Hoofdmenu  
Home English (United States)
Download  
audioE-BookPrint
AudioAudio
mp3 Download mp3mp3 is een populaire audioformaat dat op vrijwel alle mediaspelers te beluisteren is. meer info...
m4b Download m4bM4B is een Audiobook formaat voor Apple apparatuur (iPod, iPhone etc...) Uw plek wordt bewaard e.d. meer info...
E-BookE-Book
ePub Download ePubePub is de meest gangbare formaat voor E-Book readers. Het heeft geen absolute paginaindeling. meer info...
pdf Download PDFPDF is het meest ondersteunde formaat met absolute pagina indeling. meer info...
xps Download XPSXPS is een relatief nieuw formaat dat vanaf Windows 7 gelezen kan worden zonder extra software te installeren. meer info...
printPrint
book Download PDFPDF ingedeeld als printbaar boekje (dubbelzijdig printen en in het midden vouwen en nieten). meer info...
xpsbook Download XPSXPS document ingedeeld als printbaar boekje (dubbelzijdig printen en in het midden vouwen en nieten). meer info...

Gebroken waterbakken

Door William Marrion Branham

1 Laten we bidden. Here, nu geloven wij. Wij geloven in de Zoon van God en hierdoor aanvaarden wij eeuwig leven door Hem. Wij zijn deze middag of deze avond weer samengekomen voor nog een dienst, U vertrouwend voor de boodschap en voor wat U ons vanavond zult vertellen. Wij geloven U, Here, en wij wachten op U. U zei: "Zij die wachten op de Here, zullen hun kracht vernieuwen; zij zullen opstijgen met vleugels als van een adelaar." Wij bidden, God, dat U ons vanavond die kracht zult geven om op te stijgen, terwijl wij op U wachten.

2 Wij danken U voor deze mensen, voor wat zij voor U betekenen en voor wat ze voor mij betekenen. Ik dank U ervoor, Vader. Zij zijn Uw juwelen. En ik bid, God, dat Gij vanavond Uzelf aan hen zult manifesteren op de manier dat zij het nodig hebben. Indien er hier zieken zijn, mogen zij genezen worden. Als er twijfel is in iemands gedachten, helder het op, Here, en geef ons slechts van Uw tegenwoordigheid en Uw zegeningen, omdat wij ze nodig hebben, Here, Gij zijt onze Algenoegzame en zonder U kunnen wij niets doen.

3 Wij bidden U dat U onze dank voor alles wat U hebt gedaan, zult aanvaarden. In de Naam van Jezus Christus zien wij uit naar Uw zegeningen. Amen. (U kunt gaan zitten.)

4 En... Wel, het is hier deze zondagavond wat koeler dan het vorige zondagavond was. Wij zijn daarom onze broeders erg dankbaar, die zo getrouw hebben gewerkt om dit er in te krijgen. Ik ken twee of drie van hen: broeder Mike Egan, die ik daar achterin zie, en broeder Mike en broeder Sothmann, broeder Roy Roberson geloof ik en broeder Wood, en zij allemaal waren hier en zij zweetten het uit, proberend dit gereed te krijgen zodat we deze boodschap nu vandaag zouden kunnen houden. Wij zijn dankbaar.

5 Nu, de volgende zondagmorgen, zo de Here wil, wil ik een genezingsdienst houden: gebeden voor de zieken. We zullen het bestemmen voor een genezingsdienst, zo de Here wil .

6 Ik bemerkte hier vanmorgen een heleboel zakdoeken. Ik bad ervoor, en ik... Terwijl u bad en zong, bad ik voor de zakdoeken en er zijn er hier vanavond nog meer. We geloven dat God de zieken geneest. Er zijn zoveel grote getuigenissen van genezing onder ons en over de wereld. Wij zijn daar dankbaar voor.

7 En ik dacht, volgende zondag, omdat ik voor een poosje weg moet, en we ons zoveel bezig hebben gehouden met alleen het onderwijzen van de Boodschap, dat ik dacht dat het goed zou zijn als we een genezingsdienst hielden, dat we voor de zieken zouden bidden. En we vertrouwen dat God ons een grootse tijd zal geven.

8 Nu, velen van u moeten vanavond nog vele kilometers rijden. Ik sprak vandaag tot groepjes daar in het Blue Boar Cafetaria, waar ik mijn middagmaal gebruikte; vele fijne mensen. Ik moest hun handen schudden en met ze praten, mensen die ik nooit tevoren ontmoette, die naar de gemeente komen. Ik ben dankbaar voor zulke vrienden, en ik wil een ieder van u danken. Sommigen van hen hadden bramen geplukt en voor ons meegebracht. Eén bracht voor ons een emmer met siroop mee of melassestroop geloof ik dat het was, en gewoon dingen... U weet niet wat dat betekent. En op een morgen toen ik opstond en het huis uitging, stond er eens...

9 Onlangs 's morgens was er daar een of andere broeder die heel slecht af was, hij had geen kleren en zo, wilde dat ik wat kleren voor hem haalde. Ik ging naar buiten en ik struikelde bijna over een emmer bramen die daar stond. Ik zei: "Hebt u deze bramen meegebracht?"

10 En hij zei: "Nee, ik weet daar totaal niets vanaf. Ik was hier voor het licht werd en toen stonden ze hier al." En het was mijn goede broeder Ruddell die ze naar me toe had gebracht. Dus die dingen waardeer ik zeker.

11 Billy Paul deelde me een paar ogenblikken geleden mee dat ze in deze samenkomst vanavond een offer voor mij hebben opgehaald. Ik dank u daarvoor. Ik wilde niet dat u dat deed. Ik waardeer gewoon uw inspanningen enzovoort, maar het was niet nodig en... Maar de Here zegene u. U weet dat de Bijbel zegt: "Wat gij aan eén van de minste van dezen hebt gedaan, hebt gij aan Mij gedaan."

12 Nu, ik heb wel heel rechtstreeks tot u over de Boodschap gesproken, en ik... Sommige mensen zouden de indruk kunnen hebben dat ik denk dat Jezus morgenochtend zal gaan komen of vanavond. Dat doe ik! Nu, ik zeg niet dat Hij het zal doen. En nog eens, Hij zou misschien niet komen voor volgende week. En het zou misschien volgend jaar zijn. Het zou over tien jaren mogen zijn. Ik weet niet wanneer Hij komt, maar er is één ding dat ik wil dat u altijd in gedachten houdt: weest u elk ogenblik of elk uur gereed. Ziet u? Dan als Hij vandaag niet zou komen, zou Hij hier misschien morgen zijn. Dus houd gewoon in uw gedachten dat Hij komende is.

13 Ik weet niet op welk moment mijn laatste uur zal zijn op deze aarde, evenmin weet iemand van ons het. Er is geen van ons die weet wanneer Hij komt. Volgens Zijn eigen woorden weet Hij het zelf zelfs niet. Hij zei dat alleen de Vader weet wanneer Hij zal komen; zelfs de Zoon weet niet wanneer Hij zal komen. Het gebeurt wanneer God Hem weer naar ons terugzendt. Maar wij zien uit naar Zijn komst. En als Hij niet in mijn generatie komt, zal Hij misschien in de volgende komen. Als Hij niet in die komt, zal Hij misschien in de volgende komen. Maar ik voor mij, ik kan nauwelijks zien dat ons nog enige tijd rest. Voor mij zou het elk ogenblik kunnen gebeuren. Nu, dat betekent niet - dat betekent nu niet dat u de hemelen zult zien veranderen en elke... Dat is niet de komst waarover ik spreek. Ik spreek over de opname.

14 Ziet u, Hij heeft drie komsten. Hij komt in drie Zoonsnamen. Hij komt in een drieheid, Vader, Zoon, Heilige Geest. Ziet u? Het is alles dezelfde Christus, steeds dezelfde God.

15 Nu, wij weten dat Hij kwam om drie werken der genade te brengen: rechtvaardiging, heiliging, doop met de Heilige Geest. Alles in God wordt voleindigd in drieën. Zo komt Hij eerst om Zijn bruid te verlossen; Hij komt ten tweede male als een opname om Zijn bruid weg te nemen; Hij komt ten derdemale met Zijn bruid, Koning en koningin. Nadat... Dat is zoals vele mensen Zijn komst verwachten. Maar wanneer Hij deze keer komt, zal nauwelijks iemand, behalve diegenen die gereed zijn, weten wanneer Hij komt. Er zullen gewoon mensen afwezig zijn. Ze zullen niet weten wat er met hen is gebeurd. Ze zullen gewoon in een ogenblik worden weggenomen. En dat... Ze zullen gewoon blijken vermist te zijn, veranderd in een moment, in een oogwenk. Dus wees daar gewoon gereed voor. Het zou afschuwelijk zijn als u op een of andere morgen een geliefde zou missen en niemand ze kon vinden. Zou het niet al te erg zijn te weten dat het al voorbij is en dat u het hebt gemist? Dus neem u gewoon in acht voor God.

16 Nu, volgende week, zo de Here wil, volgende... Na komende maandag, zo God wil, zal ik mijn gezin terugbrengen naar Arizona waar ze naar school gaan, en dan zal ik terugkomen.

17 Nu, ik ga daar niet heen... Ik heb daar helemaal geen diensten. Ik ben praktisch nooit in Arizona, ik ben dan ergens anders. Ik breng mijn vrouw daar volgende maandag. Ik zal hier weer terugkomen. Ik zal van hier vertrekken naar Brits Columbia. Ik kom terug naar Colorado. Ik zal weer even in Arizona zijn, ongeveer tegen Kerst, net lang genoeg voor misschien één of twee dagen, en het gezin bijeen brengen om hier terug te zijn met de Kerstvakantie, zo de Here wil, om hier een dienst te houden in de Nieuwjaarsweek.

18 Ik ben hier vrijwel tien keer zoveel als daarginds, omdat we daarginds geen enkele gemeente hebben of wat voor diensten ook. We hebben daarginds niets wat kerkdiensten betreft. Dat is daar een kwalijk punt; ik heb geen plek om de kinderen heen te sturen die deze Boodschap willen horen, zoals uw kinderen het hier te horen krijgen. Dus dat is een gemis dat we daar hebben. Maar ze zijn allemaal gezonder. Het is een droog, heet klimaat, maar al de kinderen schijnen gezonder te zijn. Ik ben daar niet lang genoeg om te weten of het gezond is of niet. Ik ben in beweging, en ik vermoed dat ik gewoon als zwerver werd geboren.

19 Mijn vrouw noemt mij... (Ik weet dat ze hier is, ik zal dit te horen krijgen na de dienst, u kent dat allemaal.) Hoe heet dat; "Draaiende winden", of "rusteloze winden" of wat ook, u weet het, "drijfzand" of...? Met andere woorden, ik ben altijd in beweging. Ik ben nu tweeëntwintig jaar getrouwd, en soms denk ik dat ik een vreemdeling ben rondom het huis, omdat ik steeds moet gaan... Maar ik kijk uit naar de tijd wanneer wij op een dag in het Vaderland gevestigd zullen zijn. Maar nu woedt de strijd voort, dus laat ons in gebed zijn.

20 Vergeet niet, volgende zondagmorgen, zo de Here wil, uw zieken en aangevochtenen mee te nemen. Kom vroeg, neem uw plaats in. Er is dan waarschijnlijk een groep waarvoor moet worden gebeden. We zullen gebedskaarten moeten uitgeven. Als er niet genoeg zijn, zullen we geen gebedskaarten uitgeven, als er net genoeg zijn om een kleine rij te vormen zo van twee of drie dozijn of zoiets. Maar waarschijnlijk zullen we gebedskaarten uitgeven. We zullen die waarschijnlijk uitgeven ongeveer een uur voor de normale dienst die geloof ik begint om... Ze zullen de gebedskaarten uitgeven van acht uur tot half negen. Dan zal men de kerk openen om de gebedskaarten uit te geven, volgende zondagmorgen. Wees er dan zeker van hier te zijn en uw geliefden mee te brengen. Breng ze naar binnen. Het zal heerlijk koel in de kerk zijn voor de zieken, en we zullen alles doen wat we kunnen om voor ze te bidden.

