Hoofdmenu  
Home English (United States)
Download  
audioE-BookPrint
AudioAudio
mp3 Download mp3mp3 is een populaire audioformaat dat op vrijwel alle mediaspelers te beluisteren is. meer info...
m4b Download m4bM4B is een Audiobook formaat voor Apple apparatuur (iPod, iPhone etc...) Uw plek wordt bewaard e.d. meer info...
E-BookE-Book
ePub Download ePubePub is de meest gangbare formaat voor E-Book readers. Het heeft geen absolute paginaindeling. meer info...
pdf Download PDFPDF is het meest ondersteunde formaat met absolute pagina indeling. meer info...
xps Download XPSXPS is een relatief nieuw formaat dat vanaf Windows 7 gelezen kan worden zonder extra software te installeren. meer info...
printPrint
book Download PDFPDF ingedeeld als printbaar boekje (dubbelzijdig printen en in het midden vouwen en nieten). meer info...
xpsbook Download XPSXPS document ingedeeld als printbaar boekje (dubbelzijdig printen en in het midden vouwen en nieten). meer info...

God Die rijk is in genade

Door William Marrion Branham

1 U kunt gaan zitten. Ik was als het ware beduusd, toen ik bij het binnenkomen broeder Moore en al diegenen hier op het podium zag, de vrienden die ik al zovele jaren heb gekend. Het is werkelijk een voorrecht ze hier vanavond te zien. Ik voel me erg klein om hier te staan en te spreken met achter mij zulke theologen, en misschien willen ze mij verbeteren wanneer ik verkeerd ben. Ik hoop het.

2 We zijn vanavond heel blij een bepaald persoon hier te hebben, zuster Rose. Wij gingen naar... Ik ging met broeder Shores en zijn assistent mee vandaag voor een kleine lunch en onderweg zei broeder Williams dat zuster Rose erg ziek was. En we gingen haar even bezoeken en knielden neer. En ze had hoge koorts en was echt ziek. Alleen enkele woorden van gebed en de Here sprak tot ons en zei: "Ze zal genezen worden en zal morgenavond daar zijn." En hier is ze vanavond, zit precies hier. Dat is waar.

3 Zuster Rose, sta een ogenblik op zodat men... We zijn de Here dankbaar. Zij was bedlegerig. Ze zei: "De duivel sloeg mij met alles om mijn oren. Ik kom hier en had een inzinking daarmee", een of andere keelziekte, enzovoort. Maar de Here heeft haar er bovenop geholpen en wij zijn daar blij om. De dierbare Heer zij gedankt!

4 Nu, wij hebben al wonderbare tijden gehad. En morgenavond gaan we naar de Ramada. En vergeet nu niet, dat het morgenavond niet hiér zal zijn, het zal in de Ramada zijn. En de conventie begint de daarop volgende avond. U moet me nog één avond verdragen, ziet u.

5 Dus gisteravond ging ik me zodanig te buiten, ik had mijzelf als het ware een kleine belofte gedaan op de eerste van het jaar, dat ik deze boodschappen van drie of vier, vijf uren lang gewoon zou inkorten tot misschien zo ongeveer dertig of veertig minuten. En zoals ik u gisteravond vertelde, maakte mijn vrouw zondag een opmerking en zei: "Je deed het echt beter." Dus toen moest ik gisteravond natuurlijk wel komen en het ondertussen totaal bederven, zie. Ik deed er gisteravond vijfenvijftig minuten over in plaats van dertig.

6 Toen ik vanavond kwam, zei Billy: "Waar gaat u over spreken?"

7 Ik zei: "Wel, ik heb een paar aantekeningen hier opgeschreven, en enkele Schriftgedeelten. Ik weet het niet, sommige ervan zijn vier of vijf verschillende boodschappen. Ik tast af wanneer ik erheen ga en kijk wat er gaande is."

8 Hij zei: "U beloofde voor al die zieke mensen te bidden."

     Ik zei: "Jazeker. Hoeveel kaarten had je?"

     Hij zei: "Tweehonderd."

     Ik zei: "Dan kan ik er maar beter vanavond aan beginnen."

9 En hij zei: "Vergeet nu niet dat u maar vijftien minuten krijgt om te spreken." Hij zei: "De rest ervan hebt u gisteravond opgemaakt." [Broeder Branham en de samenkomst lachen – Vert]

     "Vijftien minuten." We zullen wat moeten voortmaken, is het niet?

10 Wel, we deden u een belofte, dat we voor die mensen die gebedskaarten hadden, zouden bidden en aan een belofte zijn wij natuurlijk verschuldigd. We kunnen hen niet allemaal door deze rijen laten gaan, noch zou ik in staat zijn ze individueel in het gehoor eruit te roepen. Al zou de Heilige Geest het mij willen geven, ik kan het gewoon niet verdragen. Het is gewoon teveel voor me. Maar we zijn allen bekend met deze dingen. We weten dat God nog steeds God is. Het is niet dat wat geneest. Het is dat wat slechts geloof opbouwt om ons te laten weten dat wij in Zijn tegenwoordigheid zijn.

11 En we gaan vanavond voor al deze zieken bidden, ieder van hen die deze gebedskaarten gekregen hebben voor gebed. En dan morgenavond daar in de Ramada, zullen we proberen nog wat meer uit te delen en voor hen daar beginnen te bidden, want ik heb nog morgenavond. En ik geloof dat ik een avond van de conventie heb, misschien ook een ontbijt. Het hangt er vanaf hoe alles loopt.

12 Er is iets, een van de sprekers, die helemaal niet verschenen is, is nog niet gekomen, ik denk het niet. Broeder Humburg, of is dat... [Een broeder zegt: "Amburgy." – Vert] Amburgy, Amburgy, Kash Amburgy. Dus ik heb het helemaal verkeerd. Dat is die Duitse naam. Ik vermoed dat het Duits is. Dus zal ik wel als een soort noodhulp voor hem moeten fungeren, excuseer me de uitdrukking.

13 Dus zullen we toch een wonderbare tijd in de Here hebben. Tot u allen, als er enkele vreemdelingen hier vanavond zijn, we zijn werkelijk blij u hier te hebben, en vertrouwen dat de Here u zal zegenen. Ik bid dat er geen zieke mensen in het gebouw zullen zijn wanneer wij vanavond weggaan, dat onze Heer in Zijn grote kracht zal neerkomen en al diegenen die ziek en gekweld zijn zal genezen.

14 Enige tijd geleden liet ik hier de mensen binnenkomen voor een speciaal onderhoud, enkele van de zware gevallen die we niet konden bereiken. Toen groeide het zo snel tot het werd – de Here bleef het zegenen, tot we drie of vierhonderd wachtenden hadden en toen werden de gevoelens van de mensen gekwetst omdat ze maar moesten wachten. Misschien, voor zoveel tijd, zou u misschien wel een jaar of twee moeten wachten om aan de beurt te komen, ziet u, net tussen de samenkomsten door, om ze binnen te laten voor de interviews. En wij bleven dan zitten wachten op de Here tot Hij ons het geval precies vertelde.

15 Zonder twijfel zitten er hier vanavond mensen, die op die speciale interviews geweest zijn. Zijn er? Laat ons uw opgeheven hand zien. Op de speciale interviews. Ja, daar zitten ze, en u weet dat dit waar is. We wachtten gewoon om te zien wat de Here zou zeggen, wat die zaak... En toen moest ik er enige tijd geleden mee stoppen. Ik vertelde Billy dat we helemaal geen privé-interviews meer konden houden.

16 Ziet u, ik ben net de vijfentwintig gepasseerd onlangs, voor de tweede maal, en vorder aardig naar de derde keer. En als u zo wat ouder wordt, wel, je gaat niet, je... op de een of andere manier kun je het niet bij benen zoals je het gewend was. Je stappen worden kleiner. En natuurlijk weet broeder Moore daar nog niets over. Ik denk dat we ergens omtrent dezelfde leeftijd zijn.

17 Maar heel wat water is door de rivier gestroomd sinds u en ik en broeder Brown hier voor de eerste keer kwamen, met broeder Outlaw en broeder Garcia en broeder Fuller. Ik vraag me af of deze mannen hier vanavond aanwezig zouden zijn? Broeder Garcia, broeder Fuller, broeder Outlaw, zijn ze hier? Steek uw hand op als u er bent. Ja, daar is broeder Fuller geloof ik, als ik me niet vergis. Broeder Outlaw aan deze kant. Broeder Garcia, ik geloof evenwel dat hij Phoenix heeft verlaten. Ik denk dat het juist is. Hij verliet Phoenix en hij is naar Californië gegaan. Wel, het waren zeker kostelijke dagen en ik geloof nog steeds dezelfde Boodschap die ik toen had: "Jezus Christus, gisteren, heden en voor eeuwig Dezelfde." Dat is denk ik ongeveer... Wel, Becky was een baby. Dat is zowat negentien jaar terug.

18 En nu is zij een groot, oud, dik, lelijk meisje, dat daar ergens zit, negentien jaar oud. Waar zit je, Becky? Tjonge, ze zal me er hiervoor van langs geven. Ik herinner me hoe ik haar op mijn arm droeg. Ik zal een hele toer hebben om dat vanavond te doen.

19 Ik herinner me nog een avond in broeder Garcia's kerk, ze was nog maar een klein ding. En ik zei: "We hebben vanavond een internationale samenkomst." Ik zei: "Ik zal tot de Spanjaarden spreken." En ik zei: "Mijn vrouw hier is een Duitse." Ik zei: "Ik ben een Ier." En ik zei: "En mijn kleine meid is een Indiaan", en dat was Becky.

20 Dus toen ik door de achterdeur naar buiten kwam, stond daarbuiten een klein Mexicaans meisje, dat zei: "Broeder Branham!"

     "Ja lieverd, wat is er?"

     Ze zei: "Denk u niet dat uw baby een beetje te bleek is om een Indiaan te zijn?" Ze is blond, weet u.

     En ik zei: "Precies een Indiaan in manier van handelen."

21 Wel, we zijn dankbaar hier vanavond weer te zijn. Nu voor wij tot het Woord naderen, laten we tot Hem naderen, want Hij is het Woord. Wanneer het Woord wordt gemanifesteerd, is dat Hem in u.

22 Zoals wij gisteravond spraken over Het zaad van de Tweedracht, hebt u dat gewaardeerd, de zegen van de Here? [Samenkomst zegt: "Amen." – Vert] Ik stelde het bijzonder op prijs u de Boodschap te brengen. En we zien wat de zaden zijn.

