de vrouw die populair wil zijn, die zo wil handelen als de rest van de vrouwen in de kerk, als ze zien dat ze zich willen gedragen zoals de anderen. Zij kunnen de mogelijkheden zien om een knappere vrouw te zijn door zich op te maken. Zij kunnen er als een knappere vrouw uitzien doordat ze een jonger uiterlijk hebben als ze hun haar afknippen en zich precies zo gedragen als sommigen van die filmsterren. Maar ik vraag me af of dat hun geloof niet verlamd heeft, terwijl ze weten dat de Bijbel zegt dat een vrouw die dat doet een oneerbare vrouw is. En een vrouw die een kledingstuk aandoet dat aan een man behoort, is een gruwel voor God; lange broeken, enzovoort, en die shorts die ze dragen. En er komt zo'n verharding dat het een vaste gewoonte van de mensen wordt om het te doen. Ik vraag me af of dat kleine beetje geloof dat ze hebben niet verlamd is om zelfs naar de kerk te gaan. Ziet u? Daar komt het door.

142 Lot deed dat, en het verlamde hem, en het verlamde zijn familie daar. Zij konden het niet zien.

143 Maar Abraham, zijn oom, met een betuigd geloof, keek niet naar de glamour, hij wilde er niets mee te maken hebben, hoewel hij hard moest ploeteren en op zichzelf was aangewezen. En Sara woonde in de woestijn waar het moeizaam was, op de onvruchtbare grond. Maar zij keken niet naar de glamour of de mogelijkheden om populair te worden.

144 Sara was de mooiste vrouw in het land, zegt de Bijbel. Zij was schoon; de schoonste van alle vrouwen. En nu bleef ze zelfs en gehoorzaamde haar man zozeer dat ze hem zelfs haar "heer" noemde, waar de Bijbel naar verwijst tot zelfs in het Nieuwe Testament, waar staat: "Wier dochters gij zijt, zolang gij in het geloof blijft." Zie? Noemde haar man haar "heer".

145 En de Engel des Heren bezocht hun tempel en... of hun kleine tent daar en vertelde het hun. Zij hadden zelfs geen huis om in te wonen, ze leefden daar in het onvruchtbare land. En dat is het. Ziet u het patroon van die dag nu opnieuw, precies zoals het toen was?

146 Nu, Mozes met zijn groot geloof zou weer "nee" kunnen zeggen tegen de hedendaagse dingen van de hedendaagse wereld, en een rechtschapen keuze maken. Hij verkoos om de kwellingen van het volk van God te ondergaan. Hij verkoos om daarin mee te gaan. Waarom? Zijn geloof! Hij zag de belofte. Hij zag de eindtijd. Hij keek naar de toekomst en hij volgde zijn geloof. En hij besteedde geen aandacht aan wat zijn ogen zagen in de mogelijkheden hier, dat hij de farao was en de farao zou worden. Hij keek er rechtstreeks aan voorbij in de toekomst.

147 O, als de mensen dat slechts konden; de hedendaagse wereld niet zien. Als u naar de tegenwoordige wereld kijkt, maakt u er een keuze voor. Verberg uw ogen daarvoor, en kijk naar de belofte van God, ginds in de toekomst.

148 Door zijn geloof kon hij kiezen. Hij verkoos om de zoon van Abraham genoemd te worden en weigerde de zoon van Farao genoemd te worden. Hoe kon hij het, terwijl heel het koninkrijk... Egypte had de wereld verslagen. Hij was koning over de wereld, en was een jongeman van veertig jaar oud, stond hier op het punt de troon in te nemen, maar hij keek nimmer naar zijn intell-...

149 Kijk naar de vrouwen die dagelijks om hem heen gelegen zouden hebben, hele harems. Kijk naar de schittering: zitten en wijn drinken, en kijken naar de striptease vlak voor hem, terwijl zij dansten en hem koelte toewaaiden met een... En vrouwen van over de gehele wereld, en de juwelen en schatten, en zijn leger daarbuiten. Het enige wat hij hoefde te doen was zitten en zijn heerlijke voedsel eten en zeggen: "Zend een... zend legergarnizoen nummer zo-en-zo naar zo-en-zo; neem dat land in bezit. Ik geloof dat ik dat gewoon wil." Dat was alles wat hij had te doen; daar zitten, terwijl ze hem koelte toewaaiden, en z'n mond openhouden, om die lieflijke, mooie danseressen van die dag wijn in z'n mond te laten gieten, hem z'n voedsel te laten geven met hun armen om hem heen, de allermooiste vrouwen van de wereld. Al de betovering die er was, lag daar vlak voor hem.

150 Maar wat deed hij? Hij keek eraan voorbij. Hij wist dat het vuur ervoor gereed was. Hij wist dat er dood in die lijn lag. Zie? Hij wist dat het er was. En hij keek eraan voorbij naar een stel verachte en verworpen mensen, en door geloof koos hij om de smaad van Christus te dragen, en noemde zichzelf: "Ik ben een zoon van Abraham; ik ben niet de zoon van deze farao. Al maakt u mij een bisschop, of een diaken, of een aartsbisschop, of een paus, ik ben geen zoon van deze zaak. Ik ben een zoon van Abraham en scheid mij af van de dingen van de wereld." Amen, amen en amen! Door geloof deed hij dat!

151 Hij zette de schittering opzij. Hij zette de mogelijkheden opzij om de volgende bisschop te zijn; hij zette de mogelijkheden opzij om de volgende aartsbisschop te zijn, of de volgende algemeen opziener bij de volgende verkiezing, of wat het ook was, hij zette dat opzij. Hij weigerde om ernaar te kijken.

152 "Nu, als ik bisschop word, zal ik binnenkomen en de mensen zullen zeggen: 'Heilige vader', of 'Doctor Zo-en-zo, of 'Oudste Zo-en-zo'. O, hoe ze, de predikers in de vergadering, me op de schouder zullen kloppen en zeggen: 'Zeg, jongen, die knaap heeft iets, dat vertel ik je. O, ssst, wees stil; hier komt de bisschop. Wat hij zegt, is wet. Kijk, hier komt de Zo-en-zo." Mensen zullen over de hele wereld vliegen om de paus te zien, zijn voet te kussen en de ringen, enzovoort. Wat een mogelijkheid voor de Katholieken, wat een mogelijkheid voor de Protestanten, om bisschop of algemeen opziener of zoiets te zijn, een groot man in een organisatie.

153 Je kunt er wel naar kijken, maar, ziet u, het geloofsoog kijkt daar overheen. En je ziet het einde ervan, want God heeft gezegd dat de hele zaak vernietigd zal worden. Geloof, dat arendsoog, heft je er bovenuit, en je ziet de toekomst, niet vandaag, en verkiest een zoon van Abraham genoemd te worden.

154 Farao, zonder geloof, zag Gods kinderen als "fanatici". Zonder geloof maakte hij hen slaven, omdat hij niet bang was voor wat hij zei. Hij was niet bang voor God. Hij dacht dat híj god was. Hij dacht dat zijn goden die hij diende – waarvan hij een bisschop was, de algemeen hoofdopziener – dat zijn goden degenen waren die dat deden. "Hij had niets met die zaak hier te maken", dus maakte hij slaven van hen. Hij lachte ze uit, maakte grappen over hen. Net zoals de mensen vandaag doen, precies hetzelfde.

155 Mozes' geloof zag hen in het beloofde land, een gezegend volk. Het mag een harde strijd zijn om hen naar de belofte te krijgen, maar Mozes verkoos om met ze mee te gaan. Hoe zou ik daar de nadruk op kunnen leggen, maar mijn tijd raakt op. Zie?

156 Let op, het kan erg moeilijk worden om deze mensen zich te laten omkeren. "Je zult bij hen moeten gaan wonen, je zult een van hen moeten zijn, en ze zijn al zo intellectueel dat je ze niet in beweging kunt krijgen. Zie? Maar er moet daarginds iets gebeuren. Het bovennatuurlijke zal voor hen moeten worden gedemonstreerd. Het zal een moeilijke zaak zijn. De organisaties zullen je verwerpen, en al deze dingen zullen gebeuren. Het is... het is verschrikkelijk wat je moet doen, maar toch moet je je keuze maken."

157 "Ik ben één van hen." Ja, zijn geloof deed dat. Zijn geloof vatte vlam. Jazeker. Hij zag het. Het was een moeilijke zaak om hen tot die belofte te krijgen, maar hij maakte zijn keuze om toch met hen mee te gaan. Ongeacht wat zij hem ook aandeden, en hoe zij hem verwierpen, hij ging hoe dan ook. Hij trok met hen uit.

158 Ik hoop dat u het begrijpt. In orde. Ga hoe dan ook met hen mee. Maak, wees een van hen, dat is juist, omdat het je plicht is. Het kan een harde strijd worden, en veel om te doorstaan, maar ga hoe dan ook.

159 Maar zijn geloof leidde hem om de keuze voor het Woord te maken en niet voor de glamour. Hij nam het Woord. Dat deed Mozes zijn geloof. Wanneer geloof ziet op het slechtste van God... Bedenk, hier was nu de toverglans, de wereld, het hoogste, koning van de wereld. En waar lagen Gods beloften? In de modderpoel, bij moddersmeerders.

160 Maar wanneer geloof, wanneer geloof naar het slechtste van God kijkt, acht het dat groter en van meer waarde dan het beste wat de wereld kan laten zien. Jazeker. Wanneer geloof ernaar kijkt, wanneer geloof het kan zien, wanneer geloof in het Woord het Woord gemanifesteerd kan zien, is dat meer dan al de schittering en aartsbisschoppelijkheid en al het andere waar u over kunt spreken. Geloof veroorzaakt dat. Zie? U kunt het slechtste zien, het verachte, het verworpene, wat het ook mag zijn; laat het op z'n slechtst zijn, maar toch zal geloof het een miljoen mijl hoger achten dan het beste wat de wereld kan voortbrengen. Amen! Op die manier zingen we dat lied: Ik zal de weg gaan met de weinige verachten des Heren. Zie? O my!