21 Dank u nogmaals voor het liefdeoffer.

22 En nu zullen we iets van Gods Woord lezen, om vanavond gereed te zijn voor dit gebeuren van Zijn tegenwoordigheid om ons opnieuw Zijn Woord te brengen. Nu, we weten dat we een tekst kunnen lezen, maar God moet de samenhang openbaren. Ziet u? Wij kunnen een tekst nemen, maar God moet het verband openbaren.

23 Terwijl u nu opslaat in het boek Jeremia, het tweede hoofdstuk, wil ik zeggen dat ik zo blij ben om broeder Lee Vayle bij ons te hebben, een dierbare broeder in de Here, en ik geloof dat hier een broeder is (ik kan niet op zijn naam komen), broeder Willard Crase. En ik zag daar broeders uit Arkansas, broeder John en zij die komen uit de buurt van Popular Bluff, en broeder Blair. En o, broeder Jackson, en broeder Ruddel, en zovelen dat ik gewoon niet kan... Ik zou ieders naam wel willen noemen, maar ik kan het gewoon niet. U begrijpt dat wel. Broeder Ben Bryant zie ik hier zitten. Hij is gewoonlijk mijn "Amen afdeling", terwijl ik... Iedereen kent Ben aan zijn stem.

24 Ik was eens aan het prediken in Californië, ik had een boodschap voor de Baptisten daar in de vallei. Zij hadden daar een grote tent en er waren een heleboel van die nogal aristocratische Baptisten. Ik zou nooit een "Amen" horen van waar ook, weet u. Bevreesd dat dat van sommigen van de vrouwen de verf van hun gezicht zou doen breken. En toen opeens, weet u, zag ik een paar voeten van zo ongeveer omhoog komen de lucht in, en twee grote handen, en een zwarte bos haar daar schudden, roepend: "A-a-amen!", zo roepend. Ik keek erheen en ik zei: "Ben, waar kom jij vandaan?" Hij kreeg werkelijk het 'Amen'!

25 Ik zie dat zijn vrouw hem een beetje zit te bekijken. Wel, hij verliest een beetje van dat zwarte haar, maar dat is in orde. Maak u daar geen zorgen over. Met het mijne gebeurde het al lang geleden.

26 Dus nu, vergeet niet om te bidden. Terwijl we nu naar de ernstige kant van de dienst gaan, bedenk dat als wij dit Woord lezen, God Zijn Woord zal zegenen. Het zal niet ledig tot Hem terugkeren, maar het zal volvoeren waartoe het bestemd is. Ik weet dat ik in het lezen van het Woord altijd juist zal zijn. Wanneer ik het Woord lees, zal God Zijn Woord eren.

27 Nu, laten we opstaan uit eerbied voor Zijn Woord, Jeremia, het tweede hoofdstuk; Jeremia 2:12 en 13:

     Ontzet u daarover, o hemelen, huivert en weest ten diepste ontroerd, luidt het Woord des HEREN, want mijn volk heeft twee boze daden bedreven: Mij, de bron van levend water, hebben zij verlaten, om zichzelf bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water houden.

28 Laten we onze hoofden nu buigen. Dierbare God, Uw Woord is gelezen, en wij bidden dat U dat Woord zult eren, en ons vanavond de gelijkenis of de parallel ervan geeft, als wij zien naar voorbije dagen met Israël als voorbeeld; zoals de Bijbel ons leert kunnen wij zien wat U met hen deed wanneer zij Uw Woord gehoorzaamden, en wij kunnen zien wat U met hen deed, als zij het Woord ongehoorzaam waren, en zo kunnen wij leren wat wij moeten doen. Dus wij bidden dat Gij vanavond op een heel speciale wijze tot ons wilt spreken, opdat we zouden mogen weten hoe onszelf te gedragen in deze dag, waarvan we hebben geleerd vanmorgen in welke wij leven. Want wij vragen het in Jezus' Naam. Amen. (U kunt gaan zitten.)

29 Ik wil vanavond kort spreken over het onderwerp Gebroken waterbakken.

30 Israël had twee grote boosheden bedreven. God zei dat zij zich van Hem, de Bron des levens, hadden afgewend, en zichzelf waterbakken hadden uitgehouwen om uit te drinken.

31 Nu, dat is iets... De reden dat ik aan deze tekst dacht, was omdat het parallel zou lopen met wat ik vanmorgen zei over het uur waarin wij leven en de zaak waarvoor wij strijden.

32 En we kijken naar Israël als voorbeeld hoe God was; Hij moet altijd hetzelfde blijven. En er is slechts één ding wat God immer eerde; dat was Zijn weg die Hij voor de mensen toebereidde. Wanneer zij van die weg afweken, dan werd God schande aangedaan, en God liet de mensen lijden vanwege het nalaten van wat Hij hun verteld had te doen. Ongeacht wat het was. Hij gaf hun zelfs een wet: "Raak niet, smaak niet, roer niet aan", niet vanwege het kwaad van het te doen, maar om het kwaad van ongehoorzaam te zijn aan wat Hij zei te doen. En er kan nooit een wet zijn zonder een straf op de wet, omdat als er geen straf is, de wet niet veel heeft te betekenen tenzij de wet een straf heeft.

33 Nu, we ontdekken dat wat zij in die dag deden parallel schijnt te lopen met wat wij vandaag doen, wat de kerkmensen doen.

34 We zien hier iets vreemds. Het zou wel eens vreemd hebben mogen schijnen voor sommige mensen, toen Hij zei: "U hebt – zij hebben zichzelf bakken, gebroken bakken, uitgehouwen." Nu, misschien weten sommigen van u niet wat een waterbak is. Hoevelen weten wat een regenbak is? Wel bijna allemaal. Als u ooit werd opgevoed op een boerderij, weet u wat een regenbak is. Ik herinner het me; ik heb genoeg torretjes opgedronken om te weten wat een regenbak is. Ik predikte op het platteland, waar je onder een afdak van begroeid latwerk een grote kruik water uit de bak had staan, uit de regen, weet u, en het was dan wat oud geworden, en de torretjes kwamen er dan 's nachts in... En dus weet ik wat water uit een regenbak is.

35 Een regenbak is een ding dat is uitgegraven in de grond om de plaats van een bron in te nemen. Waar mensen geen bron hebben, nemen ze een regenput. Met andere woorden, een regenput is een door mensen gemaakte tank of een door mensen gemaakte put in de grond, die mensen uitgraven om het water in op te vangen om het te gebruiken. Sommigen van hen gebruiken het als waswater en sommigen gebruiken het voor drinkwater, en voor andere zaken misschien. Soms kwam al het water dat wij vroeger kregen uit een put. Wij hadden vroeger een oud ding dat je steeds op moest draaien om het water boven te krijgen; er hingen emmertjes aan om het water uit de regenbak op te pompen.

36 Wel, we merken één ding op waarin een regenbak anders is dan een bron. Een regenbak zal leegraken. De regenbak kan zichzelf niet vullen. Hij is niet betrouwbaar. U kunt niet vertrouwen op een waterbak. Hij moet vertrouwen op, en afhangen van de regen die valt in de zomer of de winter, wat het ook is, om... Gewoonlijk loopt in de winter, wanneer de sneeuw en de regen komt, het water de regenbak in. En als dat water er niet in komt, dan hebt u helemaal geen water. Hij zal dan helemaal uitdrogen. En hij kan zichzelf niet opnieuw vullen. De oude waterbak kan zich niet hervullen; hij krijgt zijn vulling van de regen die valt.

37 En ik wil dat u iets anders opmerkt over een waterbak. Gewoonlijk vindt u... De wijze waarop het bij ons was, de put... Gewoonlijk is de schuur ongeveer twee keer zo groot als het huis, en ze laten gewoonlijk het water vanaf de schuur naar de waterbak lopen. Ik herinner me die oude regenput daarbuiten, wanneer de afvoerbuizen het er vanaf de schuur in lieten stromen. Hij vult zich vanaf de schuur en dan wordt het water meegevoerd vanaf het dak van de schuur. Al de dieren stappen rond over het erf van de stal en al het vuil van het boerenerf hecht zich in de droge periode vast op het dak van de schuur en dan komt de regen en spoelt het allemaal van het dak af in een door mensen gemaakte trechter, dan komt het in een mensengemaakte pijp, dan in een mensengemaakte regenbak. Als u dan geen smeerboel hebt gekregen, als u een regenbak hebt, weet ik niet wat u wel hebt. Jazeker! Het is allemaal mensengemaakt en zo smerig als het maar kan zijn.

38 Weet u, we legden er vroeger een filterdoek op. Hebt u die ooit gekend? U moest er een filterdoek over doen om al de torren en dergelijke op te vangen die van het schuurdak en overal van het gebouw afkwamen. Alles stroomde vanaf elke plaats de waterbak in. En we waren gewoon er een filterdoek op te doen om zo mogelijk al het vuil en de rommel op te vangen. Natuurlijk zou dat niet het werkelijke vuil opvangen, het ving slechts de grote stukken op die naar beneden kwamen en erin vielen. De kever zou erin kunnen vallen, maar het vocht van de kever ging er door met het water. Dus u had werkelijk een vuile rommel wanneer u een oude, smerige regenput had.

39 Binnen een paar dagen bederft het, als u het water daarin laat staan. Als u het water in een put laat staan wordt het bedorven, en het raakt vol met kikkers, hagedissen en slangen, en met wat we vroeger "wriemelstaartjes" noemden, hele kleine... Ik weet niet of... Het zijn geen parasieten, het zijn...? ... Ik weet niet hoe ze heten, maar er komt één of ander klein iets in het water dat we wriemeldiertjes noemden. U weet wat het is. Hoevelen weten waar ik over spreek? O, wel zeker, u mensen van het platteland weet het allemaal. Het raakt helemaal vol met bederf, en dan komen deze liefhebbers van bederf eveneens. Het komt eigenlijk omdat het water stil staat. En omdat het stil staat trekt het de dieren aan die van onzuivere dingen houden.

40 Dat lijkt erg veel op onze kerken vandaag. Ik denk dat we hebben verlaten... Eén van de grote zonden die de gemeente vandaag heeft bedreven, is, dat zij net zoals Israël toen, Hem, de Bron van levend water hebben verlaten en zichzelf mensengemaakte bakken hebben uitgehouwen. En ze werd tot een woonplaats van alles wat van zulk water houdt. Hagedissen, kikkers, en allerlei onreine kiemen leven erin, omdat het een mensengemaakte tank is; en in deze tank verblijven deze dingen. Een volmaakt voorbeeld van onze denominatiekerken vandaag.

41 "Nu," zegt u, "broeder Branham, waarom slaat u die mensen zo hard?" Het behoort geslagen te worden. Er moet tegen geslagen worden. Ontvlucht het, omdat het tenslotte het merkteken van het beest zal vormen. Bedenk, dat is de waarheid! Het zal het merkteken van het beest zijn; denominatie zal er regelrecht naartoe leiden. Het heeft nu precies daar haar weg ingeslagen om door macht af te dwingen.

42 Kijk, in het oude Romeinse keizerrijk was dat precies datgene wat hen naar het teken van afvalligheid leidde. U ontdekte dat geen mens kon kopen of verkopen zonder het merkteken van het beest. Hij moest het hebben.

43 Er zullen slechts twee klassen mensen op aarde zijn; die met het zegel van God, en die met het merkteken van het beest, slechts twee klassen. Dus u zult het een of het ander moeten hebben. En er zal een afval zijn, een merk van een religie, een afvallige religie.