23 Nu, is er een speciaal verzoek vanavond, iets speciaals? Misschien zeggen enkelen van u allen die in deze gebedsrij zullen komen: "God, wees genadig. Wanneer ik kom om voor gebeden te worden, laat mijn geloof dan omhoog komen om aan de voorwaarden te voldoen." En het kan zijn dat iemand een geliefde heeft, ziek en nog wat. Zou u uw hand willen opsteken zodat God naar beneden zou kijken en zeggen... Nu als dat... U weet niet wat voor een gevoel me dat geeft daarnaar te kijken. Kijk toch eens hier naar de nood! Broeder-predikers, kijk toch eens. Ziet u? Nu, als mij dit zo doet voelen, wat doet het dan bij onze Vader? Zeker.

     Laat ons nu bidden.

24 Dierbare Jezus, we naderen nu tot de grote troon der genade door deze algenoegzame Naam. "Want er is geen andere Naam onder de mensen gegeven waardoor wij behouden moeten worden, dan alleen deze Naam van de Here Jezus." En wij komen in Zijn Naam. En wij bidden, hemelse Vader, dat U ons vanavond wilt ontvangen als Uw gelovende kinderen. En vergeef ons ongeloof, Heer. Help het vanavond, dat wij volledig ieder Woord van God vanavond zullen geloven, voor alle dingen die wij nodig hebben.

25 U weet wat zich onder deze handen, die opgeheven zijn, bevindt; daar is ziekte, sommige ervan misschien wel huiselijke moeilijkheden, sommige ervan financiële zorgen, sommigen zijn lusteloos, misschien enkelen afgeweken, een zondaar. Wat de nood ook is, U bent meer dan opgewassen tegen welke vijand ook. Dus bidden wij, Heer, dat we vanavond zullen beseffen dat onze vijanden allen verslagen zijn, tot zelfs de dood toe. En dat wij in Hem Die ons heeft liefgehad en Zich voor ons heeft gegeven, ons in Zijn bloed heeft gewassen, meer dan overwinnaars zijn.

26 Wij bidden, Heer, dat alle ongeloof, alle twijfel, alle frustratie, alles wat niet op God lijkt van ons zal wegvlieden vanavond, opdat de Heilige Geest het recht van toegang in onze harten mag hebben. Moge Hij op een mysterieuze wijze tot ons spreken. Moge Hij tot ons spreken in Zijn kracht. Moge Hij degenen die geestelijk dood zijn opwekken, gezondheid terugbrengen aan degenen die ziek en aangevochten zijn, de zwakke knieën rechten, de vermoeide handen die neerhangen, opheffen. En mag er een tijd van verheuging zijn.

27 Mag het vanavond uitbreken, Here, om van deze plaats naar de Ramada Inn te gaan en één van de grootste conventies te starten die ooit in deze stad zijn gehouden. Heer, terwijl wij tezamen vergaderd zijn en bidden! U zei: "Als het volk dat door Mijn Naam geroepen is zich bijeen zal vergaderen en bidden, dan zal Ik horen vanuit de hemel." En God, we bidden dat dit vanavond zo zal zijn.

28 Nu, Vader, bij het lezen van Uw Woord, niemand kan het verklaren behalve U, U bent Uw eigen Uitlegger en wij bidden dat U ons de dingen, die wij vanavond lezen, wilt verklaren. Want we vragen het in Jezus' Naam. Amen.

29 Nu, als velen van u graag de Schriftgedeelten die een voorganger leest, op willen schrijven, dan zou ik graag willen dat u vanavond, als u wilt, met mij opslaat de Efeziërs.

30 En verleden zondag sprak ik over de Efeziërs, dat het boek van Jozua de Efeziërs van het Oude Testament was en dat het een boek van verlossing was.

31 En verlossing heeft twee verschillende kanten: "komen uit" en "binnengaan in". Eerst moet u eruit komen. Sommige mensen willen de wereld met zich meebrengen; maar u moet uit de wereld komen om in Christus binnen te gaan. U moet komen úit ongeloof om ìn geloof binnen te gaan. Er kan geen ding in uw weg staan. Om werkelijk echt geloof te hebben moet u absoluut alles wat in tegenstelling is met het Woord van God achterwege laten om in geloof binnen te gaan.

32 En dat was het boek der Efeziërs van het Oude Testament, Jozua. Alwaar Mozes die de wet vertegenwoordigde geen één kon redden; maar genade kon het wel en hier is Jozua, hetzelfde woord als Jezus, "Jehova-redder."

33 En dan merken we nu dat wij aan een andere 'Efeziërs' gekomen zijn, nog een Efeze nu. Waar dat, in onze intellectuele organisaties enzovoort, en al onze opleidings-programma's, gekomen is tot hun Jordaan, moeten wij dan wel weer een 'Efeziërs' hebben. We moeten een exodus hebben om er "uit te gaan" en "binnen te gaan", voor de opname.

34 We gaan nu vanavond lezen uit het tweede hoofdstuk van de Efeziërs. Ik zei dat alleen zodat u de plaats kon opzoeken, of het hoofdstuk kon opzoeken.

     Ook u heeft Hij mede levend gemaakt, hoewel gij dood waart door uw overtredingen en zonden:
     Waarin gij vroeger gewandeld hebt overeenkomstig de loop dezer wereld, overeenkomstig de overste van de macht der lucht, van de geest, die thans werkzaam is in de kinderen der ongehoorzaamheid,
     Trouwens, ook wij allen hebben vroeger daarin verkeerd in de begeerten van ons vlees, handelende naar de wil van het vlees en van de gedachten, en wij waren van nature kinderen des toorns, gelijk ook de anderen.
     Maar God echter, Die rijk is in barmhartigheid, heeft, door Zijn grote liefde, waarmede Hij ons heeft liefgehad, ons, hoewel wij dood waren door de overtredingen, mede levend gemaakt met Christus – door genade zijt gij behouden.

35 Ik wil daarvan een deel van het vers nemen: "maar God", De God Die rijk is in genade.

36 Ik wil dat u hier van de profeet, apostel liever, Paulus, opmerkt, hoe hij hiervan melding maakte:

     "U, die dood waart, heeft Hij mede levend gemaakt. U heeft Hij mede levend gemaakt, die eertijds dood waart, dood in zonde en overtredingen; wandelende naar de dingen van de wereld, de wil van het vlees, en handelende naar de wil van de gedachten. Heeft..."

37 Wat veroorzaakte deze verandering, ziet u? En wat veroorzaakte het, "van eens dood te zijn", om levend te worden? Quicken betekent: "levend gemaakt". Er was een verandering van dood naar leven. Er bestaat geen ander, er bestaat niets geweldigers wat iemand zou kunnen overkomen, dan hem te veranderen van dood in leven. Als een man stervende was, lichamelijk, en lichamelijk genezen kon worden, dan zou dat iets geweldig zijn, maar lang zo geweldig niet als wanneer hij geestelijk dood was en God hem heeft opgewekt tot leven.

38 "U eens, eertijds, dood." U was dood. Zelfs velen hier vanavond kunnen terugkijken en weten dat ú eens dood was. Maar waarom bent u vanavond niet dood, zoals toen? U verdient zo te zijn, omdat u een zondaar was, "maar God, Die rijk is in genade." Dat is de zaak: "God, Die rijk was." Al deze dingen die wij waren: "maar God"! Dat bracht daar direct de verandering, "God Die rijk is in genade"!

39 O, ik ben er zo blij om, dat Hij rijk is in genade. Als Hij enkel rijk in geld was, als Hij enkel rijk in het materiële was, wat Hij ìs, maar het grootste is toch om rijk in genade te zijn. O, wat is dat een geweldig woord, hoe wij eens dood waren.

40 En we spraken er onlangs op een avond over hoe het zaad moet sterven. En alles wat om die levenskiem zit moest niet alleen sterven, maar rotten. Als dat niet rot, kan het niet leven. En rotten betekent: "volkomen ermee weggedaan; het is afgelopen." En tenzij we tot de plaats komen waar onze eigen ideeën en onze eigen gedachten volkomen verdwenen zijn en van ons zijn weggerot, kan vervolgens de levenskiem beginnen te leven.

41 Nu konden we, ik kon wel eens een kleine leerstelling hier tussendoor brengen. Maar ik... als u het niet gelooft, ook goed. Dat is in orde. Ik geloof het wel. Ik geloof dat een man, wanneer hij in deze wereld geboren wordt, dat wanneer u een kleine baby bent, geboren in de wereld, u hier niet zou kunnen zijn zonder de voorkennis van God, omdat Hij oneindig is en Hij alle dingen weet. En wanneer die kleine baby ter wereld gekomen is, is er iets in die baby. Als hij ooit leven zal gaan hebben zit daar iets van binnen, in dit kind dan, waar hij vroeg of laat toe komt. Dat zaadje ligt in hem. Als u nu wilt nemen... De Schrift verklaart dat duidelijk.

42 Als u nu vanavond eeuwig leven gekregen hebt, als wij eeuwig leven hebben, dan waren wij er altijd, omdat er slechts één vorm van eeuwig leven bestaat. Wij waren er altijd. En de reden dat we er waren was, omdat wij een deel van God zijn. En God is de Enige Die eeuwig is.

43 En zoals Melchizédek tienden van Abraham ontving en het werd toegerekend aan zijn achterkleinzoon, Levi, die nog in de lendenen van Abraham zat; betaalde tienden, want hij was nog in de lendenen van Abraham toen hij Melchizédek ontmoette. In die andere plaats wil ik op een ochtend daarover spreken: Wie Is Deze Melchizédek? Nu, merk dat op. Ver daarvoor. God wist dat deze jongen er aan kwam. Hij wist alle dingen.

44 Nu zijn wij een deel van God. U bent het altijd geweest. U herinnert het zich niet, omdat u slechts een eigenschap [attribuut] was in God. U was slechts in Zijn gedachten. Uw eigen naam, als deze ooit in het boek des levens stond, was hij daar geplaatst vóór de grondlegging der wereld. Hij wist wie u was.

45 Ik zeg dit alleen, niet om leerstellingen te verwarren, maar om het recht te zetten, opdat we weg mogen komen van deze angst en schrik. U weet niet wie u bent. U zult het niet gaan zijn, maar u bent nú de zonen van God. Zie, u bent altijd de zonen van God geweest, ziet u?