161 Want, ziet u, geloof ziet wat God gedaan wil hebben. O, ik hoop dat dit goed doordringt! Geloof kijkt niet naar de tegenwoordige tijd. Geloof kijkt niet naar dit hier. Geloof kijkt om te zien wat God wil, en het werkt dienovereenkomstig. Dat is wat geloof doet. Het ziet wat God wil, en wat God gedaan wil hebben, en geloof werkt dienovereenkomstig.

162 Geloof is een visie op lange afstand. Het mikt niet op dichtbij. Het is op het doel gericht. Amen! Elke goede schutter weet dat, zie? Dat, het is op lange afstand gericht. Het is een... het is een telescoop. Het is een verrekijker waarmee u niet hier vlakbij kijkt. U gebruikt een verrekijker niet om te kijken hoe laat het is; kijk, daarvoor gebruikt u hem niet. Maar u gebruikt een verrekijker om ver weg te kijken.

163 En geloof doet dat. Geloof vangt Gods verrekijker op, beide kijkers, beide kanten, het Nieuwe en het Oude Testament, en ziet elke belofte die Hij deed. En geloof ziet het van verre, en geloof kiest dat, ongeacht wat de tegenwoordige tijd hier zegt. Hij kijkt naar het einde. Hij richt zijn zicht niet naar beneden om hierheen te kijken. Hij kijkt ginds ver weg. Hij houdt het snijpunt van de kruisdraden op het Woord gericht. Dat is wat geloof doet. Dat is het geloof dat in iemand is, hetgeen deze dingen doet.

164 Nu, let op. Wat Farao betreffende een roeping... wat Farao "geweldig" noemde, noemde God een "gruwel"! Farao kon gezegd hebben: "Kijk, Mozes, hier, wel, jij bent de volgende farao. Ik draag dit graf aan je over wanneer ik heenga. Ik overhandig je deze scepter; hij is van jou. Zie? Nu, dit is geweldig. Je zult een groot man worden, Mozes. Je zult de bisschop worden. Je zult dit worden, dat of iets anders. Verlaat ons niet, blijf hier." Maar ziet u, hij noemde dat "geweldig" en God zei dat het een "gruwel" was!

165 Nu, u vrouwen, denk even na, en ook u mannen. Wat de wereld "geweldig" noemt, noemt God "vies". Zegt de Bijbel niet dat het een gruwel voor een vrouw is om een kledingstuk te dragen dat een man toebehoort? En u denkt dat u bijdehand bent om het te doen. Zie? U vertoont alleen vrouwelijk vlees voor de duivel, en dat is alles. Dus doe dat niet.

166 En u, mannen, die leeft naar de dingen van de wereld, en u behaaglijk in deze dingen nestelt! En u, mannen, met niet genoeg moed in u om uw vrouwen met deze dingen te laten ophouden; schande over u! En u noemt uzelf zonen van God? Het ziet er voor mij uit als Sodomieten. Zie? Ik zeg dit niet om uw gevoelens te kwetsen, maar om u de waarheid te vertellen. Liefde is corrigerend. Dat is het altijd. De moeder die niet voor haar kind zorgt, het terechtwijst en straft en zorgt dat het beter oplet, is er niet bepaald een goede moeder voor. Dat is waar.

167 Nu, let op wat er nu plaatsvindt. Mozes zag dit, door zijn visioen. En Farao zei: "Dit is geweldig." God zei: "Het is een gruwel." Dus God... Mozes koos wat God zei.

168 Nu, let op, geloof ziet wat God wil dat u ziet. Zie? Geloof ziet wat God ziet.

169 En redenatie en zintuigen zien wat de wereld wil dat u ziet. Merk op, redenatie: "Wel, dat is alleen maar logisch. De enige... enige reden dat dit... Wel, is dit niet even goed?" Zie? Zo is het precies wanneer u deze zintuigen gebruikt die tegengesteld zijn aan het Woord, zie, dan is dat wat de wereld wil dat u ziet.

170 Maar geloof kijkt daar niet naar. Geloof kijkt naar wat God heeft gezegd. Zie? Weet u, u werpt redenering terneer.

171 Redenatie, het vermogen om te redeneren, ziet wat de wereld wil dat u ziet: een grote denominatie. "Wel, bent u een Christen?" "O, ik ben Presbyteriaan, Methodist, Lutheraan, Pinksteren, en wat meer. Ik ben dit, dat of nog wat anders." Kijk, dat, dat is verstandelijk. "Ik behoor tot de eerste kerk, ziet u. O, ik ben Katholiek, ik ben... ik ben dit, dat." Kijk, u zegt dat. Nu, dat, dat is verstandelijk. U houdt ervan dat te zeggen omdat het een denominatie is, iets groots. "Wel, wij... wij hebben meer leden, bijna, dan welke andere kerk ter wereld, zie. Wij..."

172 Maar er is maar één echte gemeente, en u voegt u daar niet bij. U wordt erin geboren. Zie? En als u erin geboren bent, werkt de levende God Zelf door u heen om Zichzelf bekend te maken. Zie? Daar woont God in, in Zijn gemeente. God gaat elke dag naar de gemeente, woont eenvoudig in de gemeente. Hij leeft in u. U bent Zijn gemeente. U bent Zijn gemeente. U bent de tabernakel waar God in woont. U bent zelf de gemeente van de levende God. En als de levende God leeft in Zijn levend wezen, dan is uw handeling van God; als dat niet zo is, dan is God daar niet in. Hij zou u niet zo laten handelen wanneer Hij hier in Zijn Woord zegt, Zijn blauwdruk: "Doe dat niet", en u gaat het toch doen. Kijk, dat is verkeerd. Wanneer u het ontkent, bewijst het dat het leven zelfs niet in u is. Zie? Dat is juist.

173 Geloof leidde Mozes op het pad van gehoorzaamheid. Let op, Mozes maakte... Daar is de jonge Farao, daar is de jonge Mozes: allebei met de gelegenheid. Mozes zag de smaad van het volk en rekende het tot grotere schatten dan heel Egypte bezat. En hij, geleid door geloof, volgde wat zijn geloof zei in het Woord, en het leidde hem naar het pad van gehoorzaamheid, en uiteindelijk naar de heerlijkheid, onsterfelijk, om nimmer te sterven, in de tegenwoordigheid van God. Gezicht en zintuigen en schittering leidden Farao naar zijn dood, en naar de vernietiging van Egypte, zijn natie, en sindsdien is het nooit meer teruggekomen.

174 Dat is het. Kijk hier naar: u sterft. Kijk daar naar: u leeft. Nu, maak uw keuze. Dat is hetzelfde als wat God voor Adam en Eva plaatste in de hof van Eden. Zie? Door geloof moet u uw keuze maken.

175 Nu let op, het zien leidde Farao naar zijn dood, en naar de vernietiging van zijn stad.

176 Mozes, met zijn geloof, vreesde Farao nimmer. Zie? Het kon hem niet schelen wat Farao zei. Hij bekommerde zich niet om Farao, evenmin als zijn moeder en vader zich iets van hun bedreigingen aantrokken. Toen aan Mozes werd bevestigd dat hij die persoon was die Israël uit Egypte zou verlossen en uitleiden, bekommerde hij zich helemaal niet om wat Farao zei. Hij was niet bevreesd voor hem. Amen, amen, amen! Ziet u wat ik bedoel? [De samenkomst zegt: "Amen." – Vert]

177 Er is geen vrees in geloof. Geloof weet ervan. Zoals ik altijd heb gezegd, heeft geloof hele dikke spieren en haren op z'n borst. Geloof zegt: "Houd je mond!", en iedereen houdt z'n mond. Dat is alles. "Ik weet waar ik sta!"

     De rest van hen zei: "Wel, nu, misschien weet hij het echt." Zie?

178 Maar u moet opstaan en uw spieren tonen. Dat is alles. Geloof doet het.

179 Let op, Mozes vreesde Farao nimmer nadat God zijn roeping had bekrachtigd. Mozes geloofde dat hij ervoor geroepen was, maar toen God hem daarboven vertelde: "Het is zo", en neerkwam en aan Farao en heel de rest van hen bewees dat hij gezonden was om het te doen, was Mozes nimmer bevreesd voor Farao.

180 Merk op dat Farao zijn wijsheid toch bij Mozes gebruikte. Kijk. Hij zei: "Ik zal u wat vertellen, ik zal een afspraak met u maken." Nadat de plagen hem hadden verteerd, zei hij: "Ik zal een afspraak met u maken. Ga heen voor een kleine aanbidding van drie dagen. Ga gewoon tot zover, en ga dan niet verder." Maar weet u, de... Dat waren Farao's zintuigen die hem dat vertelden, zie: "U gaat slechts tot zover, en ga niet verder."

181 Hebben wij niet hetzelfde soort vandaag? "Als u zich bij een gemeente voegt, dan is alles goed."

182 Maar, weet u, het geloof dat Mozes had, geloofde niet in een "tot zover" religie. Hij zei: "Wij gaan allemaal. Wij gaan heel de weg. Dat is juist. Wij gaan naar het beloofde land. Wij gaan niet hieruit en maken een denominatie en stoppen dan; we gaan verder door." Amen. "Ik ga verder naar het beloofde land. God beloofde het ons."

183 Hoeveel farao's hebben we vandaag achter de preekstoel staan, hoofden van organisaties? "Nu, als u gewoon dit en dat doet, dat is alles. Wel, ziet u, slechts tot zover!"

     Maar Mozes zei: "O nee! Nee, nee! Nee, nee!" Zie?

184 Farao zei: "Wel, waarom niet? Als u dat soort godsdienst wilt hebben, zal ik u precies vertellen wat te doen: alleen u en de oudsten gaan aanbidden, zie? Alleen u en de oudsten gaan aanbidden. Want u kunt allen dat soort godsdienst hebben, maar breng het niet onder de mensen."