44 En het zal een beeld voor het beest gaan hebben. Als we het bestuderen vinden we uit dat Rome was, en is, en altijd het beest zal zijn. Precies. Er is geen wijze om iets anders te krijgen – Rome.

45 Wat deed Rome? Het werd veranderd van heidens Rome in pauselijk Rome, en organiseerde een systeem, een wereldsysteem, dat iedereen tot die ene religie dwong òf men werd ter dood gebracht.

46 En het is een vreemde zaak dat deze Verenigde Staten op het toneel verschijnen, en het verschijnt als een lam. En een lam heeft twee kleine horens, burgerlijke en kerkelijke rechten. Nadat dat lam er een poosje was, ontdekten we dat het toen sprak als een draak en al de macht uitoefende die de draak voor hem had. En de Bijbel vertelt ons dat ze zeiden: "Laat ons een beeld maken voor het beest." Een beeld is iets wat gelijkt op iets anders. En we kunnen nu op dit moment zien dat de kerk in haar afvallige toestand de Wereldraad van Kerken vormt, wat het beeld is voor de macht van Rome, wat van de mensen hetzelfde af zal dwingen wat het heidense Rome – of pauselijk Rome deed. Dus er is geen andere manier, niets anders, dat is echter de waarheid.

47 Daarom sla ik ertegen in mijn tijdperk, in mijn tijd, omdat er tegen geslagen moet worden. De roep is gekomen: "Kom uit van haar, Mijn volk, opdat gij geen deel hebt aan haar zonden!"

48 Nu, ik vergelijk dat met deze vuile, smerige waterbakken. Hij is de Bron des levens; Hij is het levende water. En de mens heeft dat verlaten en voor zichzelf regenputten gegraven die alleen het vuil kunnen opvangen. Dat is het enige wat het kan opvangen. En dat doet denominatiedom; het vangt alles op wat langs komt, wat toe wil treden. Ze zijn genegen het op te nemen indien het wat geld heeft of zich op een bepaalde manier kan kleden. Ongeacht wie ze zijn, waar ze vandaan komen, zij nemen ze hoe dan ook op.

49 Nu, we ontdekken eveneens dat dit merkteken van het beest dat hier werd gevormd... Amerika is nummer 13, het werd geboren met 13 koloniën, het had een vlag met 13 sterren en 13 strepen; en het verschijnt zelfs in Openbaring het dertiende hoofdstuk. En Amerika is altijd een vrouw geweest, zoals voorgesteld op onze munten. Zelfs het hoofd van een Indiaan op een stuiver is het profiel van een vrouw. Wij weten dat, wij kennen de historie ervan. Alles, de Vrijheidsklok en al het andere, het Vrijheidsbeeld is... Alles is een vrouw. Een vrouw, nummer 13... Ziet u?

50 Nu, het is prachtig om die dingen te zien. En nu, ik heb door openbaring van God of door een visioen in 1933 voorzegd, dat er voor de eindtijd zeven dingen zouden gebeuren. Eén ervan was dat Mussolini, die destijds dictator werd, dat hij dictator zou worden; en ook dat hij een invasie zou ondernemen en naar Ethiopië zou gaan, en dat hij Ethiopië zou innemen. En de Geest had gezegd: "Hij zou vallen bij zijn stap."

51 Ik vraag mij af of er nog iemand van de oudgedienden van de Tabernakel over is, die zich herinnert dat ik dat zei in de Redman's Hall daarginds, waar we vele jaren geleden predikten. Is er iemand in het gebouw vanavond, die daar overgebleven is van vroeger in de oude Redman's Hall, toen ik dat predikte, toen ze de N.R.A. ginds hadden, vroeger in de tijd van Roosevelts eerste ambtsperiode? Ik vermoed dat er hier niet één meer is. Is er één? Ja, ja, één. Daar is er één, ja, Mevrouw Wilson, ik herinner me haar. En mijn vrouw die achterin zit. Twee over uit de oude generatie van die dag. Toen ze zeiden dat deze N.R.A. het merkteken van het beest was, zei ik, "Niets van aan! Helemaal niet. Het merkteken van het beest komt niet hier vandaan, het komt uit Rome, dit kan het merkteken van het beest niet zijn."

52 En nu, bedenk dat deze dingen werden gezegd. Ik zei dat Adolf Hitler aan een mysterieus einde zou komen; en dat hij de oorlog zou verklaren aan de Verenigde Staten; ze zouden een groot betonnen geval bouwen, zodat ze er zelfs in zouden kunnen wonen, en dat daar precies de Amerikanen een verschrikkelijke slag zouden incasseren. Het was de Siegfriedlinie – elf jaren voordat men er ooit aan begon te bouwen! En ik zei toen dat hij echter aan het einde zou komen, en Amerika zou de oorlog winnen.

53 En vervolgens werd er gezegd dat er drie 'ismen' zouden zijn: Nazisme, Fascisme, en Communisme. En ik zei: "Ze zullen allemaal uitlopen op het communisme. Rusland zou het allemaal in het communisme brengen."

54 En ik zei: "Dan zal de wetenschap zo belangrijk toenemen dat de mens zo knap zal worden en zoveel dingen zou uitvinden, dat hij een auto zal maken die er uitziet als een ei, die aan de bovenkant zoiets als een glazen dak zou hebben en bestuurd zou worden door een andere kracht dan een stuurwiel." En ze hebben die auto gekregen.

55 En ik zei: "Dan zal de moraal van onze vrouwen vervallen tot zulke ontaarde dingen dat ze een schande zullen zijn voor alle naties. Ze zullen mannenkleren gaan dragen. Ze zullen door blijven gaan hun kleren uit te trekken tot ze werkelijk zo diep zinken dat het lijkt alsof ze hun onderkleren aan hebben. Dat is alles. En tenslotte zullen ze ertoe komen slechts een vijgenblad te dragen." En als u het opgemerkt hebt, in het tijdschrift Life van vorige maand: de vrouw stond met vijgenbladeren aan; en dat is de nieuwe avondjurk of -japon die ze 's avonds dragen; doorzichtig, u kunt er doorheen kijken, alleen de vijgenbladeren verbergen een zeker deel van haar lichaam. Ze draagt badpakken zonder bovenbandjes, stelt haar lichaam ten toon... Wat zijn die dingen uitgekomen.

56 Toen zei ik: "Ik zag een vrouw staan in de Verenigde Staten als een grote koningin of zoiets. Ze was mooi om naar te kijken, maar boos in haar hart. En zij maakte dat het land in haar voetspoor trad."

57 Maar zei ik: "Tenslotte vertelde Hij mij om weer terug naar het oosten te kijken, en toen ik dat deed, en ik keek, leek het alsof de wereld ontploft was. Zover als ik kon zien waren er niets dan stokken en smeulende rotsen die opgeblazen waren uit de aarde. Deze dingen zouden gebeuren voor het einde van de wereld." En vijf van de zeven zijn reeds gebeurd in drieëndertig jaar!

58 Daar staan we, terug tot de eindtijd! En ik sprak toen al tegen dat denominatie-systeem. En ik geloof vanavond nog steeds dat het een beerput is, dat het een plaats is waar het vuil in loopt. Ik kan niet geloven dat God ooit zoiets in Zijn gemeente zou brengen, omdat deze geboren moet zijn uit de Geest van God en dan is gereinigd, voordat het het Zijne kan worden genoemd. Het mystieke lichaam van Christus; wij worden erin gedoopt door de doop van de Heilige Geest.

59 Ja, dit regenputsysteem is zeker een volmaakt voorbeeld van denominatie. Een wijs man behoorde het te bekijken en er nooit in te gaan, want God heeft door de eeuwen heen bewezen dat Hij er tegen is en er nooit mee werkte. Welke groep ook... Telkens als er een man opstond met een boodschap, zoals Luther, Wesley, enzovoorts, en Smith en Calvijn en anderen; telkens wanneer zij de organisatie begonnen, schoof God de zaak aan de kant en bezocht haar nooit opnieuw met een opwekking.

60 Kijk de geschiedenis na. Er is nooit een tijd geweest dat God ooit een denominatie nam en daaruit een opwekking vormde. Nergens. Dan bewijst dat door de geschiedenis heen en door de Bijbel, dat het iets smerigs is in Gods ogen. Dus wil ik er niets mee te doen hebben. Daarom ben ik ertegen en probeer ik de mensen eruit te krijgen.

61 Wij worden uitgenodigd – zoals het in Israël was, zo is het nu – om te kijken naar Israël als voorbeeld. Zolang zij bij die Bron bleven, waren zij in orde. Maar toen zij er toe kwamen zichzelf bakken uit te houwen, mensengemaakte systemen, verliet God hen eenvoudig. Hij zal met ons hetzelfde doen. Zij hebben Hèm verlaten, de Bron van levend water. Dat waren de klachten die God tegen hen had, dat zij iets maakten waarvan zij zouden kunnen zeggen: "Ziet U wat wíj hebben gedaan?"

62 Nu, toen in de tijd van de reis van Mozes God door genade hun een profeet had gegeven, en hun een Vuurkolom had gegeven om voor hen uit te gaan, het had betuigd door tekenen en wonderen – genade had al deze dingen bereid – wilde Israël nog steeds...?... de Wet. Zij weigerden genade om de wet te nemen. Dat is precies wat de mensen vandaag doen; zij weigeren het Woord om een denominatie-systeem te nemen, omdat zij daarin kunnen doen wat zij willen en er ongestraft vanaf komen. Maar u kunt dat niet doen in Christus! U moet rein en zuiver komen om in Christus te zijn.

63 De artesische bron te verlaten voor een mensengemaakt systeem of een regenput... Zou u zich kunnen voorstellen dat iemand dat doet? Zou u zich de geestelijke toestand van een persoon kunnen voorstellen die zou kunnen drinken uit een frisse artesische bron, en die deze dan zou verlaten voor een mensengemaakte put met kikkers, hagedissen, maden en al dat andere er in? Het lijkt zelfs niet verstandig om zelfs maar juist te zijn, maar dat is toch precies wat de mensen hebben gedaan. Zij hebben het Woord verlaten, de ware Fontein van Gods bron en kracht, om uit putten te drinken en zichzelf regenbakken te maken. Precies zoals ze toen deden, hebben ze nu gedaan.

     Ze zeggen... Hij zei: "Zij hebben Mij hier verlaten." Hij zei hier in Jeremia 2:13: "Zij hebben Mij verlaten, de Bron van levend water."

64 Nu, we zien wat een regenbak is. We zien wat deze opvangt. We zien hoe hij wordt gemaakt. Het is een door mensen gemaakt iets wat van een vuil dak afkomt. Het water dat naar beneden valt, komt op een vuil dak terecht en het spoelt alleen het dak af, brengt het verder door een mensengemaakte goot, door een mensengemaakte pijp, in een mensengemaakte tank. En al het vuil verzamelt zich daarin, en de kiemen, en de hagedissen, en kikkers, en dingen van het land houden daarvan. Let op, het zijn de onreine dieren: maden, bedorven. Een made kan niet leven in helder water. Als hij het doet, zou het hem doden. Hij moet in het stilstaande water zijn.

65 En zo is het met een heleboel van die parasieten vandaag. U kunt niet leven in het frisse water van de Heilige Geest. Daarom zijn ze zo sterk tegen het Woord gekant, en zeggen ze dat het zichzelf tegenspreekt; dat er niets mee aan de hand is. Het is omdat ze een of andere bedorven vijver moeten hebben om in te kunnen wriemelen. Precies. Precies zo is het met kikkers, met hagedissen en met kikkervisjes en dat soort. Zij moeten in de buurt van een moeras of een stilstaande poel verblijven om te kunnen leven, want het is hun natuur om daar te leven. En u kunt het dier niet veranderen, tenzij u zijn natuur verandert. U kunt een mens Gods Woord niet laten zien, tenzij zijn natuur is veranderd. Wanneer zijn natuur is veranderd van wat hij is in een zoon van God en de Heilige Geest komt in hem... De Heilige Geest schreef het Woord van God.