46 Want toen God u in het begin in Zijn gedachten had, u moet, een deel van u, uw leven dat in u is, moest van tevoren bij God zijn. Welnu, toen Hij, vóór u hier op aarde zelfs in bestaan kwam, vóór er iets was, behalve God, was u een van Zijn attributen [eigenschappen]. Hij wist wat uw naam zou zijn. Hij wist de haarkleur die u zou hebben. Hij wist alles over u. Het enige wat er gebeurde toen u, terwijl u een zondaar was...

47 Velen van u kunnen met mij meevoelen in deze gedachte. Toen u een kleine jongen of meisje was liep u daar rond en er waren bepaalde dingen die, terwijl het andere kinderen niet zou hinderen, leek het wel of er iets in u was dat het uitschreeuwde. Daar was God ergens, toch was u een zondaar. Herinnert u zich dat? [Samenkomst zegt: "Amen." – Vert] Jazeker. Wat was dat nu? Dat was toen die kleine vorm van leven in u.

48 En toen hoorde u na een poosje het Evangelie. Misschien bent u naar de kerk gegaan, pikte u dìt en dàt op en ging van denominatie naar denominatie. Maar op een dag, daar u een deel van God bent, moest u een deel van het Woord zijn. En toen u het Woord hoorde, u weet waar u vandaan komt, wist u wat de Waarheid was. U was er altijd al, het zaad was er altijd al in u. Het Woord zag het Woord dat in u lag, dat er voor de grondlegging der wereld was, u zag het Woord en u kwam er naartoe.

49 Zoals mijn adelaar verhaal, hoe dat het arendje onder een hen werd uitgebroed. En de kleine makker wandelde met de kuikens, de hen klokte en hij verstond haar geklok niet. En de kleine kuikens, hun dieet dat zij op het boerenerf hadden, hij begreep dat niet, hoe ze dat deden. Maar er was iets in hem dat anders leek te zijn dan dat kuiken was, omdat hij in het begin een arend was. Ja. Op een dag kwam zijn moeder hem opsporen en toen hij die arendkreet hoorde, was het anders dan het geklok van de hen.

50 En zo gaat het met iedere wedergeboren gelovige. U kunt alle theologie horen die u maar wilt en al de tegenstrijdigheid die door de mens veroorzaakt is, maar wanneer daar dat Woord opflitst, dan neemt iets er een houvast op en u gaat er naartoe. "U die eens dood waart in zonde; dat leven heeft Hij levend gemaakt." Er moet daar allereerst een leven zijn om tot leven gebracht te worden. God wist door Zijn voorkennis alle dingen. En wij waren voorbestemd om zonen en dochters van God te zijn. "Gij die eens dood waart in zonde en overtredingen, waarin wij allen vroeger verkeerd hebben, heeft Hij echter levend gemaakt."

51 Kijk eens naar Paulus, toen Paulus een geweldige theoloog was. Maar toen hij tegenover dit Woord, Jezus, kwam te staan, maakte het levend. Hij kwam onmiddellijk tot leven, omdat hij daartoe verordineerd was. Hij was een deel van het Woord; en toen het Woord het Woord zag, was het zijn natuur. Al het geklok van de kippen, in de orthodoxe kerken, had op hem geen enkel effect, hij had het Woord gezien. Het was een deel van hem. Hij was een arend. Hij was geen kip; hij bevond zich alleen bij hen op het boerenerf. Maar hij was van aanvang een arend.

52 Ik hoorde een soortgelijk verhaal, ik hoop dat het niet heiligschennend klinkt, over een eendje dat eens onder een kip ter wereld kwam. Hij kon het niet begrijpen. Een vreemd uitziend ventje, een rare kerel, en hij kon die herrie enzovoort, niet begrijpen. Zij speelden op het boerenerf. Maar op een dag leidde de oude hen het kleine gebroed om het erf heen en hij kreeg de geur van water. Jawel, hij nam een ren naar dat water zo hard hij maar kon. Waarom? Hij was nog nooit eerder in een vijver geweest. Hij was nog nooit in het water geweest. Maar hij was van aanvang een eend. Het enige wat hij doen moest, was tot zichzelf komen.

53 Zo gaat het met de gelovige. Er is iets in hem, dat, wanneer hij God van aangezicht tot aangezicht ontmoet, hij tot zichzelf komt. Dat zaad ligt in hem en het wordt levend gemaakt. O, zo is het, en hij vliegt weg van de dingen van de wereld. Ze worden als dood voor hem. O, ik herinner mij, dat wij allen ons leven eertijds in de dingen van de wereld doorbrachten. Maar eens kregen wij vat op dat echte, iets wat ons levend maakte, een zaadje dat tot leven kwam, toen vergingen daar direct alle wereldse dingen. Wij hadden er geen verlangen meer naar.

54 "Hij die uit God geboren is, zondigt niet. De aanbidder eens gereinigd, heeft geen zondig geweten meer, geen verlangen meer om te zondigen." De zondekwestie is voorbij. U wordt een deel van God, in Christus. Christus stierf om u te redden.

55 Nu denk eens aan alles wat wij zouden zijn geweest, als God er niet geweest was. Maar God in Zijn rijke genade, hoe Hij ons vanavond gered heeft! Waar zouden wij vanavond geweest zijn als Gods rijke genade niet op ons geweest was?

56 Eens was de wereld zo zondig, dat de mens verderf op de aarde bracht totdat het God berouwde dat Hij ooit de mens had gemaakt. Het hele hoofd was één etterende zweer, het hele lichaam, en God betreurde zelfs dat Hij ooit een mens had gemaakt. Dus zei Hij: "Ik zal de mens die Ik geschapen heb vernietigen." Hij zal ze vernietigen omdat hij niets dan een troep van bederf heeft.

57 En het hele menselijke ras zou op dat moment weggevaagd zijn, maar God, rijk in genade, wilde niet de onschuldige laten omkomen met de schuldige. En Hij ging heen en voorzag in een weg voor degenen die binnen wensten te komen, die wilden doen wat goed was. Hij maakte een weg van genade voor degenen die barmhartigheid verlangden en Hij bereidde een ark. Met andere woorden, Hij maakte een paar vleugels aan Zijn adelaars, zodat zij boven het oordeel konden uitvliegen en niet met de kippen verdronken. Maar Hij maakte een weg van ontsnapping, in de dagen van Noach. Dit veroorzaakte Hem dat te doen, erin te voorzien, omdat Hij rijk in barmhartigheid was.

58 Maar nadat Hij de mensen een weg verschaft heeft, dan weigeren zij die, nu, de reden dat zij die weigeren is omdat daarbinnen niets ligt om het te ontvangen. Er is niets om het te ontvangen. Mijn moeder zei altijd: "Je kunt geen bloed uit een knolraap halen, omdat er geen bloed in een knolraap zit." Dus als daar geen vorm van leven in zit om het te ontvangen, dan kan het niet ontvangen worden.

59 Dat is de reden dat de Farizeeërs recht in het gelaat van Jezus konden kijken en Hem "Beëlzebul" noemden, omdat er niets in hen lag om Hem te ontvangen. "Maar al wat de Vader Mij gegeven heeft", zei Hij, "zal tot Mij komen." Op een of andere wijze zal het vertoond worden.

60 U kunt op straat wel eens tegen de mensen praten, met hen over de Here spreken, ze lachen je recht in het gezicht uit. Wel, we worden verondersteld het in ieder geval te doen. Maar luister, "Er is geen mens die tot Mij komen kan tenzij Mijn Vader hem eerst trekt." God moet trekken. Er moet een leven zijn. "En al wat Hij Mij gegeven heeft, zal tot Mij komen."

61 Hij maakte een voorziening voor degenen die gered willen worden. Hij maakte een voorziening voor degenen die genezen willen worden. En dan omdat Hij dit deed, maakt het Hem rijk in genade, zoals Hij altijd rijk in genade is geweest. Het moet zijn, als u dit weigert, dat er niets overblijft dan het oordeel, omdat zonde geoordeeld moet worden.

62 Farao, toen hij de zee introk als een nabootser, daar hij zag dat hij erin kon gaan zoals Mozes deed. Mozes met zijn leger en Farao met de zijnen, beiden zouden in de zee zijn omgekomen, leek het. Maar God, rijk in genade, maakte voor de Hebreeuwse kinderen een weg van ontsnapping (waarom?) omdat zij volgden in de lijn van plicht, zij volgden in het Woord.

63 De enige manier nu om genade te verkrijgen is te volgen in de instructies die God ons heeft gegeven. De enige manier dat Hij ons genade tonen kan is wanneer wij opvolgen wat Hij zegt om te doen.

64 Zoals het kleine debat niet lang geleden, met een voorganger die zei dat ik een apostolische leerstelling in deze dag aan het prediken was. Ik geloof dat ik er een of twee avonden geleden, of zoiets, over sprak, hoe hij zei: "U probeert in dit tijdperk een apostolische leerstelling binnen te brengen." Hij zei: "Het apostolische tijdperk hield op met de apostelen."

     En ik zei hem: "Wel, gelooft u het Woord?"

     Hij zei: "Ja."

65 Ik zei: "Openbaring 22:18 zegt dat, 'Wie hier één woord uit zal nemen of er één woord aan toe zal voegen', niet alleen maar twee woorden; één woord, er één woord uitnemen."

     Hij zei: "Ik geloof dat."

66 Ik zei: "Dan kan ik u vertellen waar het apostolische tijdperk werd gegeven, waar de apostolische zegeningen aan de gemeente werden gegeven; vertelt u mij nu waar God, door het Woord, het uit de kerk genomen heeft. U kunt het niet; het staat daar niet." Ik zei: "Vergeet nu niet dat Petrus op de Pinksterdag, dat hij degene was die het apostolische tijdperk introduceerde. En hij vertelde ze allemaal zich te: 'Bekeren en gedoopt te worden in de Naam van Jezus Christus voor de vergeving van zonden en u zult de gave van de Heilige Geest ontvangen. Want de belofte is aan u en aan uw kinderen en aan degenen die daar verre zijn, zovelen als de Here, onze God, ertoe roepen zal.'"

67 Wanneer u nu naar het geklok van een of andere denominatie-hen wilt luisteren en daarginds in de dingen van de wereld wilt leven, dan laat dat zien dat er iets verkeerd is. Want, dat is het Woord: "Hij die wil mag komen." En als u een wil gekregen hebt, zou u moeten komen. Maar als u geen wil hebt, dan verkeert u in een slechte toestand. Maar als u een wil hebt om te komen, kom en volg Gods formule!