185 Weet u wat Mozes zei? "Er zal zelfs geen hoef achterblijven. Wij zullen de hele weg gaan. We zullen allemaal gaan! Ik ga niet tenzij zij gaan. En zolang ik hier ben, bent u er verantwoordelijk voor!" Amen. "Ik ga niet tenzij zij ook kunnen gaan, en dat is alles." O, wat een dappere dienstknecht! Amen. "Ik wil hen met mij meenemen. Alleen omdat ik het heb gekregen, en dan erbij gaan zitten en zeggen: 'Welnu, dit is goed'? Beslist niet. Wij willen het volk ook. Iedereen van ons gaat mee." Amen. Hij zei: "En wij zullen zelfs niet een van onze schapen of iets anders achterlaten. Er zal geen hoef achtergelaten worden. Wij gaan met z'n allen naar het beloofde land." Amen!

186 "Ieder van ons! Of u een huisvrouw bent, of een kleine meid, of u een oude vrouw bent, of een jonge man, of een oude man, of wat u ook bent, wij gaan hoe dan ook. Er zal niet één van ons achterblijven." Amen. "Ieder van ons gaat mee, en met niets anders nemen wij genoegen." Zo is het. My! Die religies waren daar werkelijk in debat, nietwaar? O my!

187 Nee, Mozes geloofde niet in deze "tot zover" godsdienst. Nee, hij geloofde daar niet in. Uh-huh. Jazeker. O, my!

188 We zouden hier de hele dag bij kunnen blijven, maar ik moet straks tot mijn tekst komen en beginnen te prediken.

189 Let op, let hier op, hoe mooi! O, ik houd hiervan. Weet u, uiteindelijk zei Farao: "Ga weg!" God teisterde hem gewoon met de stem van Mozes. Hij sloeg alles. Hij deed alles wat er gedaan kon worden. Hij stopte de... hij liet de zon ondergaan op het midden van de dag. Hij deed van alles. Hij... hij verduisterde de dagen. Hij bracht kikkers, vliegen, luizen en al het andere; vuur, rook en dood bij zijn families, en van alles. Hij deed alles, totdat Farao uiteindelijk moest zeggen: "Ga weg! Neem alles wat je hebt en ga." O, my! Geloofd zij God!

190 Ik ben zo blij dat een man God zo volkomen kan dienen dat de duivel niet meer weet wat hij met hem moet beginnen. Dat is juist. Gehoorzaamde God zo volkomen dat de duivel zei: "O, my, ga weg! Ik... ik wil het niet meer horen." Zo is het. U kunt het doen, zo volkomen.

191 Kijk nu, als God Mozes niet zou hebben gesteund, zou hij een mikpunt van honende spot zijn geworden. Maar God was precies daar om het te betuigen. Alles wat hij zei, kwam te geschieden.

192 En Farao moest zijn positie hooghouden omdat hij bisschop was, weet u, daarom moest hij daar blijven. Hij kon het niet ontkennen. Hij kon geen nee zeggen, omdat het al aan het gebeuren was. Zie? Hij kon het niet... hij kon het niet ontkennen, omdat het al aan het gebeuren was. Dus uiteindelijk zei hij: "O, ga eruit! Ik wil je niet meer horen. Ga hier weg! Neem alles wat je hebt en ga!" O, my!

193 Nu, we vinden Mozes hier, nadat God zoveel voor hem had gedaan en hem zoveel wonderen en tekenen had getoond. Nu, laten wij de volgende vijftien minuten hierbij blijven. En let nu heel goed op. Mozes kwam tot deze plaats waar hij...

194 God had gezegd: "Ik ben met je. Jouw woorden zijn Mijn Woord. Ik heb het aan je bewezen, Mozes. Jij, toen er geen vliegen in het land waren – het was buiten het seizoen – heb je gezegd: 'Laat er vliegen komen', en er kwamen vliegen." Dat is schepping. Wie kan er duisternis over de aarde brengen behalve God? Hij zei: "'Laat er duisternis zijn', en daar was duisternis. Je zei: 'Laat er kikkers zijn', en de kikkers kwamen, zelfs tot in Farao's huis, in de bedden, totdat men ze opstapelde in grote hopen." Schepper! "En Ik sprak door jou, Mozes, en liet Mijn Woord scheppen door jouw lippen. Ik heb je feitelijk tot god gemaakt voor Farao." Jazeker. "Ik deed dit alles."

195 En hier kwamen ze tot een plaats, er kwam een kleine beproeving op, en Mozes begon te roepen: "Wat zal ik doen?"

196 Ik wil dat u oplet. Dit is nu een grote les hier. Ik houd hiervan, zie. Kijk, Mozes, als we het hier goed lezen, toen Mo-... Want de kinderen begonnen te vrezen, toen zij Farao achter zich zagen aankomen, in de lijn van hun plicht.

197 God had alles precies uitgewerkt. Nu liet Hij hen van start gaan op hun reis. Hij kreeg de gemeente bij elkaar. Zij werden eruit geroepen. Zij kwamen uit elke denominatie. Zij kwamen allen tezamen. Mozes was daar naartoe gegaan en had gezegd: "Here, wat moet ik doen?"

198 Hij zou zeggen: "Wel, ga dit doen." Goed, ga verder. "Nu, Mozes, je weet dat Ik je hiervoor geroepen heb."

     "Ja, Here."

199 "In orde, ga dit spreken, en het zal er zijn", hier komen de vliegen. "Spreek hier voor" en hier kwam het. "Doe dit", hier kwam het. Alles was ZO SPREEKT DE HERE, ZO SPREEKT DE HERE, ZO SPREEKT DE HERE! Nu komt hij in een moeilijkheid...

200 En God zei: "Nu, Ik heb hen de reis laten aanvangen, zij zijn er allen uitgeroepen. De gemeente is tezamen, dus heb Ik hen op reis gekregen. Nu, Mozes, neem hen over. Ik heb het je gezegd. Ik ga zitten om even uit te rusten."

201 Mozes zei: "O, Here, kijk eens wat er aankomt, daar komt Farao! De mensen zijn allemaal... Wat moet ik doen? Wat moet ik doen?" Kijk eens, is dat niet gewoon menselijk? Jazeker. Begint te roepen: "Wat moet ik doen?"

202 Hier zien we Mozes volkomen de menselijke natuur uitdrukken, altijd willen dat God achter je staat en je ergens in duwt. Nu, zo is het met ons vandaag. Je wilt dat God – nadat wij alles gezien hebben wat we hebben gezien – je wilt toch dat God je nog een zetje geeft om iets te doen. Zie?

203 Mozes had een beetje laks rondgelopen; zei: "God, ik ga het U vragen en zien wat U zegt. Ja, ja, zegt U het maar. Wel, in orde, dat zal ik ook zeggen." Zie?

204 Maar hier had God hem verordineerd voor het werk, en bewezen dat Hij met hem was. En hier is hij; de moeilijkheden komen opzetten en dan begint hij te roepen: "Wat kan ik doen? Here, wat kan ik doen?"

205 Nu bedenk, hij had hier reeds geprofeteerd, want hij had gezegd: "Deze Egyptenaren die u heden ziet, zult u nimmermeer zien." En begint dan onmiddellijk te roepen: "God, wat kunnen we doen?" Zie? Nadat hij een tamelijk goed werk had verricht met daar te profeteren. Ziet u, hij had hun verteld wat er zou gebeuren. Als het Woord van God in hem was, was het in hem. En toen hij dat vertelde, kwam het werkelijk te geschieden. Wat hij zei, was al aan het gebeuren, en hier was hij het aan het uitroepen: "Wat moet ik doen?"

206 O, als dat niet menselijk is! Als ik dat niet ben! Als ik dat niet ben! Zie?

207 Hij had reeds bewezen: "Wat jij zegt, zal gebeuren. Ik ben met je."

208 En hier rijst op een bepaald moment een omstandigheid op. "Wat moet ik doen? Wat moet ik doen, Here? O Here, waar bent U? Zeg, hoort U mij? Wat moet ik doen?" En Hij had hem al verordineerd en hem betuigd, en bewezen en alles door hem heen bewerkt. En hier: "God?" O my! Het drukt volkomen uit dat de mens wil rusten en zich door God laten voortduwen.

209 En toch wist hij dat God hem gezalfd had voor dit werk, om dit te doen, en God had duidelijk zijn beweringen bevestigd. Het was tijd dat het volk bevrijd zou worden. God had hen door zijn tekenen en wonderen allemaal in één groep bij elkaar gedreven. Volgt u mij? [De samenkomst zegt: "Amen." – Vert] Bracht hen allemaal samen in één groep en bevestigde zijn beweringen. De Schrift zei het; hier was het teken, hier was het bewijs, alles wat hij had gezegd. Toen kwam hij onder hen als een profeet. Steeds, wat hij ook zei, eerde God, zelfs om te scheppen en vliegen voort te brengen en dingen in bestaan te brengen. En alles wat Hij hem beloofd had, had Hij hier gedaan.

210 Maar hij wilde wachten op ZO SPREEKT DE HERE. Zie? Hij zou moeten hebben geweten dat de waarachtige betuiging van zijn roeping ZO SPREEKT DE HERE was. Zijn werk waarvoor hij was verordineerd, was ZO SPREEKT DE HERE. Kunt u het vatten? [De samenkomst zegt: "Amen." – Vert] Hum! Waarom wachtte hij op ZO SPREEKT DE HERE?

211 Hij wilde: "Here, wat kan ik doen? Ik heb hier deze kinderen tot zover gebracht. Hier is de situatie: Farao komt eraan. Zij zullen allemaal sterven. Wat moet ik doen? Wat moet ik doen?" Hum! Hum!

212 Hij had reeds voorzegd wat ze zouden gaan doen. Hij had al precies verteld wat er gedaan moest worden. Hij had het einde voorzegd van diezelfde natie waarin hij was opgegroeid. Ik hoop dat u het begrijpt. [De samenkomst zegt: "Amen." – Vert] Zie? Mozes had al gezegd: "U zult ze niet meer zien. God gaat ze vernietigen. Ze hebben al lang genoeg de gek met u gestoken. God zal ze vernietigen." Hij had reeds voorzegd wat er met hen zou gebeuren.