66 Vandaag sprak ik met een goede vriend van mij, Dr. Lee Vayle, die nu hier is. En hij is nogal een theoloog. Daarom hebben we gewoonlijk nogal wat tamelijk goede discussies over de Schrift. Hij is erg knap. Hij vroeg me eens wat ik dacht over wat het uiteindelijke bewijs van de Heilige Geest was. Was het spreken in tongen? (Het is al vele jaren geleden.) Ik zei: "Nee, ik kan dat niet zo zien."

     Hij zei: "Ik evenmin, hoewel me dat geleerd is." Hij zei: "Wat zou u denken dat het bewijs zou zijn?"

67 Ik zei: "Het meest volmaakte bewijs dat ik kan bedenken is liefde." Dus begonnen we daarover te spreken. En toen dacht ik: "Dat klonk tamelijk goed." Dus ik hield dat gewoon vast: als een mens liefde had. Maar op een dag zette de Here mij in een visioen terecht, en Hij zei dat het bewijs van de Geest was, dat diegenen het Woord konden ontvangen; noch liefde, noch spreken in tongen, maar het is het Woord ontvangen.

68 En toen zei Dr. Vayle tegen mij dat dit schriftuurlijk is. Hij zei: "Want in Johannes 14 zei Jezus: 'Wanneer Hij, de Heilige Geest, op u is gekomen, zal Hij u deze dingen openbaren die ik u heb onderwezen, en Hij zal u de komende dingen tonen.'" Dus daar is het ware bewijs van de Heilige Geest. Hij heeft mij nog nooit iets verkeerds verteld. Dat is het: het bewijs van de Heilige Geest is hij die het Woord kan geloven, die het kan ontvangen. Want Jezus zei nooit: "Wanneer de Heilige Geest is gekomen, zult u in tongen spreken." Hij zei nooit: "De Heilige Geest is gekomen als u welk van deze dingen ook zult doen", maar Hij zei: "Hij zal deze dingen van Mij nemen en ze aan u tonen, en Hij zal u de dingen tonen die zullen komen." Dus daar is het ware bewijs van de Heilige Geest volgens Jezus Zelf.

69 Dus al deze gewaarwordingen en dergelijke, die de mensen hebben en waar ze nog steeds op leven... U kunt zien waarom zij het doen. Ziet u, het wordt een denominatie of een bedorven poel, en er zal nooit een denominatie zijn die is gebouwd op het volmaakte Woord van God. Het kan niet omdat u God niet kunt denomineren. O nee!

70 De reden dat het gebeurt, is: u krijgt een groep mensen die het Woord kunnen geloven en laat ze een organisatie beginnen. Het eerste, weet u: in een jaar tijd is daar een stel Ricky's binnen waarmee u niets zou kunnen doen. Ze kregen vaste voet, en u kunt er niets aan doen. Het is Gods systeem niet. Het is het niet. Dus we weten dat het gestorven is en een bak wordt en een plaats wordt waar iedereen compromissen zal sluiten over dit, dat, en nog wat anders, om leden binnen te krijgen, om mensen te laten binnenkomen.

71 We ontdekken dat dit systeem eens vroeger is begonnen in de dagen van Israël toen ze deze regenputten groeven. Er was een man en een stel Farizeeën die een paar bakken hadden gegraven. En ze hadden toen een man genaamd Herodus, en hij was een volksvertegenwoordiger, de gouverneur van de staat. En hij kwam om een man te horen die niet beuzelde met de denominatie. Hij was een profeet. En geen profeet had ooit iets te maken met een denominatie, maar haatte het.

72 Deze profeet begon te zeggen: "Begint gij niet bij uzelf te zeggen: 'Wij hebben Abraham tot onze vader', want ik zeg u dat God in staat is uit deze stenen Abraham kinderen te verwekken." En men bracht een hoogwaardigheidsbekleder bij hem, en deze hoogwaardigheidsbekleder had de vrouw van zijn broer bij hem weggenomen en had haar getrouwd. En wat zei deze man toen hij voor zijn ogen verscheen? Ze dachten dat hij wel tot een accoord zou komen en zou zeggen: "Nu meneer, neemt u hier maar een fijne stoel. En u zou moeten... Ik ben zo blij dat u hier bent om naar me te luisteren vandaag." Johannes liep regelrecht op hem toe en zei: "Het is niet wettig dat u haar hebt." Het allereerste wat hij deed was hem te berispen om zijn zonde.

73 Ziet u, denominaties maken bedorven poelen waar de mannen kunnen leven met vrouwen, en die vrouwen kunnen maar doen en hun haar afknippen en korte broeken dragen en al het andere en zichzelf toch christenen noemen; maar bij een waarachtige bron (Halleluja!) van de kracht van God, kan dat daar niet blijven, omdat die het er uitdrukt. "Ik ben de Bron van levend water. Ze hebben Mij verlaten om zichzelf bakken uit te houwen."

74 Nu, een fontein van levend water... Laten we uitvinden wat een bron van levend water is. We hebben ontdekt wat een regenbak is. Nu, wat is een bron van levend water? Zij is een artesische bron. "Wat is een artesische bron, broeder Branham?" Zij is een bron die altijd van beneden komt en haar water eruit perst. Zij stroomt altijd door. Zij voorziet in eigen behoefte, is altijd fris en schoon, een artesische bron, een bron van levend water. Zij is niet dood en bedorven; zij leeft. Zij ververst voortdurend en brengt steeds iets nieuws naar boven, ze stroomt door, komend uit haar bronnen. Ze onttrekt haar bronnen uit haar bedding, zodat ze steeds een bron van levend water is die opspuit en zichzelf reinigt. Ze heeft helder, zuiver, schoon water. Ze voorziet in eigen behoefte; u hoeft niet te wachten tot de regens haar tank vullen. Ze borrelt altijd omhoog en geeft haar water vrij uit. U hoeft haar niet te pompen, op te winden, te draaien of bij te vullen. Ze is gewoon een bron van levende wateren.

75 Weet u, als u deze oude regenbakken neemt, moet u draaien en draaien en draaien en pompen, en van alles doen om een klein beetje van dat bedorven water eruit te krijgen, maar een bron van levend water geeft het vrijuit, zonder pompen, bij te vullen of wat anders ook.

76 O, ik ben blij voor die bron! Jazeker! Er hoeft geen zeef op om de parasieten eruit te halen, want ze komt zo diep daar binnen uit de rots waar geen parasieten zijn. Het is niet nodig dat er een opleidingsvodje aanhangt (dat is juist!), een of ander wereldgemaakt systeem dat door de mensen is gemaakt, met denominatiewijsheid om u door een psychiater te laten vertellen of u in staat bent om te prediken of niet. Ze heeft er niet één van deze vuile vodden aanhangen. Ze zou het er direct afrukken zodra u het op haar zou doen. U kunt het niet. Die bron borrelt heel de tijd omhoog. Als u één van die vodden op haar zou doen, zou zij hem er regelrecht aan de ene of aan de andere zijde afgooien. Zij heeft geen tijd om een denominatiedoek op zich te hebben.

77 U hebt geen filter nodig, geen zeef, geen pompen, geen trekken, nee niets anders. Zij is er gewoon, ze borrelt op. Ze hoeft niet te vertrouwen op plaatselijke regenbuien om haar vol te maken. Regenbuien zijn opwekkingen. Waar die bron – dat is bij die bron des levens – waar het lichaam is zullen de arenden zich verzamelen. U hoeft geen opwekking omhoog te pompen; u hoeft niets omhoog te pompen. Het enige wat u hebt te doen is naar de bron toe te komen. Zij is altijd vol goed, fris water, en er komt geen einde aan. Zij blijft gewoon door borrelen.

78 U hoeft niet naar de waterbak te gaan en te zeggen: "Wel, als het regent en de schuur wordt afgespoeld, zullen we wat te drinken hebben." O nee, bij deze niet. Die artesische bron spuit steeds goed koud water uit. U kunt er op vertrouwen. U hoeft niet te zeggen: "Wel, ik zal naar die oude waterbak gaan. We waren gewoon er vroeger uit te drinken, maar het heeft al een lange tijd niet geregend. Ik zeg je, hij kan best eens droog staan."

79 Dat is de wijze waarop sommige mensengemaakte systemen zijn. U kunt er binnengaan; als er iets groots aan de gang is, een grote propaganda-actie, een verkoopactie of zoiets dergelijks bezig is; als er een grote fuif of zo aan de gang is, bingospelletjes, en feestjes in het souterrain, en van alles, dan zou u een vol gebouw kunnen vinden, maar gaat u daar waar die bron altijd opborrelt, waar de mensen zich een goeie, koude dronk water halen; u kunt erop vertrouwen. Zij zeggen: "We hebben al tien jaar lang geen opwekking gehad", maar als u leeft bij die Bron... daar is altijd een opwekking aan de gang.

80 Zoals die man uit Wales zei... Eens toen ze de opwekking in Wales hadden, waren er een paar hoogwaardigheidsbekleders uit de Verenigde Staten, enkele van deze grote doctors in de godgeleerdheid, die overstaken naar Wales om uit te vinden waar en wat dit nu allemaal was. En zij liepen op straat met hun achterstevoren gekeerde boorden om en hun zwarte hoeden op. Daar kwam een kleine politieagent door de straat aanlopen, zijn kleine knuppel draaiend in zijn hand, fluitend: "Daar aan het kruis waar mijn Redder stierf, Daarginds riep ik om reiniging voor de zonde, Daar werd aan mijn hart het Bloed aangebracht, Glorie voor Zijn Naam." Dus ze zeiden: "Dit schijnt een godsdienstig man te zijn, we zullen het hem eens vragen." En ze zeiden: "Meneer!"

     Hij antwoordde: "Jawel, meneer!"

     Hij zei: "We zijn hier gekomen uit de Verenigde Staten. Wij zijn een delegatie. We komen hierheen om de zogenaamde opwekking van Wales te onderzoeken. We zijn doctors in de godgeleerdheid en we zijn hier om het te onderzoeken." Hij zei: "Wij willen weten waar de opwekking is en waar het wordt gehouden."

     Hij zei: "Meneer, u bent er al. Ik ben de opwekking van Wales!" Amen! "De opwekking van Wales is in mij! Hier is het!"

81 Zo is het wanneer u leeft bij die Bron van levende wateren. Zij is altijd levend, zij borrelt al maar door en door; er komt geen eind aan. Niet gaan zien of er wat water is, of we hier niet lang geleden een regenbui hadden; dat is het niet. Het is die Fontein van levend water.

82 Zoals ik zeg, geeft ze haar water vrijelijk. U hoeft er geen doeken voor te binden om het te ontdekken – een paar opleidingsdoeken voor u hem kunt uitzenden om te prediken, om te zien of hij zijn woorden goed spelt, ze goed uitspreekt, of hij de zelfstandige naamwoorden en de voornaamwoorden enzovoort gebruikt, en de bijvoeglijke naamwoorden. Velen van hen weten zelfs niet wat dat zijn, maar toch leeft hij evengoed bij de Bron (ziet u?) – net zo.

83 Ze is niet afhankelijk van de plaatselijke regens om haar bij te vullen of afhankelijk van de plaatselijke opwekkingen; dat heeft ze niet nodig, want haar kracht en haar zuiverheid is in haarzelf. Daar is het Woord, zijn eigen kracht. Wanneer een mens het kan ontvangen in zijn hart, heeft het zijn zuiverheid gekregen; heeft het zijn kracht. Het is precies in het Woord zelf. Het springt op ten leven.

84 Israël zou het verlaten. Ze zouden in moeilijkheden raken. Telkens wanneer zij het verlieten, raakten ze in moeilijkheden, precies zoals wij nu doen. Wanneer u de opwekking verlaat, dan is het niet goed; u graaft zichzelf een paar putten of een paar stilstaande regenbakken, en het is gebeurd.