68 En Hij schiet nooit tekort in het uitvoeren van wat Hij beloofd heeft. Eens was ik jong en nu ben ik oud, nooit heb ik Hem in Zijn Woord zien falen. Want Hij kan alles, behalve falen. Hij kan niet falen. God kan dat niet. Het is onmogelijk voor God om te falen en God te blijven. Hij moet het doen.

69 Farao's leger probeerde na te bootsen, want ze waren niet geroepen en zij hadden dat leven niet. De belofte was niet aan Farao gegeven. De belofte was hem niet gegeven voor een beloofd land.

70 En een nabootser die een echte gelovige die daartoe geroepen is, probeert na te volgen, maakt er slechts een bespotting van. Dat is vandaag met ons religieus systeem aan de hand. Er zijn te veel mensen die de Heilige Geest proberen na te bootsen, te veel mensen die proberen de doop na te bootsen, te veel mensen die proberen het apostolische tijdperk na te bootsen. Het is voor gelovigen en anders niet. God heeft een weg gebaand, rijk in genade, zodat Zijn kinderen niet zouden omkomen. Hij heeft een weg voor hen gemaakt.

71 Welnu, Farao die probeerde te achtervolgen, verdronk in hetzelfde water dat Mozes en zijn groep redde. Nu Mozes verdronk niet, omdat God rijk in genade is voor degenen die Zijn voorziene weg volgen. Amen.

72 Kunt u zien wat ik bedoel? Dat vanavond mensen die niet in Goddelijke genezing geloven, mensen die niet in de doop van de Heilige Geest geloven, hoe kunnen zij iets ontvangen? God is rijk in barmhartigheid voor degenen die Hem willen navolgen; niet een geloofsbelijdenis volgen, maar God volgen.

73 God is het Woord en het werd vleesgemaakt en woonde onder ons, opdat Hij de andere attributen van God zou voortbrengen. Het lichaam, Jezus, was het lichaam van God, een attribuut. Mozes zag Hem voorbijgaan, de achterkant van Hem; geen mens had Zijn gezicht gezien. Maar nu hebben wij Hem gezien, we hebben Hem aanschouwd, zien Hem als het Offer. Nu kijk, Hij was een attribuut van God, tentoon gespreid, het Woord. Dat was Hij.

74 En wanneer welke gelovige ook tot God komt, wordt hij Gods attribuut van Zijn Woord, wordt hij gebruikt, om het Woord dat voor die dag beloofd is te manifesteren. Ziet u? Zo is het. God, rijk in genade, heeft ons nooit zonder een getuigenis achtergelaten. Hij is rijk in barmhartigheid.

75 We ontdekken nu dat God zo genadig voor Mozes was daar in die dode zee, daar in de Rode zee, liever. Dan, wanneer Hij hier zei in Exodus 19:4, zei Hij: "Ik heb u op arendsvleugelen weggedragen, bracht u tot Mij. Droeg hen op arendsvleugelen en bracht u tot Mij!" Er was daar in het midden van die zee ook een andere man, die probeerde na te bootsen. Maar wat? "Hij droeg hen op arendsvleugelen."

76 God vergelijkt Zijn profeten altijd met adelaars. En wat was het? Mozes was Zijn boodschapper. En zij volgden Mozes en dat waren de arendsvleugelen waarop zij gedragen werden, omdat Hij Gods boodschap bij zich droeg. En de mensen volgden dat. Zij volgden God als zij Mozes met Zijn boodschap van verlossing volgden. En de Bijbel zei dat "diegenen niet zijn vergaan met degenen die niet geloofden". Omdat God voor hen rijk was in barmhartigheid, omdat zij Zijn geboden opvolgden. God verlangt van ons dat wij Zijn geboden navolgen.

77 We zouden hetzelfde kunnen zeggen over Korach en over Dathan en hun troep van ongelovige mensen, toen zij probeerden na te bootsen. Zij probeerden iets in Gods programma toe te dienen. Zij hielden niet van een 'eenmans-programma'. Dat beviel hun niet. Zij moesten iets te doen hebben. Korach zei: "Wat, er zijn meer heilige mannen dan u, Mozes. U doet of u de enige bent, die rechten heeft." En hij zei: "Ik... u zou dat niet moeten doen. En er zijn hier meerdere mensen."

78 En Mozes wist dat hij deze kinderen moest overbrengen naar het beloofde land omdat de belofte aan hem was gegeven. Hij moest ze overdragen naar het beloofde land.

79 En vandaag is de Heilige Geest hier om Gods Woord te betuigen en dat is de arendsvleugel waarop wij verondersteld worden te vliegen; niet op een of andere door mensen gemaakte theologie. Maar wij moeten op de vleugels van de arend naar het beloofde land gaan.

80 En hier waren ze bezig een stel kippen daar te krijgen, dat dacht Korach weet u, om dit, de arend, na te komen bootsen. En toen zij dat deden, zei God: "Scheid u zelf van hen af", en Hij verzwolg de wereld. Hij zou de hele zaak hebben verzwolgen, de hele schepping, maar God was rijk in barmhartigheid voor degenen die probeerden Zijn Woord te volgen. Nog steeds, God rijk in genade. Velen van hen liepen over naar de kant van Mozes en God opende de aarde en verzwolg de ongelovige. Hij, de ongelovige, zal altijd vergaan.

81 Degenen die niet geloofden, hoewel zij er uit kwamen en voor een poosje meeliepen, maar Jezus zei: "Zij zijn allen dood." En dood betekent 'vernietiging'. Zij zijn dood. Denkt u zich hen eens in. Zij kwamen eruit, zagen de wonderen van God, zagen de geweldige hand van God, genoten van het manna; en kwamen daar en luisterden naar een man, Bileam genaamd, die Gods weg verdraaide, door zijn tegengestelde onderwijzing van het Woord: "Wij zijn allen broeders, dus laten we allemaal samenkomen."

82 Dat is een ander Bileam-systeem dat heden oprijst: "Laten we allen tezamen komen." Het zal niet werken. Laten we wandelen met de Arend. Jehova-Arend. U bent adelaartjes.

83 Er werden er slechts drie uit de hele groep gered; Mozes, Kaleb en Jozua. De rest van hen kwam om in de woestijn; Jezus zei het in het Evangelie van Johannes, het zesde hoofdstuk. Daarom, God in genade zou hen niet laten omkomen met de rest van de ongelovigen. Zij stierven daar allemaal in de woestijn en ze zijn dood. God redde Mozes en de arend-gelovigen, omdat zij respect hadden voor Zijn Woord.

84 En heden, vriend, is het de enige manier dat wij ooit in de gunst van God kunnen zijn; God is heden rijk in barmhartigheid, maar we zullen moeten respecteren wat Hij erover gezegd heeft. U kunt niet zomaar nemen wat iemand anders heeft gezegd. U moet nemen wat God heeft gezegd. Hij zei: "Laat het Woord van elk mens een leugen zijn, maar het Mijne waar."

85 Vandaag aan de dag wordt ons verteld dat, "Al wat je te doen hebt" (in vele plaatsen) "is, wordt lid van de kerk, heb een geloofsbelijdenis, of zoiets dergelijks; of zeg een gebed op, of plaats uw naam in een boek, of wordt besprenkeld of gedoopt op een bepaalde manier of zoiets dergelijks. Dat is alles wat je hoeft te doen." Maar dat is verkeerd.

86 Om een arend van God te zijn, moet u wel dag aan dag het Woord volgen. U moet doorgaan met u te voeden met het Woord.

87 Na deze keer vinden wij ze opnieuw murmurerend, verzwakt in geloof, nadat God genade aan hen had getoond. En we vinden hen mopperend tegen God en toen ze dat deden stierven zij aan slangebeten. Wel, zij verdienden het. Jazeker. Ieder die Gods Woord zou willen misplaatsen en deze dingen doet die zij deden, verdient te sterven. Elk van hen begeerde, verdiende te sterven in de woestijn.

88 Maar toen zij zo ziek waren dat zelfs dokter Mozes en niemand van hen er iets aan konden doen, en ze stierven bij duizenden; maar God, rijk in genade, Hij maakte een weg van ontsnapping voor degenen die Hem zouden geloven. Hij maakte er een tegengif voor door een koperen slang op te richten. God in Zijn rijke... God maakte een weg van ontsnapping zodat Zijn gelovige kinderen genezen konden worden.

89 God is geïnteresseerd in alles wat verkeerd is, alles waarop u uw verwachting gesteld hebt. Iedere levenswandel. God is in u geïnteresseerd. U bent Zijn kind en Hij is rijk in genade. Hij wil het voor u doen.

90 Het volk zondigde later, door ditzelfde waarmee God een verzoening voor hen had gebracht, door de koperen slang, die reeds geoordeelde zonde vertegenwoordigde, en zij maakten van die gave een afgod. En dat deed hen opnieuw zondigen. "God wil Zijn glorie met niemand delen." Daarom kunnen wij geen twee, drie, vier goden hebben. Er is slechts één God. Hij deelt Zijn heerlijkheid niet met iets anders. Hij is alleen God, ziet u; zoals de heidenen vele goden hebben. Wij hebben de enige God en Hij zal zijn heerlijkheid niet met een ander delen, noch zal Hij iets als afgod voor Zijn aangezicht toelaten. Hoewel Hij zelfs een verzoening voor het volk had gemaakt, en het Gods Woord was en juist was; maar toen zij ertoe kwamen dat te verafgoden, raakten zij in moeilijkheden.

91 Dit is nu precies hetzelfde, denk ik, wat gebeurde met onze gemeentetijdperken. God zond ons de boodschap van Maarten Luther met zijn boodschap, John Wesley, de pinksterboodschap, maar wat deden wij ermee? Precies hetzelfde wat zij deden met die koperen slang, wij verafgoodden het. "Ik behoor híer toe en ik behoor dáár toe." Ziet u, u behoort tot iets zonder de oprechtheid die gepaard gaat met echte goddelijke aanbidding van het Woord.

92 Wat gebeurde er? De Bijbel, ons wordt in de Bijbel verteld dat "De profeet deze afgod nam en het vernietigde." Halleluja!