213 Toch: "Here, wat moet ik doen?" Ziet u de menselijke natuur daar? Zie? "Wat moet ik doen? Ik zal wachten op ZO SPREEKT DE HERE." Jazeker. "Ik zal zien wat de Here zegt, en dan zal ik het doen." Huh!

214 Vergeet niet dat er een farao was opgekomen die Jozef niet had gekend, weet u, in die tijd, precies in die tijd. Zie? Zie? En Mozes stond rechtop en voorspelde het einde van die natie.

215 En hier stond hij precies op de plaats waar het zou gaan gebeuren, en dan roept hij uit: "Wat moet ik doen, Here? Wat moet ik doen?" Zie? Zijn dat geen menselijke wezens? Is dat niet precies de menselijke natuur? "Wat zal ik doen?" Huh!

216 Hij had reeds geprofeteerd. God had alles geëerd wat hij zei, en hij was geroepen voor het werk, dus waarom moest hij zeggen: "Wat moet ik doen?" Er was een nood, het was geheel aan hem om ervoor te spreken. God wilde dat Mozes de gave van geloof, die Hij hem gegeven had, in werking stelde. God had het bevestigd. Het was de waarheid. En God wilde Mozes – wilde dat de mensen zagen dat Hij met Mozes was.

217 En hij, daar achteraan, wachtte en zei: "Nu, Here, ik ben maar een baby. Wilt U het mij nu vertellen?"

     "Ja, ik ga dit doen. Ik heb ZO SPREEKT DE HERE."

     "Broeder, is dat ZO SPREEKT DE HERE?"

218 "Ja, ja," broeder Mozes, "dat is ZO SPREEKT DE HERE. Ja."

219 "Goed, we hebben het nu: ZO SPREEKT DE HERE." En het gebeurde. Het faalde niet één keer. Nimmer faalde het.

220 En hier komt het in deze situatie opnieuw omhoog. Nu, Hij kreeg hem op reis. De gemeente is er reeds uitgeroepen, hij kreeg ze op reis, en zij trokken op. En Mozes begon uit te roepen: "Here, is het ZO SPREEKT DE HERE? Wat moet ik doen?" In orde.

221 God wilde dat Mozes geloof had in wat Hij in hem had geplaatst, in de gave die Hij duidelijk had betuigd. God had duidelijk bewezen aan Mozes en het volk dat Hij het was, door het Woord en door de dingen waarvan gezegd was dat ze zouden geschieden. Het was duidelijk betuigd. Het was niet nodig dat hij zich daar nog langer bezorgd over zou maken. Ziet u? Hij hoefde er niet meer over te piekeren, want het was al opgelost. Hij had deze dingen reeds gedaan. En hij had reeds bewezen – door vliegen en vlooien – dat hij dingen in bestaan sprak, dat het Woord van God in hem was.

222 Dus nu gaat hij hier vragen wat hij moet doen, terwijl de situatie precies voor hem ligt. Zie? O my!

223 Ik hoop dat dit goed tot ons doordringt en dat we kunnen zien waar wij aan toe zijn. Zie? Maakt dat niet dat u zich ongeveer zo groot voelt? [De samenkomst zegt: "Amen." – Vert] Als we aan Mozes denken terwijl we over zijn fouten spreken, laten we dan ook eens naar de onze kijken. Ja. Zie?

224 Hier stond hij dan, zie, wetend dat de Schriften zeiden dat dat het uur en de dag was waarop dat moest gebeuren, en hij wist dat God hem had ontmoet in een Vuurkolom. En Deze kwam regelrecht naar beneden voor de mensen en verrichtte deze wonderen. En alles wat hij zei, kwam te geschieden, zelfs tot aan dingen in bestaan brengen. De dingen doende die alleen God kon doen, tonend dat zijn stem Gods stem was.

225 En hier was de situatie bij dat volk dat hij deed optrekken om hen naar het beloofde land te brengen, en dan staat hij te roepen: "Wat moet ik doen?" Dat is een menselijk wezen die gewoon wil dat...

226 Zoals broeder Roy Slaughter – ik geloof dat hij daar achter de deur zit – mij eens vertelde over iemand die mij iets aandeed. En ik zei: "Wel, ik deed dit en nu is er dat."

227 Hij zei: "Broeder Branham, laat hen vandaag op uw schouder leunen, en morgen draagt u hen." En dat is precies de wijze waarop een menselijk wezen is. Vandaag op je schouder leunen en morgen moet u ze dragen.

228 Dat is het, dat deed Mozes. God moest hem verder dragen nadat Hij hem verordineerd en betuigd had om het te doen! En de mensen hadden moeten zeggen: "Mozes, spreek het Woord. Ik heb het u daar zien doen. God eerde u daar, en u bent dezelfde vandaag." Amen. Zie? "Doe het!" Amen. Hij behoorde het geweten te hebben, maar hij wist het niet. In orde. Precies zoals het toen was, is het nu. We ontdekken dat. Dus Hij zei: "Mo-..."

229 God moet er gewoon genoeg van gekregen hebben. God moet het beu zijn geworden. Hij zei: "Waarover roep je naar Mij? Heb Ik Mijn identificatie niet reeds bewezen? Heb Ik je niet verteld dat Ik jou uitzond voor deze taak? Vertelde Ik je niet dit te gaan doen? Heb Ik je niet beloofd dat Ik dit zou doen; dat Ik met jouw mond zou zijn, en dat Ik door jou heen zou spreken en dat Ik dit zou doen, en dat jij wonderen en tekenen zou tonen? Heb Ik dat niet beloofd? Heb Ik het niet precies zo gedaan en elke vijand rondom je vernietigd? En hier sta je nu bij de Rode Zee, precies op het pad van je plicht, wat Ik je vertelde om te doen, en dan nog schreeuwen en roepen tot Mij. Geloof je Mij niet? Kun je niet zien dat Ik je zond om dit te doen?" O, als dat niet een menselijk wezen is! My! Hij moet het dus wel tamelijk beu zijn geweest.

230 En Hij zei: "Je weet dat je het nodig hebt. Je weet dat, als je deze kinderen naar dat beloofde land gaat brengen. Zo is het precies. Je bent hier in een hoek gedreven. Er is niets anders meer wat je kunt doen. Dus er is een nood. Waarvoor roep je tot Mij? Waarvoor kijk je naar Mij? Waarvoor roep je Mij aan? Heb Ik het niet bewezen aan de mensen? Heb Ik het niet aan jou bewezen? Heb Ik het niet geroepen? Is het niet schriftuurlijk? Heb Ik niet beloofd om dit volk naar dat land te brengen? Heb Ik je niet geroepen en gezegd dat Ik het zou doen? Heb Ik niet geroepen en gezegd dat Ik jou zond om het te doen, dat jij het niet was, maar dat Ik het was? En Ik zou heengaan en Ik zou met jouw lippen zijn, en wat je ook zou zeggen, zou Ik betuigen en bewijzen. Heb Ik dat niet gedaan?"

231 "Wanneer er dan een kleinigheid oprijst, waarom handel je dan als een baby? Je behoorde een man te zijn. Spreek tot het volk," amen, "ga dan voorwaarts!" Amen. Dat is het. "Roep niet. Spreek!" Amen. O, ik houd daarvan. "Waarom roep je daarover tot Mij? Spreek slechts tot het volk en ga voorwaarts naar je doel. Wat het ook is, als het ziekte is, of wat het ook is, het opwekken van de doden, of wat het ook is, spreek! Ik heb het bewezen. Spreek tot het volk."

232 Wat een les! Wat een les, o my, in deze fase van de reis waar we nu staan. Kijk waar we nu zijn, jazeker, bij de derde trek. Let op, we bevinden ons hier precies bij de deur van het komen van de Here.

233 Hij was gezalfd voor het werk, maar wachtte nog steeds op ZO SPREEKT DE HERE. God moet er genoeg van hebben gekregen. Hij zei: "Roep niet meer. Spreek! Ik heb u gezonden."

234 O God, wat behoorde deze gemeente vanmorgen te zijn! Met Gods volmaakte betuiging met de Vuurkolom en de tekenen en de wonderen; alles precies zoals het was in de dagen van Sodom. Hij zei dat het zou terugkeren.

235 Hier is de wereld in haar toestand. Daar is de natie in haar toestand. Daar zijn de vrouwen in hun toestand. Daar zijn de mannen in hun toestand. Daar is de kerk in haar toestand. Daar is alles. De elementen, de tekenen, vliegende schotels en van alles in de lucht, en allerlei geheimzinnige dingen, het bulderen van de zee, vloedgolven, de harten der mensen stokken van vrees, beroeringen, radeloosheid onder de volkeren, de gemeente die afvallig wordt.

236 En de mens der zonde is aan het opkomen, die zich verheft boven alles wat God genaamd wordt; hij die zit in de tempel van God, zichzelf tonend, o my, en naar dit land is gekomen. En de kerk heeft zich georganiseerd, en ze zijn allen samen vergaderd als hoeren bij de hoer, en alles precies op de wijze van hoererij.

237 Hoererij, wat is dat? De vrouwen vertellen dat ze hun haar kunnen knippen, de vrouwen vertellen dat ze korte broeken kunnen dragen, de mannen vertellen dat ze dit kunnen doen en dat kunnen doen, en de predikers, zij doen dit, en een sociaal evangelie en dergelijke. Ziet u niet, het is overspel plegen betreffende het ware Woord van God!

238 En God heeft ons Zijn ware Woord gezonden, niet kerkelijk, niet daardoor gebonden, en gaf ons de Vuurkolom, de Heilige Geest Die nu dertig jaar onder ons is geweest. En alles wat Hij voorzegde en zei, kwam precies zo te geschieden als Hij zei dat het zou zijn.