85 Maar Hij hielp hen altijd. Toen zij murmureerden bij de Rode Zee, toen ze klaagden... Toch in alles wat Hij had beloofd, had Hij hun een belofte gedaan. Hij zou hen daar op hetzelfde moment hebben moeten terugsturen, voor zover wij het zouden bezien, maar Hij had beloofd om hen daarginds heen te brengen. Wat deed Hij voor die kinderen Israëls? Hij verschafte hun de Vuurkolom en hun profeet, en alles, als betuiging. En zij leidden hen uit daar naar de zee – en altijd komen er moeilijkheden op – en hier komt de Farao en zijn leger. En weet u wat God deed? Hij opende gewoon die Rode bedorven waterbak. De Dode Zee is het doodste ding ter wereld, ze is werkelijk dood; ze is bedorven, niets kan er in leven. En Hij opende haar en zette ze in vrijheid aan de andere zijde. Hij nam ze mee naar waar ze niet gebonden behoefden te zijn door zoiets dergelijks.

86 In de woestijn ontdekten ze dat men niet kon vertrouwen op watertanks; ze werden droog. Ze ontdekten dat ze van de ene waterput naar de andere zouden gaan. Toen ze in de woestijn waren versmachtten ze van de dorst naar een teug water, en toen ze naar deze tank hier zouden gaan, een vijver, was deze opgedroogd. Ze gingen naar een andere plaats; zij was opgedroogd. Ze konden zich gewoon niet voorstellen dat ze ooit nog te drinken zouden krijgen. En toen, op de alleronwaarschijnlijkste plek in heel de woestijn, vonden ze water. Het was in een rots. Het was in een rots. De meest onwaarschijnlijke plaats waar een mens ooit water zou kunnen vinden, zou in een droge rots zijn in het midden van de woestijn. Maar, ziet u, God doet zulke dingen. Op de onwaarschijnlijkste plek, op de meest ongebruikelijke manier. Dat hebben we altijd zo gehad.

87 Zij denken dat u een hele grote denominatie moet hebben om te vergaderen en om allen samen te krijgen, en dat u een geweldige grote actie moet hebben enzovoort, dat u er duizenden toe moet bewegen om mee te werken en al dergelijke dingen om een opwekking te kunnen hebben. Soms neemt God een kleine, oude kerel die zelfs zijn a-b-c niet kent, en precies onder een stel ongeletterde mensen die nauwelijks de rechterhand van de linker kunnen onderscheiden, kan Hij een opwekking laten ontstaan die de wereld doet schudden. Hij deed het in de tijd van Johannes. Hij deed het in de tijd van de profeten. Naar wij weten had geen van hen ooit gestudeerd. Maar God kon vat op hen krijgen en iets met hen doen.

88 Uit deze rots kwamen de wateren tevoorschijn. Hij was de Rots. Hij beval dat deze Rots moest worden geslagen. En Hij gaf een overvloed aan zuiver, fris, helder water aan iedereen die wilde drinken. Hij redde allen die er van wilden drinken, een volmaakte parallel met Johannes 3:16:

     Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe.

89 God sloeg die Rots op Golgotha. Ons oordeel was op Hem, opdat uit Hem de Geest des levens zou kunnen komen, die u en mij eeuwig leven zou geven. Dat is een volmaakte gelijkenis met dat daar in de woestijn.

90 Zij hoefden nooit te trekken, te graven, te pompen, of wat ook, maar alleen vrijelijk deel te hebben aan Zijn toebereide weg. Zij hoefden het niet uit een vijver te graven; zij hoefden het niet op te trekken met een emmer; zij hoefden niet aan een slinger te draaien om het op te halen; zij hoefden er alleen maar deel aan te nemen. En dat is alles wat er nu is. U hoeft u nergens bij aan te sluiten; en u hoeft niet naar voren te komen en te knielen en iets op te werken, er in te pompen; u hoeft niet een woord steeds maar weer te herhalen tot u spraakverwarring krijgt; het enige wat u hebt te doen is gewoon vrijelijk deel aan Hem te hebben, Gods toebereide weg. Geen pompen, geen duwen, nee niets, neem er gewoon vrijelijk van. Er is niets wat u hoeft te doen, neem er gewoon deel aan; Geloof het gewoon, dat is alles wat ik er van kan zeggen. U hoefde er nooit iets voor te doen, u hoefde er nooit naar te graven. Zij hoefden nooit op de knieën te gaan en er de hele nacht om te roepen; ze namen er gewoon aan deel. Het was geslagen en gereed. Zo is het.

91 Ik kijk nu naar een man die hier achterin de zaal zit. Ik herinner me dat ik hem dat eens vertelde in een oude stal bij een krib. En hij zei: "Maar aan mij is niets goed."

92 Ik zei: "Ik weet dat u dat niet bent." En ik zei: "Dat ben ik ook niet." Maar ik zei: "U ziet op wat u bent. Stop ermee te kijken naar wat u bent, en kijk naar wat Hij is."

     Hij zei: "Als ik alleen maar van deze sigaretten af kon komen, broeder Branham, dan zou ik een Christen zijn."

93 Ik zei: "Probeer er niet van af te komen. U probeert om goed te worden en dan tot Hem te komen. Hij kwam nooit om goede mensen te redden; Hij kwam om slechte mensen te redden die wisten dat ze slecht waren."

     Hij zei: "Wel..."

     Ik zei: "Luister, u wilt niet naar de hel gaan, is het wel?"

     Hij zei: "Nee!"

94 Ik zei: "Wel, u hoeft het niet. Hij stierf, opdat u niet zou hoeven te gaan."

     Hij zei: "Wat moet ik doen?"

     Ik zei: "Niets. Zo eenvoudig is het gewoon."

     Hij zei: "Maar als ik ooit zou kunnen..."

95 Ik zei: "Daar gaat u weer terug naar die sigaret. Houd op met te denken aan die sigaret. Denk even na, denk aan Hem, aan wat Hij deed, aan wat Hij is, niet aan wat u bent. U bent niet goed, u was het nooit en u zult het nooit zijn, maar Hij is het! Hij is het!" En ik zei: "Nu, het enige wat u hebt te doen is, dat als Hij daar uw plaats innam, u dan gewoon gewillig aanvaardt wat Hij deed. Het enige wat u hebt te doen is gewoon het te aanvaarden."

     "Wel," zei hij, "dat is eenvoudig, dat zal ik doen."

96 Ik zei: "Hier is de beek." Ik bracht hem hierheen en doopte hem in de Naam van Jezus Christus. En sommigen van zijn familie zitten hier, en ik weet hoe vreemd ze dat van mij vonden dat ik dat deed. Ik wist wat ik deed. Ik had in de man iets gezien wat echt was. Ik kon dat daar zien, en ik nam hem mee en doopte hem in de Naam van de Here Jezus. En toen we dat hadden gedaan, was het niet lang daarna toen ik naar het huis van zijn zoon ging. We zagen een visioen van een boom die op een bepaalde plaats gebroken was, en de man viel en brak bijna zijn rug, ze brachten hem naar het ziekenhuis, en die avond openbaarde de Here mij dat dat het eind van de sigaretten was. Dus de volgende dag wilde hij wat sigaretten. Ik zei: "Ik zal een pakje voor hem kopen en het naar hem toebrengen. Let u slechts op en kijk." Zijn sigaretten-dagen zijn voorbij. Hij heeft er sindsdien nooit meer een gerookt, hij wilde er sindsdien nooit meer een.

97 God! Ziet u, het eerste wat u moet doen is: komen tot die Fontein. U moet komen tot dat water, beseffend dat er niets is wat u kunt doen; het is wat Hij heeft gedaan voor u. U hoeft niet te graven; u hoeft niet op te pompen; u hoeft dit niet te laten, en u hoeft dat niet te laten; het enige wat u moet doen is daar komen en drinken. Dat is alles. Als u dorstig bent, drink!

98 Nu, Hij was de Rots. God sloeg Hem voor ons, en Hij bracht een overvloed aan schoon, zuiver water voort. Hij doet het vandaag nog steeds voor iedereen die zal geloven. Dit is natuurlijk Zijn genade voor Zijn volk, voor ons.

99 Er was daar zoiets zoals bij de mensen van vandaag: ze zijn gereed om te ontvangen wat ze kunnen krijgen, maar willen daarvoor geen enkele dienst terug bewijzen. Israël was gereed om te drinken uit de rots, maar ze wilden God niet Zijn dienst bewijzen die Hem toekwam.

100 En Hij dient ons altijd. Weet u, wij kunnen zelfs niet ademen zonder Hem. Wij kunnen niet ademen zonder Gods dienstbaarheid. Zo afhankelijk zijn wij van Hem. En toch breekt het ons bijna in tweeën als we iets voor Hem moeten doen, als Hij ons vraagt iets te doen, om iemand te gaan opzoeken, om voor iemand te gaan bidden, om iemand te gaan helpen. Het sloopt ons bijna om het te doen. Maar we willen niets voor Hem doen om te dienen.

101 Zijn klacht was: "Zij hebben Mij verlaten, het Woord, en hebben in plaats daarvan een gebroken put aanvaard." Aanvaarden... "Zij hebben Mij verlaten, de Bron des levens, de Bron van het water des levens, en ze verlangen en drinken toch liever uit een bedorven bak."

102 Zou u zich dat kunnen voorstellen? Zou u zich nu een persoon kunnen voorstellen, die, terwijl er hier een artesische bron is, die fijn kalksteenwater doet opborrelen, rechtstreeks uit het hart van de rotsen, daar diep beneden uit de zandbedden enzovoort, net zo koel en goed als het maar kan zijn, die liever zou drinken uit een waterbak daarginds, met water dat het schuurdak heeft schoongespoeld, de afdakjes en al de gebouwen rond het erf, wat regelrecht in die put daar is gegaan, waar het water in sijpelt van de schuur, de stallen en de hokken. Alles loopt daar regelrecht terug in de put; en zouden wij dan daar uit willen drinken in plaats van naar die artesische bron te gaan? Er zou met die persoon geestelijk iets niet in orde zijn. Zo is het.

103 En wanneer een man of vrouw achter een denominatie zou gaan staan die afgeknipt haar zal toestaan, korte broeken, make-up, en al dat andere spul, een of ander programmaatje en al dit gedoe, dat ze naar de kegelbaan kunnen gaan, en al die onzin daarginds, en daarmee genoegen kunnen nemen, en ze daar meer van houden dan van het ouderwetse Woord van God, dat afsnijdt en uithakt en van vrouwen dames maakt en maakt dat ze zich juist kleden en juist gedragen; wat sigaretten, tabak, zweren en vloeken, liegen en stelen van u wegneemt en heel de wereld van u wegneemt, en u iets geeft wat een volmaakte bevrediging is? Waarom gaat toch een man of een vrouw naar zoiets dergelijks om troost? Hoe kunt u daar troost uit putten? Hoe zou u een frisse dronk kunnen nemen uit een bedorven waterbak? Waarom zou een persoon...

104 Als iemand naar een bedorven waterbak gaat om een dronk te nemen, terwijl er een artesische bron open is, zou u zeggen: "Er is iets fout met het verstand van die man." En als een man of een vrouw naar zo'n plaats gaat om troost te vinden, is er iets geestelijk fout met die persoon. Ze willen het Woord niet. Het toont dat hun natuur nog steeds die van een kikker is, of van een kikkervisje, of zoiets. Dat is waar. Iets in die natuur houdt van die bedorven poel, omdat dat soort beesten niet willen leven in een vijver met fris water. Ze kunnen het niet; het is vers water. Ze kunnen het niet.