93 Wat wij vandaag op het wereldtoneel nodig hebben is een profeet die de afgod van denominaties wil vernietigen waarbij men denkt dat men naar de hemel gaat op grond van te behoren bij een of andere geloofsbelijdenis of bij een denominatie; het behoort vernietigd en verbrand te worden, weggeworpen. God is vol van barmhartigheid. Hij is rijk in genade. In de dag waarin wij allen daar in die chaos van duisternis zouden zijn geweest, maar God, rijk in genade, heeft ons de echte, onvervalste Heilige Geest gezonden, met Zijn eigen verklaring erbij, iedere avond hier in het gebouw. God, rijk in Zijn genade, hoe wonderbaar zien wij dat Hij is! Jazeker.

94 Al wat zij dachten te kunnen doen, was alleen naar deze slang te gaan, of dit kleine ding dat God daar had gemaakt, Mozes had laten maken en aan een paal had laten hangen, en zij konden genezen worden zonder enige oprechtheid. Zij stonden daar gewoon en keken ernaar. En zij begonnen het te aanbidden en God zond een profeet en vernietigde het.

95 Nu, allen die weigerden naar die slang in de woestijn te kijken, kwamen om. Nu, God maakt een weg, maar als u weigert ernaar te kijken, als u een of andere geloofsbelijdenis wilt vasthouden en weigert regelrecht in het Woord te kijken en te zien of het juist is of niet; al degenen die weigerden te kijken, kwamen om. En God is een onveranderlijke God. En ieder die weigerde te kijken kwam om. Zo is het vandaag hetzelfde.

96 Toen zondigde het volk naderhand en zoals men altijd heeft gedaan, maakte men er een afgod van, maakte het een... men probeerde genezing te ontvangen zonder oprechtheid en zij "behoorden ergens toe" en zo doen wij vandaag. En nu zien wij dan, het verschil ervan was, dat God...

97 Het was een goede verzoening en een goed teken voor die tijd. In die tijd was het goed. Maar het was alleen geschikt voor die tijd, voor die reis. Daar zal het alleen voor werken, voor die reis.

98 En de boodschap die Maarten Luther bracht, van rechtvaardigmaking, was goed voor Luthers tijdperk. Tot zover ging het.

99 Heiligmaking was uitstekend voor Wesley's tijdperk. Tot zover ging het.

100 Dan komen we in het Pinkstertijdperk. En het herstel van de gaven is iets heel moois, het was uitstekend in het tijdperk, maar wij gaan daar nu boven uit. Wij zijn verder dan dat, net zo zeker als er een wereld is. Wij moeten verder dan deze zaak komen, omdat wij hetzelfde hebben gedaan als zij toen deden: er een afgod van maken. "Ik behoor tot deze kerkelijke orde, ik behoor tot die kerkelijke orde."

101 God zal iemand zenden die de zaak zal verpletteren en in flarden zal scheuren en Zijn Woord zal bevestigen, het volle Woord. Let maar op. God zij geprezen! We zien nu dat dit waar is. God rijk in Zijn barmhartigheid!

102 Wanneer dan de profeet dit vernietigde liet het hun zonder enig teken van genezing, van een verzoening, achter; omdat hun afgod vernietigd was. Maar God, rijk in genade, maakte voor hen een andere. En hoe deed Hij dat? Hij bracht het water in beroering in de vijver bij de tempel en velen kwamen en werden genezen door in dit water te stappen. Jezus kwam naar deze zelfde vijver en zag een man die daar al gedurende een aantal jaren gelegen had en wachtte tot het water in beroering kwam. Zie God, rijk in genade! Ofschoon zij die zaak verafgoodden, ofschoon de profeet het moest verscheuren, maakte God voor hen een andere weg omdat Hij rijk in barmhartigheid is. Hij wilde dat ze genezen werden en Hij baande een weg voor hun genezing.

103 Nu, dan ging dit zo verder, de wereld werd zondiger en steeds maar erger in zonde. En tenslotte werd de wereld zo zondig dat God het had kunnen vernietigen. Hij zei in Maleachi 4: "Opdat Ik niet kome en de aarde met de ban sla." Hij had het kunnen doen; enkel de vraag.

104 Maar toen, God rijk in genade, bracht Hij een Redder voort, Jezus Christus. Hij zond Jezus om èn Redder en Geneesheer te zijn. Want Hij zei: "Zoals Mozes de koperen slang in de woestijn oprichtte, zo moet de Zoon des mensen verhoogd worden", voor hetzelfde doel. Hij, de verzoening, daar hebben wij aanspraak op, niets dan de verzoening. Wat Jezus reinigde door Zijn bloed, daar hebben wij aanspraak op. En de Bijbel zei: "Hij werd om onze overtredingen verwond. Hij werd om onze ongerechtigheid verbrijzeld, de kastijding die ons de vrede aanbrengt was op Hem; en met Zijn striemen werden wij genezen." Daar kunnen wij aanspraak op maken omdat de verzoening, waar wij op staan, dit voor ons beschikt. God rijk in genade!

105 Dit moest een eeuwige verzoening zijn, omdat Hijzelf kwam. God kwam Zelf in de vorm van zondig vlees om een eeuwige verzoening te brengen; en leed in het vlees en bracht de verzoening en keerde terug in de vorm van de Heilige Geest om die verzoening te bevestigen. Waar geen koperen slang of geen in beweging gebracht water het kon doen, verwees het allemaal naar die volmaakte verzoening. Dit heeft God, rijk in Zijn barmhartigheid, gedaan.

106 Nu heden, daar het de dag is waarin wij leven, zijn wij door al deze gemeentetijdperken heen gekomen en verklaren er alles van weg. Onze theologen van vandaag hebben al lang dat zicht erop verloren. Zij verklaren het allemaal weg naar een andere dag, een ander tijdperk, een of ander iets, ver weg, van lang geleden. En Goddelijke genezing was gewoon ongeveer afgelopen, men vond nauwelijks iemand die het zou willen geloven. Men stak er de gek mee. Niet meer dan twintig jaar geleden maakte men er grappen over. De Pinkstermensen hadden zich er praktisch van afgekeerd. Zij waren in die vroegere dagen begonnen, maar hadden zich ervan afgekeerd.

107 Kijk hoe zij deden. Ze zijn nu denominationeel verwilderd en haasten zich om zich elk een geloofsbelijdenis te vormen, enzovoort. Maken tegenwerpingen in plaats van licht aan te nemen, als licht binnentreedt; men organiseerde zich en maakte zich geloofsbelijdenissen, elkeen kwam langs en maakte een leerstelling voor zichzelf en men bleef bij die leerstelling. En toen hebben zij zoveel weggelaten dat de Heilige Geest niet meer in de kerk kon komen. Zij werden gewoon een nieuwe afgod, zoals de koperen slang een afgod werd. Ieder lid zei: "Ik ben hiervan en ik behoor daartoe." Het was een afgoderij. Wat zaten we in een knoeiboel in de eindtijd.

108 Maar God, rijk in Zijn genade, heeft de Heilige Geest op ons teruggezonden en bewijst vanavond Zijn Woord zoals Hij beloofde dat Hij zou doen. God beloofde dat Hij deze dingen zou doen. Kijk wat Hij deed!

109 Kijk wat Hij deed, hoe wij nu kunnen zien hoe Hij elk tijdperk beloofde een zeker ding te laten gebeuren. En wij ontdekken dat het precies gebeurde zoals Hij zei dat Hij zou doen, omdat Hij rijk is in Zijn genade, om altijd genade te hebben, om elk Woord dat Hij beloofd heeft uit te voeren. Hij moet het doen, altijd, om God te blijven. Hij doet dit altijd, Zijn Woord vindt altijd plaats op Zijn tijd. Zijn zaad dat Hij in de aarde gezaaid heeft. Wat deed Hij? Hij legde het hier in het Woord en dat is een zaad. En telkens wanneer er een tijdperk aankomt wordt dat zaad gerijpt en dan treedt een reformatie in. En Hij beloofde het en het gebeurt.

110 Nu hebben wij deze dingen niet verdiend. Wij hebben deze zegeningen van God niet verdiend, omdat we achter de dingen van de wereld aangegaan waren. We kwamen in de dwaling van Kaïn. Kaïn die een mooi altaar bouwde en een mooie kerk en er bloemen op legde en dacht: "Dat is precies wat het geweest is. Het was een stel appels of peren of granaatappelen, of wat het ook zij", die zijn vader en moeder in de hof van Eden hadden gegeten, wat hen verdreef. En dus offerde hij dat terug aan God en God verwierp het.

111 "Maar Abel heeft door geloof God een beter offer gebracht dan Kaïn."

112 En vandaag, de Bijbel zei in Judas dat "Zij de weg van Kaïn zijn opgegaan; omgekomen door de tegenspreking van Korach." Zie, "de weg van Kaïn opgegaan", met altaren bouwen, met kerken bouwen, denominaties, het bloemrijk, geweldig makend met meer leden dan de rest van hen; lieten dingen binnenkomen, alles wat maar langskwam en op en neer sprong of handen schudde of op een bepaalde wijze was gedoopt, of in tongen sprak of door de zaal rende, hun naam werd in het boek gezet. Zo is het. En dan zich keren tegen de echte Waarheid die gepredikt wordt en het ontkennen. Hoe kan het zo zijn? Merk op in wat voor een knoeiboel wij zaten! Schenk er aandacht aan.

113 En de Bijbel zei: "En zij sloegen de weg van Bileam in en kwamen om in het verzet van Korach." Kwamen om door de tegenspreking! Wat was het verzet van Korach? "Wel, denkt u dat u de enige heilige man bent? Hoe zo, Gods... Wij allen zijn heilig. De hele kerk is zo. Ieder... Laten wij allemaal bij elkaar komen, dat is wat we behoren te doen." Daarmee kwamen ze om. En wij verdienden het werkelijk. Wij verdienden omgebracht te worden!

114 Maar God, rijk in barmhartigheid, heeft ons uit die chaos getrokken en laat het ons zien vóór die zaak hier toeslaat. Rijk in Zijn genade, en zond ons een opwekking van Goddelijke genezing terug, en opnieuw de komst van de kracht van God. Overeenkomstig de geschiedenis heeft een opwekking nooit langer dan drie jaar geduurd. Deze opwekking ging vijftien jaar voort. Het is een brandend vuur, steeds maar rond de wereld geweest. Waarom? Omdat we het verdiend hebben? God, rijk in genade, niet omdat we het verlangden of omdat we het een beetje verdienden. Denk eens even in wat het gedaan heeft!