239 Spreek tot het volk en laat ons voorwaarts gaan. Amen. Wij hebben één doel: dat is de heerlijkheid. Laten wij erheen trekken. Wij zijn op weg naar het beloofde land. "Alle dingen zijn mogelijk voor hen die geloven." "Spreek tot het volk. Heb Ik het niet bewezen? Heb Ik zelfs niet Mijn foto te midden van u laten nemen en al het andere, en heb Ik niet alles gedaan wat er maar gedaan kon worden om te bewijzen dat Ik met u ben? Hebben de tijdschriften niet een paar weken geleden het artikel opgenomen, toen u hier op de preekstoel zei wat daar zou plaatsvinden, hier drie maanden van tevoren, en daar vond het plaats en werd het betuigd? Zelfs de wetenschap weet ervan. En alles wat Ik gedaan heb, en u wacht nog steeds. Spreek tot het volk en ga voorwaarts naar uw doel." Amen.

240 Vertelde Nathan David dat niet op een keer? Nathan, de profeet, zei, toen hij David, de gezalfde koning eens zag zitten: "Doe al wat in uw hart is, want God is met u." Hij vertelde David: "Doe al wat in uw hart is. God is met u."

241 Jozua was gezalfd om het land in te nemen voor God en voor Zijn volk. De dag was te kort; hij had meer tijd nodig voor het werk waarvoor hij gezalfd was en dat hem was opgedragen om te doen. Jozua, een man; hij was gezalfd. God vertelde hem: "Zoals Ik was met Mozes, zo zal Ik zijn met u." Amen. "Dat land zal Ik hun geven. Ik wil dat u erheen gaat en het zuivert van de Amalekieten, en de Het-... en al die anderen, de Filistijnen en... en de Ferezieten, en al die verschillende anderen; ruim hen op. Ik ben met u. Ik zal... Geen mens zal voor u standhouden, al de dagen van uw leven. Geen mens kan u lastig vallen. Trek er verder in."

     En Jozua trok dat zwaard en zei: "Volg mij!"

242 En hij trok erheen en daar was hij aan het vechten. En wat was het? Hij verdreef de vijand. Zij waren verspreid in kleine groepjes hier en kleine groepjes daar. Als de avond inviel, zouden ze allen bijeenkomen en zich samen opstellen en met een grote macht tegen hem optrekken. En de zon ging onder. Hij had meer licht nodig. De zon ging onder. Hij viel niet op z'n knieën en zei: "Here God, wat zal ik doen? Wat zal ik doen?" Hij sprak! Hij had een nood. Hij zei: "Zon, sta stil!" Hij schreeuwde nergens tegen. Hij beval: "Zon, sta stil! Ik heb dit nodig. Ik ben de dienstknecht van de Here, gezalfd voor dit werk, en ik heb een nood. Sta stil en schijn niet... En maan, jij blijft hangen waar je bent", totdat hij de strijd gestreden had en de hele zaak verslagen had. En de zon gehoorzaamde hem.

243 Hij riep het niet uit. Hij sprak tegen de zon en zei: "Sta stil, jij. Zon, hang daar! En maan, blijf waar je bent." Hij riep het niet uit: "Nu, Here, wat kan ik doen? Geef mij wat meer zonlicht." Hij had zonlicht nodig, dus gaf hij haar bevel, en de zon gehoorzaamde hem. O my! Hij beval de zon om stil te staan.

244 Simson, gezalfd, stond op, verordineerd door God, hem was een gave van kracht gegeven, hij was verordineerd om het volk der Filistijnen te vernietigen. Verordineerd, geboren op aarde, gezalfd door God om de Filistijnen te vernietigen. En op een dag vingen zij hem op het veld zonder zijn zwaard, zonder speer. En duizend van deze bewapende Filistijnen renden tegelijk op hem af. Knielde hij toen neer en zei: "O Here, ik wacht op een visioen. O Here, wat moet ik doen? Leid me nu in hetgeen ik doen moet"? Hij wist dat hij een nood had. Hij vond niets anders dan een oude ezelskaak en hij sloeg duizend Filistijnen neer. Amen!

245 Hij riep nooit tot God. Hij gebruikte zijn gezalfde gave. Hij wist dat hij gezonden was voor dat werk. Hij wist dat hij ervoor geboren was. Hij wist dat hij gezalfd was met een gave, en hij sloeg duizend Filistijnen neer. Hij riep niet tot God. God had hem verordineerd en had betuigd dat hij het was door andere dingen die hij had gedaan. En hij was een betuigde, gezalfde dienstknecht van God om de Filistijnen te vernietigen, en hij deed het. Het geeft niet wat de omstandigheden waren, hij deed het. Hij vroeg nooit wat. Dat was zijn opdracht. Want God handelde door hem heen; hij pakte dat bot van die muilezel op en begon op de Filistijnen te slaan. Hoe dat...

246 Wel, één slag met dat ding op één van die vier centimeter dikke koperen helmen zou dat bot in een miljoen stukjes versplinterd hebben. En hij sloeg er duizend neer en doodde hen, en stond er nog steeds mee in zijn hand.

247 Hij stelde geen vragen. Hij riep het niet uit. Hij sprak. Hij verdreef hen. O my! "De Filistijnen pakken, kan ik de Filistijnen pakken, Here? Ik... ik weet dat Gij mij zond om het te doen, Here. Ja, Here, ik weet dat Gij mij zond om dit land van de Filistijnen te vernietigen. Nu, hier zijn er duizend van hen rondom mij, en ik heb niets. Wat, wat zal ik nu gaan doen, Here?" O! Niets maakte hem bezorgd. Hij was gezalfd voor het werk. Er is niets wat u kan schaden. Nee, niet één ding. Halleluja! Hij nam gewoon wat hij had en sloeg op ze in. Dat is juist.

248 Toen de vijand hem insloot en zei: "Nu hebben wij hem binnen de muren, nu hebben wij hem. Wij hebben hem hier binnen met deze vrouw. Nu, we hebben deze poortdeur en alles overal rondom goed gesloten en hij kan er niet uit. Wij hebben hem."

249 Simson riep niet: "O Here, ze hebben me helemaal ingesloten in deze denominatie." Huh! "Uh, wat zal ik gaan doen? Ik ben met hen verbonden. Wat zal ik gaan doen?" Dat deed hij helemaal niet.

250 Hij liep gewoon naar buiten en trok de poort naar beneden, legde die op z'n schouders en wandelde ermee weg. Amen! Hij was gezalfd voor het werk. Hij was geroepen door God. Hij was niet in te sluiten. Nee, beslist niet! Hij nam de poorten met zich mee. Hij bad er niet over. Hij vroeg God niet of hij het moest doen of niet. Het was helemaal in de lijn van zijn plicht. Amen, amen, amen! Precies in de lijn van zijn plicht. "Waarom roepen tot Mij? Spreek en ga voorwaarts!" Amen. "Roep niet. Spreek!" Hij was nu wel klaar met jengelen en jammeren. Behoorde oud genoeg te zijn om te spreken. Dat is juist. Hij wist dat zijn gezalfde gave van kracht elke Filistijn die voor hem stond, kon vernietigen. Amen.

251 Maar wij weten dat niet, ziet u. Wij zijn nog steeds kleine baby's met een fles in onze mond.

252 Hij wist het, hij wist dat God hem voor dat doel liet opstaan, en dat er niets was wat voor hem zou standhouden, al de dagen van zijn leven. Niets kon hem vernietigen. Hij was opgewekt voor dat doel zoals Mozes. Niets zou hem tegenhouden. Geen Amalekiet of iets anders kon hem tegenhouden. Hij was op weg naar het beloofde land. Simson wist dat hij op weg was.

253 Jozua wist dat hij het land zou innemen. Hij was betuigd. Gods Woord beloofde het, en de Heilige Geest was daar om het te betuigen.

254 Hij was op weg, en er was niets dat hem zou kunnen tegenhouden. Zeker niet. Precies in de lijn van zijn plicht, met God, zou niets hem kunnen tegenhouden. Dus hij pakte de poorten gewoon op en legde die op zijn schouders – ze wogen ongeveer vier of vijf ton – en wandelde daar naar de top van de heuvel en ging er bovenop zitten. Niets zou hem kunnen tegenhouden. Hij had een gezalfde gave van God. Hij hoefde niet te roepen: "Here, wat moet ik nu doen?" Hij was reeds gezalfd om het te doen. Dat was ZO SPREEKT DE HERE: "Zie hen kwijt te raken!" Halleluja! "Zie hen kwijt te raken! Ik liet jou voor dat doel opstaan." Amen.

255 "Wat moet ik doen, Here? Uh, wat moet ik hier bij de Rode Zee gaan doen?"

256 "Heb Ik je niet verteld dat Ik je hier een berg als teken gaf? Je komt naar die berg terug en je zult deze kinderen naar het land brengen. Heb Ik je niet voor dat doel geroepen? Waarom ben je bezorgd omdat er iets in de weg staat? Spreek en kom in beweging!" Amen en amen! "Ja, Ik riep jou voor dit doel!"

257 David, hij wist dat hij gezalfd was en het was bewezen dat hij een goede schutter was. Hij wist dat zij wisten dat hij een goede schutter was. David was gezalfd; hij wist het. En toen hij voor Goliath stond, riep hij nooit: "O God, wat moet ik nu doen? Wacht, moet ik... Ik weet wat U in het verleden deed. U, U liet mij een beer doden, en U liet mij een leeuw doden. Maar hoe zit het met deze Goliath daar?" Huh! Dat deed hij helemaal niet. Hij sprak slechts. Wat zei hij? "Jij zult worden zoals zij waren in jouw ogen." Hij sprak en ging voorwaarts.

258 Hij bad nooit een gebed. Hij offerde nooit iets. Hij wist dat hij gezalfd was. Amen. Hij was gezalfd en die slinger had bewezen het juiste soort ding te zijn. Hij had geloof in zijn zalving. Hij had geloof dat God dat steentje precies regelrecht naar het midden van die helm kon sturen, waar de enige trefzekere plek was. Hij stond daar.