105 Nu, de klacht was dat zij het verlieten. En vandaag hebben ze hetzelfde gedaan. Nu, kijk naar de vrouw bij de bron. Wel, zij kwam naar Jakobs put en ze had al die tijd daar water gehaald bij Jakobs put. Maar Jakobs waterput-denominatie, zoals we het zouden noemen, omdat hij er drie groef, en deze had hij gegraven... Nu, ze had een geweldige geschiedenis. Ze zei: "Nu, onze vader Jakob heeft deze put gegraven; hij dronk er uit, en zijn vee dronk er uit, enzovoort; is dat niet goed genoeg?"

106 Hij zei: "Maar naar het water dat gij daaruit put, zult u opnieuw dorsten, en u moet hier terugkomen om het te halen. Maar, het water dat Ik u geef is een Fontein, een Geiserbron, opspringend van binnenuit, en u komt niet hierheen om het te halen, het is altijd bij u."

107 Bemerk dat toen zij ontdekte dat een Schriftuurlijke Bron tot haar had gesproken door een Schriftuurlijk teken waarnaar zij had uitgezien, verliet zij dat systeem van Jakobs denominatie en ging er nooit meer naar terug, omdat zij de werkelijke Rots had gevonden. Ziet u? Zij rende de stad in. Zij had afgerekend met de zonde. Zij was geen slechte vrouw meer. Ze zei: "Kom, zie wie ik heb gevonden, een Man die me de dingen vertelde die ik deed. Is deze niet de Christus zelf?" Die put zou goed geweest kunnen zijn. Die had zijn doel gediend. Nu was zij bij de ware Bron. De put was goed geweest tot de ware Bron open was. Maar toen de ware Fontein kwam, verloor de put zijn kracht. Ze ontdekte dat er een betere plaats was om te drinken. En er is een betere plaats! Er is een betere plaats, en dat is in Christus.

108 In Johannes 7:37 en 38 zei Jezus op het eind van het Loofhuttenfeest: "Indien iemand dorst heeft, laat hem tot Mij komen en drinken." Zij verheugden zich allen. Ze hadden een klein straaltje water dat van onder het altaar uitkwam, en daarvan waren ze allemaal aan het drinken ter herdenking aan het feest, en ze zeiden: "Onze vaderen dronken uit een geestelijke rots in de woestijn..." Zie, zij hadden zichzelf een waterbak uitgehouwen, wat bedorven water dat ze ergens vandaan pompten en dat onder de tempel vandaan opspoot. En ze gingen daar allemaal rond het water staan, dronken ervan en zeiden: "Jaren geleden dronken onze vaderen in de woestijn."

     Jezus zei: "Ik ben die Rots die in de woestijn was."

     Ze zeiden: "Wij aten manna uit de hemel en God liet het neerregenen."

109 Hij zei: "Ik ben dat Manna." Die Bron stond onder hen, dat Brood des levens stond onder hen, en toch wilden zij het niet. Ze hadden liever hun put, omdat de mens dit had gemaakt en God had dat gezonden. Dat is precies het verschil. Ze groeven zichzelf waterbakken.

110 Hij zei: "Indien iemand dorst, laat hem tot Mij komen en drinken." Hij is die Bron. En zoals de Schrift heeft gezegd: "Uit zijn binnenste zullen stromen van levend water komen." O, Hij is die artesische Bron." Uit zijn binnenste of innerlijke wezen zullen stromen van levend water vloeien."

111 Hij is die Rots die Hagars rots was in de tijd van benauwdheid. Toen haar baby op het punt stond te sterven, toen zij uit het kamp was gezet en daar buiten was met de kleine Ismaël; het water in de kruik die ze bij zich had was opgeraakt, en zij legde de kleine Ismaël neer en ze liep een boogschots-afstand weg en huilde, omdat zij niet wilde zien dat haar baby stierf. En plotseling sprak de Engel des Heren en zij vond Beerlahairoi, de bron die daar stroomde en tot op deze dag nog steeds stroomt. Hij was Hagars Beerlahairoi rots daarginds in de woestijn. Hij stond daar in de Bron gevuld met bloed die dag, staande daar in de tempel... [Zijde één van de bandopname eindigt hier en de tweede zijde begint onvolledig – Vert] ... tijd van storm.

112 In Zacharia 13 was Hij die Bron, geopend in het huis Davids voor reiniging van zonden. Hij was die Bron. In Psalm 36:9, was Hij Davids Bron des levens. Hij is nog steeds die Bron in het huis van David, en Hij is voor de dichter... In zijn hart zei de dichter:

Er is een Bron gevuld met bloed
Vloeid' uit Immanuëls zij,
En zondaars worden in die vloed,
Van zondesmetten vrij.

     Hij is die Bron des levens, Bron van water. Hij is het Woord Gods.

113 De mensen van deze laatste dagen hebben Hem verlaten, het ware Woord, het water des levens, en hebben zichzelf denominatiebakken uitgehouwen. En steeds opnieuw gehouwen, gegraven...

114 We ontdekken nu dat zij gebroken waterbakken hebben gehad. En dan is deze put gevuld met ongelovige kiemen, ongelovige, bluffende, studieprogramma's, enzovoort, wat tegen Gods beloften is. Zij zijn betwijfelaars van het Woord.

115 Nu, deze putten die ze hebben gemaakt waren gebroken, zei de Bijbel. Een gebroken bak is een lekkende bak en hij sijpelt door. Wat doet het? Het sijpelt eruit in een religieuze beerput, genaamd de Wereldraad van Kerken. Daar leidt de gebroken bak hen heen. En dat alles omdat zij Hèm hebben verlaten, de Bron van levend water, en zich deze bakken maakten.

116 Ze hebben zich grote seminarie-leersystemen uitgegraven, opleiding enzovoort; dat is de soort waterbakken die ze vandaag uitgraven, dat iemand een doctorsgraad in de filosofie moet hebben of een meesterstitel of afgestudeerd moet zijn of zoiets, voor hij kan gaan prediken. Waterbakken, die zijn gevuld met mensengemaakte theologie. Zij nemen ze mee naar deze enorm grote scholen van geleerdheid en daar spuiten zij ze in met hun eigen mensengemaakte theologie, en ze zenden ze daarmee uit. Wat een tijd waarin wij leven!

117 Mensengemaakte waterbakken! Geen wonder dat de zaak een stank is geworden. O! Het is omdat de mensen daarvan drinken. Wat doen de mensen wanneer ze vreugde willen vandaag? In plaats van de vreugde van de Here aan te nemen, wenden ze zich tot de zonde voor vreugde. Mensen die naar de gemeente gaan en beweren dienstknechten van Christus te zijn, steken een sigaret op als ze erg nerveus worden. Wanneer ze wat plezier willen hebben, steken ze zich in immorele kleding en ze gaan buiten het gras maaien om, wanneer een man voorbij komt hem er toe te krijgen naar hen te fluiten. Ze doen alles om populair te zijn. Ze willen eruit zien als de filmsterren. Dat is hun vreugde, terwijl Jezus zei: "Ik ben hun Algenoegzaam deel." De reden dat zij daar toe komen is, omdat zij niet willen drinken van die Bron. Ze hebben Hem afgewezen. Zij willen er niet van drinken. Ze voegen zichzelf bij een of ander mensengemaakt systeem, een of andere soort waterbak die vol is van allerlei bedorven dingen, zodat zij zo kunnen handelen.

118 Gisteren namen we de kinderen mee de rivier op – ik geloof dat het zaterdagmorgen was. We gingen erheen; Billy had gevist in de boot. En we pikten de kinderen op (mijn kleinzoon, mijn dochter, en mijn zoontje) en we gingen de rivier op om een boottochtje te maken. Je kon zelfs geen boottochtje op de rivier maken vanwege de vuile, smerige, oneerbare mensen daar op de rivier, half naakt en tekeergaand. Een boot voer ons voorbij met een stel jongens van twaalf, veertien jaar, elk met een bierfles in de hand en een sigaret. Zij noemen dat "plezier hebben". O, hoelang kan deze wereld nog bestaan met zo'n systeem!

119 Om zichzelf dan te bevrijden van de gedachte dat, wanneer ze sterven ze naar de hel gaan door wat ze doen, gaan ze heen en sluiten zich aan bij een van deze mensengemaakte waterbakken. Zo hoort datzelfde type mensen in die waterbak. Het is niets dan een groep onreine, vuile maden van de wereld. Zij verenigen zich daar, want, zoals mijn oude moeder vroeger zei: "Vogels van dezelfde pluimage zoeken elkaar op." Ze willen niet naar die Bron komen en gereinigd worden van dat leven van zonde. Zij willen daarginds leven en toch het getuigenis vasthouden dat ze Christenen zijn. Waarom? Zij hebben zich van Hem, de ware Bron van vreugde, leven, volmaakt leven, en bevrediging, afgewend. Daarom deden zij dat, omdat zij zich willen aansluiten. Ze hebben daar een of ander soort mensen die in dat gedoe geloven.

120 Hier niet lang geleden, gingen broeder Fred en ik, en broeder Tom, een aantal van ons, naar een bekende Baptistenkerk in de stad Tucson om te zien of we niet iets zouden vinden wat ons misschien enigszins een fris gevoel zou geven. En de prediker zei het een en ander over het volk in Egypte. Destijds toen ze daar uittrokken aten ze knoflook enzovoort, en ze wilden weer terug gaan om dat te eten. Hij zei: "Dat is net zoiets als de mensen vandaag doen." En elk van ons zei: "Amen!" Ik heb nog nooit zo'n groep gezien! De hele gemeente verloor de prediker uit het oog en keek achterom om te zien wie dat "Amen" zei. Het leek alsof het hun dodelijk beangst maakte. Zij wisten niet wat het betekende. David zei: "Maakt een vreugdevol geluid voor de Here! Prijst Hem op de harpen; prijst Hem met psalmgezang; laat alles wat adem heeft de Here loven, en prijst gij de Here." God verblijdt zich in Zijn volk. Laat hen, als zij iets leren, wanneer iets goeds wordt gezegd, "Amen!" zeggen.

121 Waarom niet weggegaan van dit systeem en deze waterbak van de wereld, tot het getrouwe systeem van God, die de artesische Bron is, Jezus Christus. Waarom wendt u zich niet tot Hem? Waar God onze overvloedige voorziening van vreugde is, onze overvloedige voorziening in lofprijzing is, onze overvloedige voorziening in voldoening is. De rust van mijn zenuwen komt van God. Wanneer ik verscheurd word, dan vind ik mijn voldoening in Christus, niet in een sigaret, niet in de dingen van de wereld, niet in mij aan te sluiten bij een of andere geloofsbelijdenis, maar in Hem te vinden, het beloofde Woord dat Hij sprak: "Als Ik heen ga, zal Ik wederkomen om u te ontvangen." Ik vind mijn vreugde daarin. Hij is mijn vreugde.

122 Ze zeggen vandaag dat ze, door tot deze dingen toe te treden en door deze Wereldraad van Kerken te vormen, een betere plek zullen krijgen om in te leven. Naar mijn eerlijke overtuiging gaan zij een betere plaats maken om in te zondigen. Dat is juist. De hele zaak is hoe dan ook zonde. Niet om in te leven, maar om in te sterven. Ze maken ons een plaats om in te zondigen, in plaats van in te leven.

123 Elk ander ding buiten Jezus Christus en Zijn Woord des levens is een gebroken waterbak. Alles wat probeert het te vervangen, alles wat u probeert te doen om u vrede te brengen, alles wat u probeert te doen om u troost te brengen, elk soort vreugde die u ontvangt van iets anders als een vervanging hiervan, is een gebroken waterbak vol vuil. Hij geeft volmaakte voldoening.

124 Ik herinner me dat ik hier een paar zomers geleden, de achterdeur uitliep. Er stond daar een jonge knaap buiten die tegen me zei: "Weet u waarom u altijd zo over de vrouwen spreekt, dat ze die shorts dragen en zo? Omdat u een oude man bent, daarom."

     Ik zei: "Kijk eens, hoe oud bent u?"

     Hij zei: "Zevenentwintig."