115 Ik denk aan een van uw zusters hier in Phoenix, velen van u kennen haar, mevrouw Hattie Waldrop, zij had kanker aan het hart. En zij was hier in de gebedsrij toen broeder Moore en ik hier de eerste keer waren, ongeveer vijftien, achttien jaar geleden. En zij was stervende aan kanker aan het hart, en zij zou al lang geleden gestorven moeten zijn. Maar God, rijk in genade, zond Zijn kracht naar haar. En Hij redde haar leven en zij leeft vandaag. God rijk in genade!

116 Upshaw, een groot man, lid van het Amerikaanse Congres, ik denk dat hij de president, of zoiets, was van de Baptisten, Zuidelijke Baptisten Conventie indertijd, of vice-president of zoiets. Hij had alles gedaan. Hij was een goed man. Hij heeft alles wat hij wist om te doen gedaan. Hij was bij elke dokter geweest. Niemand kon iets voor hem doen. Hij was gebonden. Predikers hadden voor hem gebeden. Hem werd wel een liter olie over zijn hoofd gegoten, bij het zalven door verschillende predikers van overal vandaan.

117 En op een avond, Los Angeles, Californië, wandelend naar de preekstoel, keek ik naar een hoeveelheid rolstoelen, ongeveer twee of driemaal zoveel als daar nu zitten. Overal in de gangpaden van achteraan tot vooraan. En toen lag daar een veldbed met een kleurling meisje erin, een klein negermeisje, en haar moeder zat bij haar. En mijn broer had de gebedsrij in orde gebracht.

118 En ik keek, niet wetend wat er gaande was. En ik zag een dokter met een bril op, schildpad-montuur, die bezig was een klein negermeisje te opereren aan haar keel en ze werd verlamd. En ik keek rond en dacht "Waar is dat meisje ergens?" Ik kon haar niet zien.

119 Na een poosje, helemaal daarginds, geen hoop, schattig klein meisje, ongeveer zeven of acht jaar oud, verlamd voor de rest van haar leven en daar was haar moeder daarginds op haar knieën en bad. Toen zei ik: "Deze dokter opereerde uw dochtertje" en beschreef het.

     Ze zei: "Dat is waar, meneer."

120 Toen probeerde ze haar baby naar het podium te krijgen. Men vertelde haar dit niet te doen. Men probeerde haar te kalmeren. Tegen de tijd dat men haar rustig kreeg, dacht ik: "Wel, we zullen een gelegenheid vinden om voor haar te bidden." Binnen enkele minuten... Misschien zijn hier wel mensen die daar die avond waren.

121 En ik keek uit over het gehoor, ik zag dat kleine meisje lopen, het leek als over een smal paadje, met een pop in haar armen, terwijl ze die pop heen en weer wiegde. Het deed er niet toe hoe zeer de dokter gezegd had dat zij voor de rest van haar leven verlamd zou zijn; God, rijk in genade, zond de Heilige Geest neer door een visioen en dat meisje stond daaruit op en zij en haar moeder grepen elkaars hand en wandelden door dat gangpad, God prijzend.

122 Een eindje verder daar zat een oude man, Upshaw, lid van het Amerikaanse Congres, velen van u kennen zijn getuigenis. Hij was een goed mens geweest, had het allerbeste in zijn leven geprobeerd, zesenzestig jaar een invalide in een rolstoel, naar bed geholpen; krukken onder zijn armen waarmee hij liep, om nooit meer normaal te kunnen lopen. En daar zat hij en keek ernaar. En plotseling keek ik met aandacht en zag een visioen. Hier komt hij aanwandelen boven de hoofden van dat gehoor, terwijl hij zijn hoofd boog, kon lopen net zo goed als een ander. Ik wist niet wie de man was.

123 Ik zei: "Er zit een voornaam man daar achter. Hij viel van zijn wagen toen hij een kleine jongen was, onder het wagenstel van de hooiwagen en bezeerde zijn rug. Men had gaten in de vloer geboord om de trilling tegen te gaan wanneer de mensen liepen, zodat zijn rug niet aangeraakt werd." Ik zei: "Hij wordt een groot man en wordt nog steeds voornamer. Hij zit in een grote kring in het Witte Huis."

124 En toen kwam deze man en vertelde me en zei: "Dat is het Amerikaanse congreslid, Upshaw. Hebt u hem wel eens gehoord?"

     Ik zei: "Nog nooit van hem gehoord."

125 En dus rolde hij een verlengsnoer uit en bracht een microfoon naar achteren en werd er heen en weer gesproken.

126 Toen begon ik rond te kijken en zag ik de bejaarde congresman naar mij toe komen wandelen, in een visioen, net zo volkomen normaal als hij maar kon zijn. God, rijk in genade, trok hem uit die rolstoel en hij liep zonder krukken tot de dag dat hij stierf. God rijk in barmhartigheid! Toen doktoren gefaald hadden, toen de wetenschap had gefaald, toen elk ander ding had gefaald, was God rijk in barmhartigheid voor het Amerikaanse congreslid, Upshaw.

127 Ik denk aan mezelf. Als een kleine jongen vroeger, herinner ik mij als... Mensen noemen mij vandaag "een vrouwenhater". De reden ervan was omdat ik als kind zoveel immoraliteit bij vrouwen heb gezien. Ik haatte hen. Ik doe dit nu niet meer, omdat ik weet dat er nog goede zijn. Maar ik herinner me hoe slecht het was, zo immoreel. En ik dacht: "My, ik zal nooit in de buurt verkeren waar mensen zijn. Ik heb geen opleiding, dus zal ik er geen krijgen."

128 En daar zat ik als kleine jongen, niet eens een shirtje aan, met mijn jas hoog dichtgeknoopt zoals dìt, met een veiligheidsspeld en het was echt heet. En de onderwijzeres zei: "William, heb je het niet warm met die jas aan?"

129 Ik zei: "Nee juffrouw, ik heb het een beetje koud." En zij liet mij dichter bij de kachel zitten en deed nog wat hout in de kachel en ik had wel mee willen verbranden. En ik had dat hele seizoen geen blouse aan.

130 En ik dacht: "Als ik ooit eens het geld zou hebben, dat ik een kleine, dat ik mezelf een dertig-dertig geweer zou kunnen aanschaffen, zou ik naar het westen gaan en buiten gaan wonen en jagen gedurende de rest van mijn leven." Ik wilde niets met mensen te maken hebben. Gewoon uit hun buurt blijven, omdat ze niet van mij hielden en ik moest gewoon uit hun buurt blijven.

131 En dan telkens wanneer ik naar de stad zou gaan om met iemand te praten, enkele jongens die ik kende op straat op te zoeken, zou ik zeggen: "Hallo daar, John, Jim! Hoe gaat het ermee?"

     "O, hallo."

132 Ziet u, men wilde niet met mij praten, wilde niets met mij te maken hebben, vanwege mijn vader en degenen die whisky maakten. Maar ìk deed dat niet. Het was niet iets dat ìk gedaan had. Maar men hield mij voor dat type.

133 Maar nu zei ik niet lang geleden tegen mijn vrouw: "Mijn muur is bepleisterd met de beste geweren die gekocht kunnen worden." O, en ik denk aan die oude, vuile kleding. Vanavond heb ik twee of drie goede kostuums. En geen vrienden? Ik moet mij buiten in de woestijn verbergen om de mensen op een afstand te houden. Wat is er aan de hand, is het door mijn persoonlijkheid, is het door mijn opleiding? Nee, God, rijk in genade zag mij in deze toestand en Hij redde mij.

134 Ik herinner mij dat ik als een blinde aan de hand geleid werd. Ik kon niet zien. Alles was één grote waas voor mijn ogen; ik zou de rest van mijn leven blind zijn. Maar God, rijk in barmhartigheid, gaf mij mijn gezichtsvermogen terug. Ik ben vijfenvijftig jaar en kan nog steeds goed zien. God, rijk in genade, is het enige, wat ik kan zeggen.

135 Eens had de kerk geen voorziene weg van genezing. Men had er één, maar men wees het af. Maar God rijk in genade heeft hun een gave van Goddelijke genezing gezonden. Dit is de Heilige Geest onder ons, Die het Woord bevestigt met tekenen die daarop volgen. God, rijk in genade!

136 Ik heb hier van deze aantekeningen nog twee of drie bladzijden, maar ik zal ze niet proberen aan te roeren, omdat ik mij bewust ben dat het bijna tijd is om aan de gebedsrij te beginnen. Maar God rijk in Zijn barmhartigheid!

137 Velen van u hier vanavond zijn door de doktoren afgewezen. Er zijn mensen die daar in die rolstoelen zitten, zij zullen daar waarschijnlijk nooit meer uitkomen. Ze zullen daar in blijven. Sommigen van hen, op verschillende wijze verlamd, zullen er nooit uit kunnen komen, er is geen manier om eruit te komen. Maar God, rijk in Zijn barmhartigheid, heeft in een verzoening voorzien. Wijs het niet af. Ontvang het. Er zitten daar mannen met een hartkwaal, er zijn mensen met kankers, waar de doktoren niets aan kunnen doen. U bent zonder hoop, hulpeloos, in deze wereld.

138 Maar God, rijk in Zijn genade, heeft de Heilige Geest neergezonden en is regelrecht hier nu om het Woord te bevestigen, om te bewijzen dat Hij gisteren, heden en voor immer Dezelfde is. Omdat we het verdienen? Omdat God rijk is in genade! Amen. Dat is Degene, dat is de Persoon, het is die Here Jezus. Hij is niet dood, maar Hij is opgestaan uit de dood en Hij leeft voor eeuwig.

139 Hij is gisteren, vandaag en voor immer Dezelfde, nog steeds zo rijk in Zijn barmhartigheid als Hij was voor de vrouw die een bloedvloeiing had. En zij bewoog zich door de menigte. Er was geen hoop voor haar, de doktoren hadden alles gedaan wat zij konden. Zij had een bloedvloeiing. Zij was stervende. En zij raakte het kleed van de Meester aan. God, rijk in genade, draaide zich om en vertelde haar over haar toestand. En zij werd van deze bloedvloeiing genezen!

140 Een kleine onreine prostituée ging op een dag naar de bron om wat water te halen. Geen hoop. Zij was verbannen van de maagden, van de mensen om haar heen, haar leven was niet goed. En ze dacht: "Wat voor zin heeft het om het te proberen? Ik ben eruit gezet, er blijft voor mij niets anders over." Maar zij keek, daarginds aan de kant, of aan de kant van de bron gezeten, zat daar een Man en Die vertelde haar alles wat zij ooit gedaan had: God rijk in Zijn genade.