259 Hij wist dat hij een goede schutter was. Amen. Hij wist dat God hem zo had gemaakt. Amen. Hij wist dat hij een leeuw had gedood, hij wist dat hij een beer had gedood, maar dat ging om de bezitting van zijn aardse vader. Hier gaat het om de bezittingen van zijn hemelse Vader! Amen. Hij ging niet op z'n knieën: "Moet... Wat moet ik nu doen, Here?" Hij sprak en zei: "Jij zult zijn als de leeuw en de beer, en hier kom ik." Amen! Ere zij God! Jazeker. Hij sprak en ging voorwaarts om deze Goliath te ontmoeten. O my!

260 Ongeacht zijn afmetingen! Hij was een klein, rossig uitziend kereltje, weet u wel. Hij was niet erg groot. Hij zag er niet erg knap uit, een ietwat gedrongen kereltje. De Bijbel zei dat hij rossig was. Nu, ongeacht zijn grootte, en zijn zogenaamde bekwaamheid om dat te doen.

261 U weet, de bisschop vertelde hem, zei: "Nu, kijk hier, zoon, die man is een theoloog. Kijk, hij is een krijgsman. Hij is als krijgsman geboren en hij is een... Hij is een krijgsman geweest van jongs af aan en jij bent geen partij voor hem." En zijn broers zeiden: "O, jij ondeugend ventje. Je bent hier naartoe gekomen om zulke dingen te doen? Ga terug naar huis!"

262 Dat deed hem niets. Waarom? Hij wist dat hij gezalfd was. "De God Die mij heeft bevrijd van de leeuw, de God Die mij heeft bevrijd uit de klauwen van die beer, Hij zal mij des te meer bevrijden van die Filistijn. Hier kom ik. Ik ontmoet jou in de Naam van de Here God van Israël." Amen. Hij bad niet door; hij was reeds doorgebeden. God had hem doorgebeden vóór de grondlegging der wereld. Hij was gezalfd voor dat werk. Hij moest spreken en voorwaarts gaan. Dat was alles wat gedaan moest worden; slechts spreken en voorwaarts gaan. O, dat was alles wat er gedaan moest worden. O! Hij gaat niet...

263 ... Om zijn denominatie-broeders, die spotters die daar ook stonden, weet u. O ja. Zij stonden daar te kletsen, te spotten, en grappen te maken en zeiden... Zijn broers, weet u, ze zeiden: "Ah, ah, ah, dat kun je niet. Jij, je bent gewoon ondeugend." Dat bracht hem helemaal niet van zijn stuk. "Jij wil anders zijn dan een ander. Jij wil alleen maar branie schoppen." Als dat branie schoppen was geweest, dan was dat zo geweest. Maar zij keken alleen naar de intellectuele kant.

264 David wist dat de zalfolie op hem was. Amen. Het maakte hem helemaal niets uit. Hij zei: "Die Filistijn zal als de beer en de leeuw zijn, dus hier kom ik." Hij voorspelde het voordat het gebeurde. Wat had hij gedaan? Hij doodde de beer. Hij doodde de leeuw. Hij sloeg de leeuw neer met... Waarmee? Met de... met de slinger, en nam een mes, en toen de beer. De leeuw, hij doodde de leeuw met een mes. Datzelfde deed hij met Goliath. Hij sloeg hem neer met een steen, en trok zijn zwaard en sloeg zijn eigen hoofd eraf, precies daarvoor. Wat voorspelde hij voordat het gebeurde? "En jij zult zijn zoals zij." Waarom? Hij sprak het woord dat het zo zou zijn, en ging toen voorwaarts om het in vervulling te laten gaan. Amen. O broeder! Hij sprak en nam op die dag de situatie over.

265 Als er ooit een tijd was dat de mens behoorde te spreken, dan is het nu. Ik ga nu over een paar minuten sluiten, als u het nog een paar minuten langer kunt volhouden. Ik heb hier nog enkele dingen genoteerd, enkele Schriftgedeelten waartoe ik wil komen.

266 Petrus riep nooit, toen hij een man vond die genoeg geloof had om genezen te worden, die bij de poort genaamd "De Schone" lag. Hij knielde niet neer en bad de hele nacht, of de hele dag, een heel lang gebed, zeggende: "Here, ik bid U nu dat U deze arme, lamme man wilt helpen. Ik zie dat hij geloof heeft. Ik weet dat hij een gelovige is. En ik heb hem gevraagd en hij–hij... ik–ik... Hij zei dat hij geloof had; hij geloofde wat ik hem vertelde. En ik vertelde hem over de... over wat U deed, en ik denk nu wel, Here, dat–dat... Kunt U mij een ZO SPREEKT DE HERE voor hem geven?"

267 Nee, hij wist dat hij een gezalfde apostel was. Hij wist dat Jezus Christus hem de opdracht had gegeven: "Genees de kranken; wek de doden op; reinig de melaatsen; werp duivelen uit. Om niet hebt u ontvangen, geef om niet." Hij zei: "Petrus, ga dat doen!" Hij hoefde niet door te bidden, het was hem opgedragen.

268 Wat zei hij? Hij zei: "In de Naam van Jezus Christus!" Hij sprak de Naam van Jezus Christus, en de man lag daar gewoon. En hij pakte hem bij de hand en zei: "Sta op uw voeten!" En hij hield hem daar vast totdat zijn enkels kracht ontvingen en hij begon te lopen. Waarom? Hij hield nooit een gebedssamenkomst van een hele avond. Hij riep het niet uit tot God. Hij wist volstrekt zeker, van de lippen van Jezus Christus, dat hij gezalfd was voor dit werk. Ja. Hij sprak en deed hem opstaan, want hij wist dat hij een gezalfde apostel was voor dat doel.

269 De mensen die in zijn schaduw lagen, zeiden nooit: "O, kom, apostel Petrus, en roep over ons, en bid het gebed des geloofs voor ons tot God." Nee, nee, dat zeiden ze nooit. Zij wisten dat hij gezalfd was en een betuigde apostel van God. Dus zeiden ze: "Als we alleen maar in zijn schaduw gaan liggen. U hoeft niets te zeggen. Wij weten het, wij geloven het." Leven was in hen! De apostel kon niet naar hen allen toegaan. En zij – zijzelf – zij zijn er een deel van.

270 Mozes zei: "Niet alleen ik ga, wij gaan allemaal." Wij hebben allemaal wat te doen. Wij moeten allen gezalfd worden.

271 En zij zagen die apostel daar staan en zagen hem de zieke man genezen en zagen de dingen die hij deed. Zij wisten dat hij niet bij hen kon komen. Zij zeiden nooit: "Petrus, kom en doe een gebed en wacht nu totdat u ZO SPREEKT DE HERE hebt, en kom het me dan vertellen. Zie wat de Here zegt." Ze zeiden: "Als wij slechts in zijn schaduw kunnen liggen; want dezelfde God Die in Jezus Christus was, is in hem, en wij zien dezelfde dingen gebeuren. Dus zij raakten de zoom van Jezus' kleed aan en lagen in Zijn schaduw, en Jezus is in deze man. Als die schaduw op ons kan reflecteren, zullen we genezen zijn."

272 En de Bijbel zei dat ieder van hen werd genezen. Geen gebedssamenkomst gedurende de hele nacht en zeggen: "Here, als ik in de schaduw van deze apostel ga liggen?" Nee, zij wisten het. Het licht had hen getroffen. Hun harten waren vol. Hun geloof werd losgelaten. Amen. Zij geloofden het. Zij hadden het gezien. Paulus' zakdoeken, precies zo.

     Nu, tot besluit.

273 Jezus riep het nooit uit, toen zij die waanzinnige jongen tot Hem brachten die epilepsie had en in het vuur viel. Hij zei nooit: "Vader, Ik ben Uw Zoon, en nu hebt U Mij hierheen gezonden om zo en zo, en zo te doen. Kan Ik deze jongen genezen?" Hij zei dat nooit. Hij zei: "Kom uit van hem, Satan!" Hij sprak, en de jongen werd gezond.

274 Toen Hij Legioen ontmoette, die tweeduizend duivels in hem had, was het Jezus niet Die riep. Het waren de duivels die riepen: "Als Gij ons gaat uitwerpen," o my, "sta ons dan toe om in die kudde zwijnen te gaan."

275 Jezus zei nooit: "Nu Vader, ben Ik in staat om dit te doen?" Hij zei: "Komt uit van hem", en de duivels namen de vlucht. Zeker, Hij wist dat Hij de Messias was.

276 Bij het graf van Lazarus – hij was al vier dagen dood – zeiden ze: "Als U hier was geweest, Here, zou hij niet gestorven zijn."

277 Hij zei: "Ik ben de Opstanding en het Leven." Amen! Niet waar, wanneer of hoe. "Hij die in Mij gelooft, al ware hij ook gestorven, toch zal hij leven." Amen. Hij wist Wie Hij was. Hij wist wat Hij was. Hij wist dat Hij Immanuël was. Hij wist dat Hij de Opstanding was. Hij wist dat Hij het Leven was. Hij wist dat in Hem de volheid van de Godheid lichamelijk woonde. Hij zag die eenvoudige mensen daar, en Hij zag hetgeen God Hem had verteld wat Hij dan doen moest, en daar was Hij. Hij ging erheen.

278 Hij zei nooit: "Nu wacht, Ik zal hier neerknielen en knielt u allen neer om te bidden." Hij zei: "Gelooft u dat Ik in staat ben dit te doen?" Amen. Hij vroeg er om.

279 Hij was het niet; zij waren het. "Ja, Here, ik geloof dat U de Zoon van God bent Die in de wereld komen zou." O my! Daar wordt Hij geïdentificeerd. Er moet iets gaan gebeuren.

280 "Lazarus, kom eruit!" Hij sprak, en een dode man kwam eruit. Niet: "Kan Ik het?" Hij sprak slechts. Toen aan het geloof was voldaan, gebeurde de zaak.

281 Hij spreekt, Hij sprak, en de blinden zagen; de lammen liepen; de doven hoorden; duivels kwamen er schreeuwend uit; de doden werden opgewekt; van alles. Waarom? Hij bad niet door; Hij was de gezalfde Messias. Hij was die Messias. Hij wist dat Hij het was. Hij kende Zijn positie. Hij wist waarvoor Hij gezonden was. Hij wist dat de Vader Hem had geïdentificeerd als de Messias, voor de gelovige. En wanneer Hij die gelovige ontmoette met geloof, sprak Hij slechts het Woord. Duivels vluchtten. Jazeker. "Spreek! Roep niet. Spreek!" Amen.