125 Ik zei: "Toen ik vele jaren jonger was dan u, predikte ik al hetzelfde!" Ik vond die Bron van bevrediging; Hij is mijn deel. Amen! Zolang als Hij daarin voorziet, is dat de schoonheid. Dat is mijn kunst, te kijken naar Hem, naar het werk Zijner handen te kijken en te zien wat Hij doet. Er is geen andere bron die ik ken.

O! Dierbaar is de stroom,
Die mij wit maakt als sneeuw;
Geen andere bron ken ik,
Niets dan het Bloed van Jezus.

Er is een Bron gevuld met Bloed,
Vloeid' uit Immanuëls zij;
En zondaars worden in die vloed,
Van zondesmetten vrij.

126 Ik zeg u, er is geen andere bron die ik ken dan die Bron. Hij reinigde mij toen ik vuil was. Hij bewaart mij rein, omdat ik er vlakbij wil leven, en dat frisse water wil drinken dat mijn ziel vult met vreugde. Ik kan nog zo neerslachtig zijn en voelen dat ik nauwelijks nog verder kan gaan, nog een ronde kan doorkomen, dat ik nergens anders meer heen kan... dan kan ik neerknielen en mijn vinger leggen op een belofte en zeggen: "Here God, Gij zijt mijn Kracht, Gij zijt mijn Voldoening, Gij zijt mijn Al in Al." En ik kan beginnen te voelen dat er iets opborrelt daar diep binnenin mij, ik kom eruit vandaan!

127 Daar ik de vijftig gepasseerd ben, zou ik op een morgen wakker kunnen worden... U weet hoe het is, u kunt nauwelijks die ene voet dat bed uit krijgen. O, u kunt het nauwelijks klaarspelen, en dan klopt er iemand op de deur of Billy vertelt me dat er ergens een noodgeval is en ik moet erheen, en ik denk: "Hoe kan ik gaan?" Ik probeer een voet buiten het bed te krijgen; Ik denk: "Gij zijt de Bron gevuld met mijn kracht!" Amen! "Mijn kracht en hulp komen van de Here. Gij zijt mijn artesische Bron. Gij zijt mijn jeugd." "Zij die wachten op de Here, zullen hun kracht vernieuwen; ze zullen opstijgen met vleugels als van een adelaar. Ze lopen en ze zullen niet moede worden; ze zullen wandelen en niet mat worden." "Here God, het is mijn plicht om te gaan. Ik word geroepen naar de plaats van mijn plicht", en dan, weet u, begint er iets op te borrelen binnenin mij.

128 Onlangs hield ik in een kleine plaats een samenkomst, in Topeka, Kansas. Er was daar een jongen, een jonge prediker, een van mijn eerste sponsors... Broeder Roy, die hier zit, herinnert zich het gebouw. In dit grote gebouw kwam deze prediker onder een dak of een muur terecht en hij werd daar onder verpletterd. En de kleine kerel zou gaan sterven. Zijn lever was opengescheurd; zijn milt was van zijn plaats gerukt; er vielen tonnen op hem.

129 Ik zat aan het ontbijt met de vrouw te praten. Ik zei: "Vrouw, weet je, als Jezus hier was... weet je wat Hij zou doen?" Ik zei: "Toen hij voor mij borg stond – ik geloof dat Woord – stond hij borg voor Christus." Ik zei: "Dit is een streek van de duivel." Ik zei: "Als Jezus hier was, zou Hij erheen gaan om Zijn heilige handen op hem te leggen. Die jongen zou gezond worden. Het kan me niet schelen of zijn lever gescheurd is. Hij zou gezond worden, omdat Jezus naar binnen zou wandelen, precies wetend wie Hij was. Hij kende Zijn roeping, de Schriften waren juist, in Hem bewijzend dat Hij wist wie Hij was zonder een zweem van twijfel. Hij zou Zijn handen op hem leggen en zeggen: 'Zoon, wees genezen', en weer naar buiten lopen." En ik zei: "Dan zijn er niet genoeg duivels in de hel om die jongen te doden." Ik zei: "Hij zou gezond zijn. Maar, zie je, lieveling, Hij was Jezus, de heilige handen van God." Ik zei: "Ik ben een zondaar; ik werd door sexualiteit geboren. Mijn vader en moeder waren beiden zondaars. Ik ben tot niets goeds in staat." En ik zei: "Maar weet je wat? Als de Here mij een visioen zou geven en me daarheen zou zenden, dan zou het anders zijn." Ik zei: "Ik zou erheen gaan, mijn handen op hem leggen en hij zou dat bed uitkomen, als Hij mij een visioen zou geven."

130 Toen begon ik te denken: "Per slot van rekening, als er een visioen was, wat betekent het? Het zouden dezelfde vuile handen op hem zijn, dezelfde man die voor hem bad met dezelfde smerige handen." Toen begon ik te denken: "Ik ben Zijn vertegenwoordiger. Dan ziet God mij niet. Dat bloed van die Rechtvaardige ligt daar op het altaar; het bemiddelt voor mij. Hij is mijn algenoegzaam deel, Hij is mijn gebed, Hij is mijn leven." Ik zei: "Het enige wat het zou uitmaken was dat ik hem mijn handen zou opleggen met geloof, omdat ik geloof heb in het visioen, maar zonder visioen zou hetzelfde geloof hetzelfde doen! Dus ik kan mijzelf niets achten, maar Hem mijn Al in al achten. Hij is mijn Leven; Hij is mijn Opdrachtgever. Geen denominatie zond mij; Hij zond mij. Halleluja! Ik ga in Zijn Naam. Ik ga hem nu de handen opleggen." Ik ging heen en legde de jongen de handen op, en die avond was hij in de samenkomst; kerngezond. Amen! O, ja, Hij is die Bron. "Geen andere bron ken ik. Niets dan het Bloed van Jezus."

131 Ik ben iemand die stinkt; ik ben een afvallige; iedereen van ons is het. Maar voor God zijn we volmaakt. "Weest gij daarom volmaakt, zoals uw hemelse Vader volmaakt is." Hoe kunt u dat zijn? Omdat een Volmaakte ons daar vertegenwoordigt. Die Bron is daar elke dag, fris, niet een of ander bedorven iets, maar elke dag fris, wat al mijn zonden wegwast. Hij is die Bron.

132 Nu, tot slot zou ik dit mogen zeggen: Alles wat hiervan afwijkt zijn gebroken waterbakken, die tenslotte dat zullen laten wegsijpelen wat u erin hebt gedaan. Als u al uw hoop, al uw tijd, en alles in een van die bedorven waterbakken doet... Jezus zei dat het gebroken waterbakken waren. God zei dat ze gebroken zijn, en ze zullen eruit laten lekken wat u er ook in doet. U kunt helemaal niet verder met ze komen, omdat zij leeg zullen lekken. Want Hij is de enige Weg naar de Waarheid, naar het leven, en naar eeuwige vreugde en eeuwige vrede. Hij is de Enige en de enige Weg daarheen.

133 O, wonderbaar! De onuitputtelijke Bron des levens is Jezus Christus. Waarom? Wie is Hij? Het Woord, dezelfde; het Woord, het Leven, de Bron, dezelfde gisteren, vandaag, en voor eeuwig. Voor de ware gelovige is dit zijn hoogste vreugde, zijn hoogste leven. Zijn hoogste voldoening is in Christus. Geen gepomp, geen getrek, geen bijvullen, geen leegscheppen, alleen gelovend en rustend. Dat is Hij voor de gelovige.

134 Zoals vader Abraham; hij trok nooit; hij piekerde nooit; hij matte zich nooit af; hij had het Woord. Hij lag aan El-Shaddai's borst. Toen Abraham honderd jaar oud was, verscheen God aan hem en zei: "Ik ben de Almachtige (Het Hebreeuwse woord is El-Shaddai, wat betekent: "Degene met de borsten.") en u bent oud, en uw kracht is vergaan, maar lig slechts aan Mijn boezem en zuig uw kracht uit deze Bron." Amen! Tot wat zoogde hij zichzelf? Een nieuw lichaam. Hij kreeg de baby bij Sara, en vijftig jaar later kreeg hij zeven kinderen bij een andere vrouw.

135 O, El Shaddai! Het Oude Testament toont wat Hij deed, het Nieuwe Testament vertelt wat Hij zal doen. Amen! In het Oude Testament...

136 Nu, de luchtverversingsinstallatie is uit, dus ik zal me haasten en hier zo dadelijk ophouden. Ik zou graag dit nog zeggen, voordat ik sluit. Ik had hier eens een goed voorbeeld van. Ik liep te patrouilleren. En vele mensen hier, daar uit de omgeving van Georgetown, bij Milltown... Daar was vroeger diep in de heuvels een bron. Het was een artesische bron. Er stroomde een watertje uit van ongeveer een meter twintig, een meter vijftig, breed, alsmaar stromend uit een hele grote bron daar. Vlak er omheen stond een heleboel polei, weet u, er groeide daar een plant die op een munt lijkt. En o, ik dorstte er vroeger gewoon naar om erheen te gaan, om tot die bron te komen! Ik ging daar dan bij liggen om te drinken en te drinken, ging even zitten, wachtte en dronk weer. Jaar na jaar kwam ik steeds bij deze zelfde bron, en ze hield nooit op, winter of zomer. Hij bevroor nooit. Een artesische bron kan niet bevriezen. O nee! O nee! Het kan me niet schelen hoe koud het wordt, daardoor zal deze niet dichtvriezen. Het zal die waterbak bevriezen, daar is slechts een klein beetje vorst voor nodig. Ziet u? Maar alles wat beweegt heeft leven in zich; het beweegt voort. En u kunt die artesische bron niet doen dichtvriezen. Ongeacht hoe terneergeslagen de geest er omheen is, deze bron is altijd levend. Leef bij die Bron.

137 Ik merkte daar op: als ik er langs kwam en ervan dronk, was het altijd fris water; je hoefde je nooit zorgen te maken: "Ik vraag me af als ik daar kom of hij opgehouden heeft te stromen?" Hij heeft maar doorgestroomd...

138 Een oude boer vertelde mij: "Mijn grootvader dronk daar al uit. En", zei hij, "hij is nooit minder geworden of iets; het is nog steeds dezelfde bron, rechtstreeks uitstromend daar in de blauwe rivier."

139 Ik dacht: "O, wat een fijne plaats om te drinken." En ik liep ongeveer anderhalve kilometer van mijn route af om op die plek te komen, omdat het zo'n goede plaats was om te drinken. O, hoe goed was dat water! O, als ik in die woestijn kom, in Arizona, moet ik er nog steeds aan denken. Als ik me eens zou kunnen neerleggen bij die wonderbare bron daarginds. Zoals David eens zei: "O, als ik nog eens van die bron zou kunnen drinken." Als hij daar slechts zou kunnen komen.

140 En ik ging daar eens zitten en er gebeurde iets eigenaardigs met me, en ik zei: "Wat maakt je toch altijd zo gelukkig? Ik wilde dat ik zo gelukkig zou kunnen zijn. Wel, ik heb je nog nooit bedroefd gezien sinds ik hier kwam. Er is niets droevigs aan je." Ik zei: "Je bent altijd vol vreugde; je springt en borrelt en je gaat maar door. Winter of zomer, koude of hitte, wat het ook is, je bent altijd vol vreugde. Wat maakt je dat – wat is het – is het omdat ik uit je drink?"

     "Nee."

     Ik zei: "Wel, misschien drinken de konijntjes uit je, en vind je dat zo fijn?"

     "Nee."

     Ik zei, "Wel, wat maakt je dat je zo overstroomt? Wat maakt je zo gelukkig? Wat maakt je altijd vol vreugde? Is het omdat die vogels uit je drinken?"

     "Nee."

     "Omdat ik uit je drink?"

     "Nee."

     Ik zei: "Wel, wat maakt je zo vol vreugde?"