141 Diezelfde God is vanavond net zo rijk in Zijn genade en precies eender als Hij was in die dagen. God rijk... [Leeg gedeelte op de band – Vert]

142 Ik denk dat we hier tweehonderd gebedskaarten hebben uitgegeven, of wat wij in de nummers tweehonderd hebben opgeroepen. We gaan ze oproepen en laten de mensen een rij vormen. We zullen voor hen bidden.

143 Maar voor we het doen, als er enkele nieuwe bezoekers hier mochten zijn die gezegd hebben: "Weg met alle bijgeloof"? Dit is geen bijgeloof. Het is de manifestatie van een belofte van God. Het hangt er van af waar u naar kijkt. Er is geen geneeskracht in een mens. Er is geen kracht in enig mens. Maar wij als gelovigen hebben autoriteit; geen kracht, maar autoriteit.

144 Iemand vroeg mij niet lang geleden en zei: "Broeder Branham, gelooft u dat u kracht hebt om dit te doen?"

145 Ik zei: "Ik heb helemaal geen kracht, maar ik heb autoriteit gekregen." Iedere gelovige heeft het. Als u het afwijst, zult u blijven waar u bent. Maar als u het wilt aannemen zal het de buitengewone volheid bewerken, omdat God rijk is in Zijn genade.

146 Neem een kleine politieagent hier op straat, zijn kleding hangt langs zijn schouders naar beneden, zo mager is hij. De pet heeft zijn oren naar beneden gedrukt. En hij treedt daar naar voren waar auto's door die straat komen, vijfenzeventig kilometer per uur, met motoren van driehonderd pk. Hij heeft nog geen kracht om een fiets tegen te houden. Ja. Maar laat hem maar eens op dat fluitje blazen en die hand opsteken en let op het geknars van de remmen. Hij heeft geen kracht maar autoriteit gekregen. De hele stad staat achter hem.

147 Maar wanneer een man of een vrouw, het kan me niet schelen in wat voor een toestand u verkeert, u hebt door een belofte de autoriteit van God gekregen, omdat Hij rijk is en beloofde de buitengewone overvloed te geven. "Indien u tot deze berg zegt: 'wordt bewogen' en niet twijfelt in uw hart, maar gelooft dat wat u gezegd hebt geschieden zal, kunt u hebben wat u gezegd hebt." U hebt geen kracht, maar u hebt autoriteit.

148 Herinnert u zich toen Hij me daar reeds vertelde en zei: "U zult in staat zijn de geheimen van het hart te openbaren." Want Hij... Herinnert u zich dat, velen van u mensen uit Phoenix? Hij beloofde het. Wat Hij belooft, doet Hij.

149 Nu, er zijn heel wat van u hier die geen gebedskaarten hebben, ongetwijfeld. Hoevelen zijn ziek en hebben geen gebedskaart? Steek uw hand op. Zeker. Goed. Als u wilt weten, geen autoriteit... geen kràcht, maar de autoriteit van het Woord. "De dingen die Ik doe, zult gij ook doen."

150 Jezus beloofde in Lukas 17:30, dat er net voor Zijn komst een tijd zou zijn als die van Noach, Mozes... of Noach, "Toen zij aten en dronken en ten huwelijk gaven en het niet wisten tot de dag dat Noach in de ark ging." Hij zei dat die tijd er zou zijn. Dan heeft Hij ook gezegd: "Zoals het was in de dagen van Lot", en zei: "Dit zal plaatsvinden in die dag wanneer de Zoon des mensen geopenbaard zal worden, wanneer de Zoon des mensen wordt geopenbaard in de laatste dagen."

151 Nu kijk wat Hij, hoe de Zoon des mensen Zich heeft geopenbaard in de persoon van deze engel, welke de Zoon des mensen was. Beslist. Abraham noemde hem: "Elohim". Hij was de Zoon des mensen, openbaarde Zichzelf vlak vóór de heidenwereld werd verbrand. Hoe deed Hij het aan de gelovige? Naar de namaakgelovigen zond Hij twee predikers om tot hen te prediken. Maar tot de echte gelovige stond Hij met zijn rug naar de tent en Hij zei: "Abraham." Hij was Abram, de dag... een paar dagen daarvoor. Maar nu was hij Abraham. "Waar is uw vrouw Sara?"

152 Hij zei: "Zij is in de tent, achter U."

153 Hij zei: "Ik ga Mijn belofte aan u houden. Ik ga u bezoeken."

154 O, Abraham was honderd jaar oud en Sara was negentig; maar God, rijk in genade, hield Zijn belofte. Het bracht de baby, omdat Hij barmhartig is en Hij is vol van genade. Hij is rijk in genade. Hij houdt Zijn belofte.

155 Merk op, met Zijn rug naar de tent gekeerd, lachte Sara en zei: "Hoe zouden deze dingen kunnen geschieden? Ik ben oud. Hoe kan ik vreugde met mijn man beleven als een pas getrouwde vrouw? Wel, hij is honderd jaar. Onze geslachtsgemeenschap is vele, vele jaren geleden opgehouden. Hoe zou dit kunnen wezen?" En zij lachte erom.

156 En de Engel met... de Zoon des Mensen met Zijn rug naar de – naar de tent gekeerd, zei: "Waarom lachte Sara met te zeggen: 'Hoe kunnen deze dingen geschieden'?"

157 Wat was het? Jezus zei in Lukas 17:30, dat "In de dagen zoals het in de dagen van Lot was", dezelfde situatie, voor de heidenwereld wordt verbrand, zei Hij: "Zal de Zoon des mensen Zich in die dag openbaren." Hij deed de belofte, dat Maleachi 4 het belooft te zeggen. Een Boodschap zou komen die de mensen terug zou herstellen naar de oorspronkelijke Pinkster-boodschap en met dezelfde zegeningen die zij hadden op de dag van... Wat is het? Het is een tweevleugelige arend, zowel het Nieuwe als het Oude Testament, die hun beloften van God samen laten klapwieken om te vervullen wat de beloften van de Bijbel zeiden dat het zou doen. Amen.

158 God, rijk in genade, zou Zijn volk niet laten uit gaan in dit denominationele, "rijk in goederen en dingen van de wereld", Laodicéa-gemeentetijdperk, maar Hij zou een weg van ontsnapping banen. Geloof het mensen. God zegene u. Amen. God rijk in genade! De barmhartigheden van God, dat is het enige wat ik verlang. Niet Zijn gerechtigheid, niet Zijn wet, maar Zijn genade, daar vraag ik om. God wees mij genadig. Wij allen voelen ons zo.

159 Ik was aan het gadeslaan. Er zit hier een kleine vrouw aan het einde van de bank daar. Hebt u een gebedskaart daar, dame? Nee. Laat mij u tonen dat God rijk is in genade. U bent onlangs erg nerveus geweest, nietwaar? Heel erg, en uw ogen zijn slechter geworden. Is dat zo? Jawel. Welnu, zij zullen veranderen. God rijk in Zijn barmhartigheid om te vragen of u dit zou willen geloven. Nu, u hebt geen gebedskaart, u hebt niets; maar u hebt het niet nodig. Ziet u, het is genade die u geschonken wordt.

160 Er zit een kleine, tengere jongeman precies daarvoor, met een soort... Zit hier. Hij lijdt aan een vergroeisel op zijn lichaam. Nog maar kort geleden is het daar gekomen, kort geleden. Is dat waar, meneer? Jawel. U weet niet wat het is. U bent ervan geschrokken. Dat is zo. Het werd veroorzaakt door een kwetsuur, is het wel? Hebt u een gebedskaart? U hebt geen gebedskaart. U hebt er geen nodig, God rijk in Zijn genade!

161 O broeder, zuster, geloof God! Twijfel niet aan Hem. Geloof Hem! Dat is goed.

162 Hier zit een man, grijs pak, bril op. Kijk eens hier naar toe, meneer. Gelooft u? God is rijk in Zijn barmhartigheid. U zit daar met een hernia. Gelooft u dat God die hernia kan genezen en u gezond kan maken? Die daar aan het eind van de bank naar mij zit te kijken. Als u gelooft dat God die hernia kan genezen, wil God dit voor u doen, als u het wilt aannemen. Gelooft u het? Wilt u het aannemen? Goed. U kunt het hebben als u het zult geloven, heb genade. Jazeker, meneer.

163 Hier is een dame, zij lijdt aan een slechte bloedsomloop in haar lichaam. Maar als ze zal geloven, zal God haar genezen, als ze het gelooft. Ik geloof dat ze het misloopt, zo zeker als wat. Heb genade is mijn gebed. Zoals ik de vrouw duidelijk zie... Mevrouw Riley, gelooft u dat God die slechte bloedsomloop kan genezen? Als u wilt, ontvang het! Amen. Geloof alleen. God is goed, is Hij het niet, Stella? Ja. Dat is waar. Ik heb de vrouw nog nooit in mijn leven gezien. Maar God, in Zijn genade!

164 Hier zit nog een vrouw, zit daarginds achter, precies achterin, kijkt regelrecht naar mij. Zij ook, zij heeft ook een slechte bloedsomloop. Zij dacht er toen ook aan. Ik heb de vrouw nooit in mijn leven gezien. Daar die andere vrouw hetzelfde had, kijkt zij naar mij. Gelooft u dat ik Gods profeet ben, of Zijn dienstknecht? U hebt ook een hartkwaal. Als dat zo is, steek dan uw hand op. U hebt het nu niet. God, rijk in Zijn barmhartigheid laat zien dat Hij leeft, hier in het gebouw vanavond. God rijk in Zijn genade! Amen.

165 Zouden er, hoeveel zondaars en teruggevallenen zouden willen gaan staan en zeggen: "God, rijk in Zijn genade, wees mij genadig?" Sta op. Ik zal voor u bidden, als u gelooft dat Hij wil... u wilt barmhartigheid nu. God zegene u. God zegene u en u. Teruggevallene sta op. God rijk in Zijn genade! Bent u...

166 U bent toch zeker niet zo verstard geworden in die toestand, dat u niet kunt zien dat dit precies de belofte van het uur is. U bent toch zeker niet zo in denominatie en andere zaken verwikkeld, dat u niet zien kan dat dit de belofte van het uur is, God rijk in genade.

167 Wie u ook was, die opstond, ik zal dadelijk voor u bidden. Ik wil dat u zich naar een goede volle Evangelische kerk begeeft en wordt gedoopt in de christelijke doop, God geve u de Heilige Geest.