282 En Hij kende Zijn door God gegeven rechten, maar wij niet. Hij wist wat Hij was. Wij niet.

283 Mozes was het vergeten. Simson begreep het. Anderen begrepen het. Jozua begreep het. Mozes vergat het. God moest zijn aandacht erop vestigen. Hij zei: "Waarom roep je tot Mij? Ik stuurde jou om het werk te doen. Spreek, en ga voorwaarts naar je doel. Ik vertelde je dat je bij deze berg zou komen. Neem die kinderen en leid ze voort. Spreek slechts. Het kan Me niet schelen wat op je pad komt, ruim het op. Ik gaf je de autoriteit om het te doen. Ik sprak... Je sprak vliegen en vlooien, en schiep, en dingen zoals dat. Nu, waarover schreeuw je tot Mij? Waarom kom je voor deze dingen schreeuwend tot Mij? Spreek slechts en zie hoe het verdwijnt, dat is alles." O my! O, wat houd ik daarvan!

284 Hier Jezus; alles wat Hij zei, Hij sprak slechts het Woord, en het was zo. God had duidelijk betuigd dat Hij Zijn Zoon was. "Dit is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik een welbehagen heb. Hoort Hem."

285 Kijk naar Hem. Ik houd hiervan. Hoe moedig, hoe majestueus stond Hij voor zijn critici. Amen. Zei Hij: "Vernietig deze tempel en Ik zal de Vader bidden en zien wat Hij ermee doet"? "Vernietig deze tempel, en in drie dagen zal Ik die weer oprichten." Niet: "Ik hoop het; Ik zal het proberen." "Ik zál het doen!" Waarom? De Schrift had het gezegd.

286 Dezelfde Schrift die zei dat Hij Zijn lichaam zou oprichten, geeft ons de autoriteit, de macht. Amen! "In Mijn Naam zullen zij duivels uitwerpen; zij zullen spreken met nieuwe tongen; indien zij op slangen treden of dodelijke dingen drinken, het zal hen niet deren; als ze de handen op de zieken leggen, zullen zij gezond worden."

     "Waarom roepen tot Mij? Spreek en ga voorwaarts." O, moedig zal ik...

     "Vernietig deze tempel, Ik zal hem weer oprichten." O!

287 En vergeet nu niet (terwijl we sluiten), dat het diezelfde Hij was. Hij was het Die zei in Johannes 14:12: "Die in Mij gelooft, de werken die Ik doe, zal hij ook doen." Is dat juist? [De samenkomst zegt: "Amen." – Vert] Hij was het Die dat zei.

288 Het was Jezus Die in Markus 11:24 zei: "Als gij tot deze berg zegt," niet als gij bidt tot deze berg, "als gij spreekt tot deze berg 'word opgenomen' en in uw hart niet twijfelt, maar gelooft dat wat u zegt zal komen te geschieden, dan kunt u hebben wat u zei." Nu, als u het alleen maar veronderstellend zegt, zal het niet gebeuren. Maar als er iets in u is, dat het uw... dat u gezalfd bent voor het werk, en weet dat het de wil van God is om het te doen, en het dan zult zeggen, dan moet het gebeuren. "Als gij..."

289 Hij was het Die dit zei: "Als gij in Mij blijft en Mijn woorden in u blijven, vraagt dan wat u wilt, en het zal u geworden." O my! O my! Ziet u wat ik bedoel? [De samenkomst zegt: "Amen." – Vert]

290 Neemt u mij dit niet kwalijk, maar het komt gewoon in mij op. Ik moet het zeggen. Hij was het daar die dag in die bossen, Die zei: "Je hebt geen wild." En Hij schiep drie eekhoorns, en ze stonden daar voor ons. Wat is het? Slechts het Woord sprekend, zeg: "Ze zullen daar, en daar, en daar zijn", en daar waren ze. Hij was het Die dat deed.

291 Charlie, Rodney, Hij was het daar in Kentucky; en Nellie, Margie, en de rest van jullie. Hij was het, dezelfde God Die daar toen was en tot Mozes sprak: "Waarom roept gij tot Mij? Spreek het Woord!" Hij was het Die ze in bestaan bracht. Hij is het. Het is Hem. O, my!

292 Hij was het Die ongeveer een jaar geleden het visioen gaf, en zei dat wij daarheen zouden gaan, en deze zeven zegels, en hoe daar een... een grote donderslag zou zijn die het op gang zou brengen, en dat ze in de vorm van een piramide zouden zijn. En daar werd het in de tijdschriften Look en Life geplaatst; het hangt daar aan de muur. Hij was het Die dat had gezegd.

293 Hij was het die avond toen ik die weg afliep en die grote mambaslang zag, die op het punt stond mijn broeder te grijpen. En Hij zei: "U hebt gegeven... u is kracht gegeven om hem, of enige van de overige, te binden." Hij was het Die dat zei.

294 Tot mijn kleine, grijsharige vrouw daar achterin: Hij was het Die mij die morgen wakker maakte – daar staande in de hoek van de kamer – en zei: "Wees niet bevreesd om iets te doen, of ergens heen te gaan, of iets te zeggen, want de nimmer falende tegenwoordigheid van Jezus Christus is met u waar u ook gaat."

295 Hij was het daar boven in Sabino Canyon, ongeveer drie maanden geleden toen ik aan het bidden was, mij afvragend wat er zou gaan gebeuren. Ik stond daar en een zwaard viel in mijn hand, en er werd gezegd: "Dit is het zwaard des Konings." Hij was het.

296 Hij was het Die tot mij zei: "Zoals Ik was met Mozes, zo zal Ik u zenden."

297 Hij was het Die daar dertig jaar geleden beneden aan de rivier tot mij sprak, toen ik nog een knaap was. Stond daar als een kleine prediker bij de rivier, dertig jaar geleden, stond daar toen dat Licht, dezelfde Vuurkolom, van de hemel neerkwam en daar stond en zei: "Zoals Ik Johannes de Doper zond om aan de eerste komst van Christus vooraf te gaan, zo zal uw Boodschap aan de tweede komst vooraf gaan" – naar de hele wereld. Hoe kon het gebeuren, terwijl mijn eigen voorganger mij uitlachte en er grappen over maakte? Maar het is helemaal precies op die wijze gebeurd. Hij was het Die dat zei. Jazeker!

298 O, hoe Hij het was Die voorzegde in profetie, overeenkomstig het visioen: "Het zal komen te geschieden." Hij was het Die zei: "Als iemand onder u profeteert, of een visioen ziet, en het vertelt, en het komt te geschieden, bedenk dan dat hij het niet is, maar dat Ik het ben. Ik ben met hem." O my! Hoe zou ik door kunnen gaan met te zeggen dat Hij het is. Hij is het, Hij is het!

299 Hij was het Die neerkwam toen ik hun vertelde dat daar de Vuurkolom was, beneden bij de rivier, en zij het niet konden geloven. Hij was het daarginds onder ons, met die Baptistenprediker, voor dertigduizend mensen die avond in het Sam Houston Colosseüm, toen die Engel des Heren Zijn foto liet nemen, daar staande. Hij was het, Dezelfde gisteren, vandaag en voor immer.

300 Hij was het, Die voorzegde dat deze dingen zouden gebeuren. Hij was het Die dit zei. Hij was het Die deze dingen deed. Hij is Dezelfde gisteren, heden een voor immer. Hij heeft alles exact gedaan zoals Hij zei dat Hij zou doen. Amen.

301 Waarom zou ik wachten? God heeft het Woord betuigd. Het is de waarheid. Laat ons voorwaarts gaan. Laat ons wandelen. Laten we op de weg des Heren treden, alle twijfels opzij leggen, alle zonden. Maak het huis schoon, schrob het.

302 Zoals Junior Jacksons visioen toonde dat er niets was overgebleven dan lampen – of zijn droom, als hij hier zit – niets overgebleven dan lampen, en er zaten gouden banden omheen; in de droom die hij mij onlangs 's avonds gaf. O my!

303 Broeder Collins, wees niet bezorgd over die vis. Hij was wit; u wist alleen niet wat u ermee aan moest.

304 Leg alles wat ermee in tegenspraak is opzij. Bedenk, dit is de waarheid, ongeacht hoe fanatiek het soms schijnt te zijn, en al het andere. Ga er precies in mee. Het is de Heilige Geest. Dezelfde God Die Jezus Christus opwekte uit de dood, Dezelfde Die dingen in bestaan kan spreken, Dezelfde Die in de dagen van Mozes leefde, is Dezelfde vandaag.

305 Zijn roep in deze laatste dag heeft Hij betuigd. "Zoals het was in de dagen van Sodom, zo zal het zijn bij het komen van de Zoon des mensen." Hij heeft... Daarginds is Sodom. Daarginds zijn een Billy Graham en een Oral Roberts. En de gemeente gaat verder door dezelfde tekenen die Hij beloofde – beide plaatsen – en daar zijn ze. Hij is het Die dat zei.

306 O Here, geef mij moed, is mijn gebed. Help mij, o Here God.

     Ik moet hier gaan stoppen. Het wordt laat.

307 "Waarom roepen tot Mij? Waarom roept u tot Mij, terwijl Ik heb bewezen met u te zijn? Heb Ik niet uw zieken genezen?" zou Hij zeggen. "Heb Ik u niet dingen verteld die precies zo gebeurden? Uw voorganger kan dat niet doen. Ik! Hij kan het niet; hij is een mens. Ik ben het, de Here", zou Hij zeggen. "Ik ben Degene Die dit deed. Ik ben Degene Die hem deze dingen vertelt te zeggen. Hij is het niet. Het is Mijn stem. Ik ben Degene Die uw doden opwek als ze neervallen. Ik ben Degene Die de zieken geneest. Ik ben Degene Die deze dingen voorzegt. Ik ben Degene Die verlost. Ik ben Degene Die de belofte doet."