141 En als die bron tot mij terug zou kunnen spreken, zou hij dit zeggen: "Broeder Branham, niet omdat u drinkt – ik waardeer dat – en niet omdat ik de vogels kan voorzien. Ik voorzie voor iedereen die wil drinken. Het enige wat u hebt te doen is hier komen en drinken. Maar wat mij gelukkig maakt; het is niet dat ik borrel, het is iets van binnenuit wat mij dringt. Het is iets wat mij laat borrelen."

142 Zo is het met een geestvervuld leven. Zoals Jezus zei, dat Hij u stromen van water geeft, opspringend tot in het eeuwige leven, een artesische, overvloeiende spuitende fontein die voortdurend stroomt. Of nu de rest van de gemeente hooggestemd is of in de put zit, u bent nog steeds bij die bron. Waarom zou u een oud denominatie systeem nemen en een waterbak vol parasieten en al het andere, en maar drinken van dat bedorven spul, terwijl u bent uitgenodigd tot een Fontein, een artesische Bron?

143 Ik denk eraan hoe het gewoon duwde, bruiste en klokte, en lachte en zich verblijdde, opsprong en dartelde. Kou, regenachtig, heet, droog, terwijl heel de rest van het land verdroogde, borrelde hij gewoon door, precies zoals hij altijd deed. Omdat hij diep geworteld was en ver weg in de rotsen ontstaan was.

144 O, laat mij leven door die Springfontein. Neem al uw mensengemaakte systemen die u maar wilt, al uw oude bedorven waterbakken, maar laat mij komen tot deze Fontein. Laat mij daar komen waar Hij vol is... Hij is mijn vreugde; Hij is mijn leven; Hij is mijn kracht; Hij is mijn water; Hij is mijn leven; Hij is mijn Genezer; Hij is mijn Verlosser; Hij is mijn Koning. Alles wat ik nodig heb wordt in Hem gevonden. Waarom zou ik naar iets anders willen gaan?

145 Broeder, zuster, wilt u niet komen tot deze Bron vanavond? Wilt u het niet, als u daar nooit bent geweest, wilt u het vanavond niet ontvangen terwijl wij onze hoofden buigen?

146 Gebroken waterbakken, lekkend, leegsijpelend, de wereld die er in sijpelt, vuil van de schuren en van andere dagen. Waarom niet deze bron ontvangen, waar dat gedoe niet in kan blijven: deze grote Bron gevuld met Bloed, geput uit Immanuëls aderen. Waarom ontvangt u dat vanavond niet? Moge God ons vanavond helpen, in dit droge, dorstige land. Zoals de profeet zei: "Hij is de Rots in een dor land." Hij is die Bron. Wilt u vanavond niet tot Hem komen in uw hart, terwijl wij bidden.

147 Dierbare hemelse Vader, er is geen andere fontein, zoals de muziek speelt. "Geen andere bron ken ik, niets dan het Bloed van Jezus." Ik werd daar geboren; ik ben daar opgevoed; ik ging daar wonen om daar te sterven en daar opnieuw op te staan in Zijn tegenwoordigheid. Here, laat mij altijd in Zijn tegenwoordigheid zijn, want er is geen ander die ik ken, geen geloofsbelijdenis, geen liefde – geen liefde dan Christus, geen geloofsbelijdenis dan Christus, geen boek dan de Bijbel, nee helemaal niets anders, geen vreugde buiten Hem. Neem Hem van me af (O, God!); het kan me niet schelen hoeveel van de wereld ik bezit, het zou nog altijd de dood betekenen. Ik moet rondzwerven met mijn handen omhoog boven mijn hoofd. Neem Hem van me weg, en het zou met mij zijn afgelopen, Here. Maar laat Hem in mij zijn, dan is december net zo aangenaam als mei; dan zijn er geen hete plaatsen en geen dorre plaatsen; zelfs de dood zelf heeft geen overwinning. Laat ons Hem hebben, Vader. Geef Hem in overvloed aan elke gelovige hier vanavond, terwijl zij hebben gewacht in deze ruimte.

148 Velen van hen moeten vanavond over de weg als ze naar hun huizen gaan en moge dit hun gedachte zijn: "Ik leef bij die Fontein; ik leef daar, fris drinkend, uur na uur."

149 En als ze dat nog niet hebben ontvangen, mogen zij Hem nu ontvangen, zo dat zij de Bron regelrecht met zich mee kunnen nemen: "Ik zal met u gaan; Ik zal met u gaan tot aan het eind van de wereld." Sta deze dingen toe, Vader.

150 En nu, terwijl we onze hoofden gebogen hebben, is er iemand hier binnen vanavond, of hoevelen zouden willen zeggen: "Heer, neem mij mee naar die Fontein op dit moment. Ik ben hier nooit gekomen alleen maar om te horen; ik kom hier om iets uit te vinden. Ik kom hier om U te vinden, Here. Ik heb U van node vanavond. Kom tot mijn hart op dit moment. Wilt u het doen, Here?" God zegene u. De Here zegene iedereen.

151 Vader u hebt de handen gezien, zelfs boven en langs de muur en in de andere ruimte, buiten. U hebt ze gezien, Vader. Ik bid dat U in alles zult voorzien wat zij nodig hebben. Misschien hebben ze gedronken bij een of andere oude waterbak, Heer, gewoon de een of andere stopplaats halverwege, waar een of ander mens een waterbak had uitgehakt. Ze is besmet geworden met allerlei vreemde leerstellingen, het Woord ontkennend. Ik bid God, dat zij vanavond zullen komen tot Hem die de Fontein is, die Bron des levens. Sta het toe, Vader. Ik draag hen nu aan U op in Jezus' Naam.

152 En U zei mij: "Als gij iets vraagt in Mijn Naam, het zal u geworden." Nu, ik zou dit niet willen vragen, Heer, als ik niet dacht dat het zou worden gedaan. Ik zou het dan slechts zeggen uit rituele sleur. Maar ik bid voor hen met oprechtheid; ik bid voor hen, gelovend dat Gij zult geven wat Gij hebt beloofd.

153 En nu neem ik hen bij die put vandaan vanavond. Ik neem ze weg van die plaats waar ze hebben gedronken, waar ze niet worden bevredigd, naar deze Bron. Ik doe het in Jezus Christus' Naam.

154 Zij zijn de Uwen, Here. Laat ze drinken van U, het levende water, de Bron van levend water. In Jezus' Naam vraag ik het. Amen. Sta het toe, Here.

O, kostelijk is die stroom,
Die mij wit maakt als sneeuw;
Geen andere bron ken ik,
Niets dan het Bloed van Jezus.

Wat kan mijn zonden afwassen?
Niets dan het Bloed van Jezus;
Wat kan mij weer gezond maken?
Niets dan het Bloed van Jezus.

     O,...

     (Jezus genees deze, Here! Sta het toe, Here, door Jezus' Naam bid ik het, God, dat Gij het zult doen. Gij weet alle dingen.)

Geen andere bron ken ik,
O, niets dan het Bloed van Jezus.

155 Denk er aan! Geen andere bron ken ik. Ik ken niets anders dan Hem. Ik wens niet iets anders te kennen dan Hem. Niets dan het Bloed van Jezus.

O, kostelijk is die stroom,
Die mij wit maakt als sneeuw;
Geen andere bron ken ik,
Niets dan het Bloed van Jezus.

156 Laten we elkaar de hand schudden, terwijl we dat opnieuw zingen. Hebt u elkaar lief? Is er iemand hier die iets tegen iemand heeft? Als dat zo is, ga het in orde maken, wilt u het? Laten we niet zo weggaan. Ziet u? Als u iets tegen iemand hebt, gaat u het op dit moment goed maken. Op dit moment is er voor u gelegenheid om te gaan en te zeggen: "Broeder, zuster, ik zei iets over u... ik dacht iets... Het was niet mijn bedoeling om dat te doen. Vergeef mij." Zo moet u het doen. Laat ons de Bron altijd door onder ons hebben. Ziet u?

Geen andere bron ken ik,
Niets dan het Bloed van Jezus.

O kostelijk is die stroom.
Die mij wit maakt als sneeuw;
O, geen andere bron ken ik,
Niets dan het Bloed van Jezus.

157 O, is Hij niet wonderbaar? Geen andere bron. Wij willen ons niet besmetten met andere dingen. Wij hebben ons afgescheiden, de wereld achter ons gelaten. Wij willen Egyptes knoflook en gebroken waterbakken niet meer. Wij zijn op reis met de Here Jezus, die geslagen Rots (Amen!), manna van boven etend en drinkend, engelenvoedsel etend, en drinkend uit de Rots.

Geen andere bron ken ik,
Niets dan het Bloed van Jezus.

158 Laten we onze hoofden buigen, biddend dat God een ieder zo rijkelijk zal zegenen dat Zijn genade en barmhartigheid met u zal zijn in de komende week, en als er iets zou gebeuren waardoor een van u zou kunnen wegglippen achter de voorhang; nu, bedenk slechts, dat het slechts een paar uren slaap en rust zijn, totdat we elkaar ontmoeten. Bedenk dat zij die leven en achterblijven degenen niet zullen hinderen die slapen, want de bazuin Gods, de laatste bazuin (de zesde heeft zojuist geklonken), en die laatste bazuin zoals het laatste zegel, zal het komen van de Here zijn; hij zal klinken, en de doden in Christus zullen eerst opstaan. Gewoon rustend tot die tijd.

159 En als u gekwetst zou worden, bedenk:

Neem de Naam van Jezus mede,
Als een schild in iedere strijd;
Wil de vijand u vertreden,
't Is Zijn Naam die u bevrijdt.

160 Duivels zullen vlieden. Herinner u, wij hopen u hier volgende zondagmorgen weer te ontmoeten. Breng de zieken en aangevochtenen mee. Ik zal voor u in gebed zijn. Bidt u nu voor mij. Wilt u het doen? Zeg: "Amen!" [De samenkomst antwoordt: "Amen." – Vert] Ik zal voor u bidden dat God u zal zegenen.

... Naam in gebed.
Dierb're Naam, O hoe zoet!
Hoop der aard' en 's hemels vreugd';
Dierb're Naam, O hoe zoet!
Hoop der aard' en 's hemels vreugd'.

Wil op Jezus' naam vertrouwen,
Val ootmoedig voor Hem neer,
Spoedig zult gij Hem aanschouwen,
Jezus, aller heren Heer.

Dierb're Naam, (Dier'bre Naam, is het niet lieflijk en dierbaar?)
Hoop der aard' en 's hemels vreugd';
Dierb're Naam, O hoe zoet!
Hoop der aard' en 's hemels vreugd'.

161 Het is altijd zo moeilijk u te verlaten. Alhoewel ik weet dat u het gloeiend heet hebt, maar er is gewoon iets met... Laten we nog een lied zingen. Wilt u het? Wilt u het? "Gezegend zij de band die bindt", zuster. Hoevelen kennen dit oude lied? We waren gewoon het jaren geleden te zingen.

162 En ik dacht er vanavond aan, twee handen uit de honderden die zijn overgebleven, toen we gewoon waren dat lied te zingen rond de tabernakel en we elkaar de hand schudden. "Gezegend zij de band die ons bindt." Ik heb velen van hen begraven hier vlakbij op de begraafplaats. Zij wachten. Ik zal ze weerzien. Ik zie hen zo nu en dan in een visioen, wanneer ik voorbij de voorhang kijk; ze zijn daar. Laten we onze hoofden nu buigen als we het zingen.

Gezegend zij de band,
Gelegd door onze Heer,
W' ontvangen uit Zijn milde hand,
Gods liefde meer en meer.

En moeten we (Nu, steek uw hand uit en pak iemand bij de hand) uiteen, (Nu, buig uw hoofd.)
Dan voelen wij de smart,
Toch is er vreugde in ons hart,
Eens zien we elkander weer.

     Met onze hoofden gebogen, geef ik de dienst nu over aan de voorganger, om te sluiten met gebed.