308 God, geef mij moed om dat zwaard van het Woord te nemen, dat Hij ongeveer drieëndertig jaar geleden in mijn hand heeft gelegd, om het vast te houden en voorwaarts te marcheren naar de derde trek, is mijn gebed.

     Laten wij onze hoofden buigen.

309 Hemelse Vader, het uur wordt later, maar het Woord wordt dierbaar. Want wij zien keer op keer zien, Here, dat de nimmer falende tegenwoordigheid van Christus altijd met ons is. Hoe dank ik U voor Uw goedheid! Hoe U ons hebt gespaard en ons zegende, hoe danken wij U hiervoor!

310 Terwijl ik deze zakdoeken in mijn hand houd, Here, het zijn mensen die geloof hebben, die dit geloven. Moge elke duivel, elke ziekte deze mensen verlaten. En ik beveel hier elke geest die onrein is en niet van God, elke geest van ziekte, alle ziekten en aanvechtingen. Wij liggen niet in de schaduw van mensen, wat in orde zou zijn, maar wij liggen in de schaduw van het Evangelie, het betuigde Evangelie.

311 Terwijl de grote Vuurkolom heen en weer beweegt door dit gebouw, Dezelfde waardoor God neerkeek toen de Rode Zee haar loop prijsgaf en Israël er doorheen trok. Maar als Hij nu kijkt, is het besprenkeld met het bloed van Zijn eigen Zoon, met barmhartigheid en genade. Mogen wij gehoorzaam zijn. Mogen wij vandaag ophouden met praten, met uitroepen. Mogen wij beseffen dat U ons geroepen hebt voor dit werk. Dit is het uur. Ik spreek het in de Naam van Jezus Christus, laat elke ziekte wijken van deze plaats.

312 Moge elke man en vrouw die de Naam van Jezus Christus aanroept, hun leven vandaag opnieuw toewijden. Ik wijd het mijne toe, Here, op het altaar van gebed. Ik leg mijzelf neer, en schaam me over mijzelf en keer mijn hoofd naar de grond vanwaar Gij mij genomen hebt. Here God, ik schaam mij over mijn zwakheid en mijn ongeloof. Vergeef het, Here. Geef me moed. Geef ons allen moed.

313 Ik voel me als Mozes; we zijn allen op weg gegaan. We willen er niet één achterlaten. We willen iedereen meenemen, Here. Ze zijn de Uwen. Ik eis ze op voor U. Zegen deze mensen vandaag, Heer. Sta dit toe. En zegen mij met hen, Vader, en Uw Naam zal geprezen worden. Uw glorie zal de Uwe zijn. Geef ons dit eeuwige geloof, Heer, terwijl wij onszelf nu aan U toewijden.

314 Ik, boven deze Bijbel en boven deze lessenaar, ik geef U mijn leven, Heer. Ik ben afhankelijk van elke belofte die U hebt gegeven. Ik weet dat ze bevestigd zullen worden. Ik weet dat ze de Waarheid zijn. Geef mij moed om deze woorden te spreken. Geef mij moed, Heer. Leid mij in wat ik zal doen en zeggen. Ik geef mijzelf aan U, met deze gemeente inbegrepen, Heer, in de Naam van Jezus Christus. Amen.

Mijn geloof... op naar U,
U, Lam van Calvarie,
Goddelijke Redder!
Nu hoor mij terwijl ik bid,
Neem al mijn zonden weg,
O, laat mij vanaf deze dag
Geheel de Uwe zijn!

315 Nu, laten wij heel rustig gaan staan, terwijl wij het neuriën. [Broeder Branham en de gemeente beginnen te neuriën Mijn geloof ziet op naar U]

... naar U,
U, Lam...

     Laten wij onze handen nu tot Hem opheffen.

O, Redder...

     Wijd u nu aan God toe.

Nu hoor mij terwijl ik bid,
Neem al mijn twijfels weg,
O, laat mij vanaf deze dag,
Geheel de Uwe zijn!

316 Nu, tezamen, met onze handen omhoog. [De samenkomst herhaalt na broeder Branham dit gebed. – Vert] Here Jezus, [Here Jezus,] ik wijd [ik wijd] mijzelf nu aan U toe. [mijzelf nu aan U toe.] Een leven van dienst, [Een leven van dienst,] zuiverder, [zuiverder,] meer geloof, ik roep, [meer geloof, ik roep,] dat ik [dat ik] een meer aangename dienstknecht mag zijn [een meer aangename dienstknecht mag zijn] in mijn komende leven [in mijn komende leven] dan ik ben geweest [dan ik ben geweest] in het leven dat voorbij is. [in het leven dat voorbij is.] Vergeef mijn ongeloof, [Vergeef mijn ongeloof,] en herstel aan ons [en herstel aan ons] het geloof [het geloof] dat eenmaal de heiligen werd overgeleverd. [dat eenmaal aan de heiligen werd overgeleverd.] Ik geef mijzelf aan U, [Ik geef mijzelf aan U,] in de Naam van Jezus Christus. [in de Naam van Jezus Christus.]

317 Nu, terwijl wij onze hoofden buigen.

Terwijl ik de donkere doolhof van het leven betreed,
En smarten mij omgeven,
Wees Gij mijn Gids;
Gebied dat duisternis in dag verandert,
Was al mijn vrees weg,
Noch laat mij ooit afdwalen,
Van Uw zijde.

318 Terwijl wij onze hoofden nu buigen. Voelt u dat de morgenboodschap u goed heeft gedaan? [De samenkomst zegt: "Amen." – Vert] Geeft het u moed? ["Amen."] Als u zou willen, hef uw handen naar God op, en zeg: "God, ik dank U." ["God, ik dank U."] Ik heb mijn beide handen opgestoken, omdat ik gewoon voel dat het mij geholpen heeft. Het heeft mij moed gegeven.

319 Van sommige dingen die ik heb gezegd, dacht ik niet dat ik ze zou gaan zeggen, maar het is al gezegd. Het was een berisping voor mij. Ik vond mijzelf niet op de wijze dat ik dacht dat ik het deed, maar ik vond dat ik schuldig was dat ik de hele tijd aan het roepen was, in plaats van te spreken.

320 God, help mij van dit uur af, dat ik een meer toegewijde dienstknecht mag zijn.

321 Ik bid niet alleen voor mezelf. Ik bid dat ook voor u, die samen als een lichaam van Christus geroepen bent uit de wereld, u gereedmakend voor het beloofde land, dat God mij moed zal geven om de weg te spreken, de weg vrij te maken opdat u het spoor niet zult missen. Ik zal u vertellen dat ik door de genade van God de bloedige voetsporen zal volgen van Hem Die ons is voorgegaan.

     "Dit toegewijde kruis zal ik dragen – Totdat de dood mij zal bevrijden – Om dan naar huis te gaan om een kroon te dragen, – Daar is een kroon voor mij."

322 Wij geven dit aan U, Vader, onze toewijding, in de Naam van Jezus Christus, Uw Zoon. Amen.

323 [Een broeder begint in een andere taal te spreken. Leeg gedeelte op de band – Vert]

324 Wij danken de Here hiervoor. Wandel in een toegewijd leven. Geef uzelf over aan lieflijkheid, nederigheid. Wandel in de Geest. Wandel, spreek, kleed u, handel als Christenen, nederig en lieflijk. Laat dit nu niet ontbreken. De stem van God spreekt door het Woord, spreekt door gaven. Als de ene gave komt, drukt een andere het uit; een andere gave komt en drukt hetzelfde uit. Kijk, dat is precies juist met het Woord en juist met het uur. God is met ons. Hoe danken wij Hem hiervoor! Nu, als onze...

325 Met onze hoofden gebogen, als onze zuster ons hiervan een akkoord zou willen geven:

     "Neem de Naam van Jezus mede – Als een schild in iedere strijd – En wanneer verzoekingen zich rondom u vergaderen – Fluister dan slechts die heilige Naam in gebed."

326 Doe dat gewoon, spreek het Woord en spreek Zijn Naam. Laat ons nu zingen terwijl wij uitgaan.

Neem de Naam van Jezus mede,
Als een schild... en van smart,
Deze zal u vreugd' en vertroosting schenken,
O, neem hem overal mee waarheen u gaat.

Dierb're Naam...

327 Nu, laten wij elkander de hand schudden en zeggen: "Ik zal voor u bidden, broeder, bidt u voor mij."

... en 's hemels vreugd'.
Dierb're Naam, o hoe zoet;
Hoop der aard en 's hemels vreugd'.

328 Nu, met onze hoofden gebogen, laten we dit volgende vers zingen.

Neem de Naam van Jezus mede,
Als een schild in iedere strijd;
En wanneer verzoekingen zich rondom u vergaderen,
Fluister dan slechts die heilige Naam in gebed.

Dierb're Naam, dierbare Naam, o hoe zoet, o hoe zoet!
Hoop der aard en 's hemels vreugd'.
Dierb're Naam, o hoe zoet!
Hoop der aard en 's hemels vreugd'.

329 Met onze hoofden nu gebogen en onze harten eveneens, met het besef dat Jezus zei: "Die Mijn Woord hoort, en gelooft in Hem Die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven en komt niet in het oordeel, maar is uit de dood overgegaan in het leven." Wetend dat wij door de genade van God dat in onze boezem bezitten; met een toewijding aan Hem vanmorgen dat onze levens van deze dag aan zullen veranderen, dat we positiever zullen zijn in ons denken. Wij zullen proberen om zo lieflijk en nederig te leven, dat wij geloven dat wat wij God vragen, God aan een ieder zal geven. En we zullen geen kwaad over elkaar spreken, over geen enkel mens. Wij zullen voor onze vijanden bidden en hen liefhebben; goed doen aan degenen die ons slecht behandelen. God is de Rechter over wie goed en fout is. Met de...

330 Op grond hiervan, met onze hoofden gebogen, zal ik onze goede vriend, broeder Lee Vayle, vragen of hij de samenkomst met een woord van gebed wil heenzenden. Broeder Vayle.