168 Is er nog een die wil opstaan en zeggen: "Ik wil dat er aan mij gedacht wordt. God, in Uw barmhartigheid, denk aan mij. Ik heb niet geleefd zoals ik had moeten leven. Misschien...?" God zegene u, dame. En God zegene u. God zegene u. God zegene u. God zegene u. Dat is goed. "God, rijk in Zijn genade, wees mij genadig." God zegene u, zuster. Is daar...

169 Hoeveel zijn er hier nog, die zeggen: "Ik wil gaan staan. Ik wens dat God weet dat ik barmhartigheid verlang. Ik heb niet goed geleefd. Ik heb op deze en op die manier geleefd. Ik ben als 'nu eens niet, dan weer wel', geweest, maar ik verlang Zijn genade." God zegene u, broeder. Iemand anders, die zegt: "God, rijk in Zijn genade!" God zegene u, zuster. God zegene u, zuster. Dat is goed. God rijk in Zijn genade! God zegene ook u. God zegene u daarginds. God ziet u. Sta gewoon op.

170 U zegt: "Maakt dat wat uit, broeder Branham?" Zeker, sta op en kijk hoeveel verschil het maakt.

171 Als u werkelijk oprecht bent in uw hart is God rijk in barmhartigheid. "Hij wil niet dat er iemand verloren zou gaan, maar dat allen tot bekering mochten komen." God rijk in Zijn genade!

     O God, heb genade voor ons.

172 Nu, hoevelen hier hebben nu deze gebedskaarten? Wat waren ze? A's en B's was het niet? A's en B's. Alle mensen die gebedskaarten A gekregen hebben, gaan aan deze kant staan en gebedskaart B zal daarachter komen te staan.

173 Ik vraag mij af of er enkele predikers zijn die in afwachting staan om mij te helpen. Als ze er zijn en graag zouden willen komen, zou ik graag uw assistentie aanvaarden, want we zullen graag met u bidden.

174 De Bijbel zegt dit: "Deze tekenen zullen de gelovigen volgen." Jazeker. "In Mijn Naam zullen zij duivels uitwerpen, zij zullen spreken met nieuwe tongen." Hebben we het gedaan? Door de genade van God; niet wij, maar God rijk in genade om Zijn Woord te houden. God!

175 Nu, de rolstoelen, als u ze hier vlak vooraan wilt opstellen; we zullen hier voor hen bidden, het is niet nodig ze daar doorheen te rijden, heel dat pad af. Goed, laten ze hier vlak bij komen. We zullen er zeker voor bidden. Ieder van hen. God rijk in Zijn barmhartigheid!

176 Zoudt u nu aan de rechterkant willen gaan staan voor enkele ogenblikken? Is broeder Brown met u meegekomen? [Een broeder zegt: "Komt morgen." – Vert] Komt morgen. Ik hoopte dat hij hier zou zijn. Waar, waar is broeder Outlaw, waar is broeder Fuller? Sommigen van deze mensen die hier met mij waren toen ik voor het eerst kwam, laten ze weer komen. Herinnert u zich die ouderwetse gebedsrijen wanneer wij daar stonden tot u mij moest vasthouden aan de ene kant met nog iemand aan de andere kant, omdat ik zo zwak werd?

177 Hoeveel zijn er reeds in het begin in die samenkomsten geweest? Kijk eens hier. Herinnert u zich toen, dat ik u zei dat de Here Jezus mij vertelde, dat als ik oprecht zou zijn, deze dingen plaats zouden vinden? Is dat zo? Wij hadden nog nooit zoiets als in die dag gehad. Maar het gebeurde omdat God rijk is in Zijn genade en trouw aan Zijn belofte. Amen! ...?... Amen! Prijs God! Halleluja! "O, ik ben zo blij dat ik één van hen ben!" Amen. O my!

Daar zijn mensen, bijna overal,
Wier harten volkomen in vlam staan.
Met het vuur dat viel op Pinksteren,
Dat reinigde en hen schoonmaakte;
O, het brandt nu binnen in mijn hart,
O, glorie voor Zijn Naam!
Ik ben zo blij dat ik kan zeggen, dat ik één van hen ben.

178 O, ik, gemene, ellendige, arme, blinde stakker die ik was; en nu door Zijn genade, Zijn rijke barmhartigheid, kan ik het Koninkrijk van God met het oog zien. Amen. Hoe prachtig zijn Zijn geboden!

179 Ga daar staan, mijn broer, op uw kruk. Als u niet naar boven kunt gaan, goed, sta hier, we komen dadelijk naar beneden en bidden voor u.

180 En laten nu de A's en B's van gebedskaarten daar aan de andere kant een rij vormen en we zullen voor de zieken bidden.

181 Broeder-predikers, als u zeker bent, als u gelooft in handen op de zieken leggen, kom dan direct hier en sta aan mijn zijde op dit podium. We gaan voor de zieken bidden.

182 Tot u mensen die nu in deze rij staan, als u kunt geloven dat de Tegenwoordigheid van God hier is, dat de Heilige Geest nu in ons midden is en precies doet wat Hij zei dat Hij zou doen. Indien ik kracht had u te genezen zou ik het zeker doen. Als ik enige manier had u te genezen, zou ik het zeker doen. Ik heb het niet. Ik... God heeft een kleine gave gegeven.

183 Ik ben eigenlijk geen prediker. Ik heb niet genoeg opleiding om als prediker gekwalificeerd te worden, wat een prediker in deze dagen genoemd wordt, wanneer de ervaringen een theologische ervaring moeten zijn en het zekere doctorsgraden, enzovoort, vereist. Ik kan mij daar niet voor kwalificeren. Maar God, die mijn hart ziet en weet dat ik iets voor Hem wil doen, dan wil ik het waarderen.

184 Een man zei onlangs tegen mij: "Ik vind dat u gewoon een fijne man bent, meneer Branham, maar ik geloof dat u oprecht verkeerd bent. U bent volkomen uit de wil. Weet u dat u aan het eind veroordeeld zult worden?"

185 En ik zei: "Kijk, ik wil u iets vertellen. Laat mij zeggen dat u gelijk zou hebben, gewoon om zo te zeggen ter wille van het argument. Als ik verkeerd ben, wat ik niet geloof dat het zo is; maar als ik verkeerd was en ik nu al zou weten dat ik honderd jaar zou worden en Hij mij aan het eind van de weg zou veroordelen en mij zou zeggen: 'U verdient niet om in Mijn hemel te komen, William Branham. Gaat uit in de buitenste duisternis.' Weet u wat? Ik zou Hem toch elke dag van mijn leven dienen tot ik heenging. Want ik heb zoveel van Zijn onverdiende zegeningen ontvangen, dat Hij voor mij meer dan leven is. Hij is alles wat ik..."

186 Alles wat ik ben, alles wat ik ooit kon hopen te zijn heb ik door Zijn barmhartigheid en genade verkregen. Ik was ongelukkig, ellendig, arm, blind; maar door genade heeft Hij me genezen en ben ik sterk en gezond, door de barmhartigheid van God. Ik heb een goed gezichtsvermogen. Eten, drinken, wat ik maar nodig heb, dat heb ik. Hij heeft mij nooit beloofd aan mijn wensen te voldoen; aan mijn nóden.

187 En als ik die dag verworpen word en ik wist... Ik kan niet zien waar ik zou zijn. Maar als ik wist dat ik verkeerd was en God had mij gekozen om verkeerd te zijn, zou ik wensen verkeerd te blijven en daarom wens ik Zijn wil te doen. Ik heb Hem zo lief dat ik wens dat Zijn wil gedaan wordt. Welnu, dit is een krasse uitspraak, maar ik hoop dat u het ontvangt in de geest waarin ik het gezegd heb. Ziet u, ik wil Zijn wil doen. Soms vraag ik Hem iets, dan schudt Hij Zijn hoofd: "Nee." Ik verheug mij er net zoveel over als ik kan, als wanneer Hij "ja" had gezegd. Omdat wij altijd behoren te vragen "Uw wil geschiede." Zijn nee is even als... indien dat Zijn wil is, is het even... Het is heel wat beter dan Zijn ja, als het Zijn wil is om het te doen. Dat is wanneer u Hem echt lief hebt. Amen.

188 Als ik over Hem begin te praten kan ik gewoon niet meer stoppen. O, Hij is zo echt, zo werkelijk voor mij! Vrienden, Hij is alles wat ik ben, alles wat ik ooit zou kunnen zijn, alles wat ik ooit verwacht te zijn is gegrondvest in Christus Jezus, Zijn Woord.

189 Ik ben vanavond dankbaar voor de getuigenis van de Heilige Geest, voor de Boodschap. Ik weet dat misschien sommigen het er niet mee eens zouden zijn, maar zoals ik u al zei, ik ben plichtgebonden aan een Boodschap. Een teken ging uit en God zendt geen teken om enkel te laten zien dat Hij God is. Een Boodschap, een stem, volgt altijd op het teken. Iedereen weet dat.

190 Jezus kwam met tekenen en wonderen. Hij was een geweldig Man toen Hij tekenen en wonderen deed, maar toen Hij Zich neerzette en de Boodschap begon te brengen: "Ik en Mijn Vader zijn één", o my, dat was verkeerd in hun oren. Ziet u? Maar de Stem moest op het teken volgen.

191 Aan Mozes waren twee tekenen gegeven en elk teken had een stem. Dat is waar. Ik predikte ergens hier enige tijd geleden over. De stem van het teken. Er moet een stem van het teken zijn. Het is een verandering. Zo is het altijd. Als het niet zo is dan kwam het niet van God.

192 Als een man naar voren treedt met een vreemde eigenaardige bediening die in de Bijbel als de Waarheid wordt beschouwd, en die man blijft bij diezelfde oude denominationele leerstelling, vergeet het maar. Dat lijkt nergens op! God doet zoiets niet. Die zaak, dat is verrot manna, daar zitten witte mieren in, of kronkelbeestjes, of hoe u het ook wilt noemen, van veertig, vijftig jaren geleden en nog steeds probeert men dat oude manna te eten dat reeds jaren geleden was gevallen. En voor de kinderen Israëls, op hun reis, viel iedere nacht vers manna. Ja, je kon het niet bewaren.

193 Wij leven niet in een of andere voorbijgegane eeuw. Wij eten nieuw manna, vers manna uit de hemel, op onze reis, als wij verder trekken.

     Laten we nu onze hoofden buigen.

194 Here God, U bent zo werkelijk, Uw tegenwoordigheid. Ik denk aan genade, Heer. We hebben U pas zoveel dingen zien doen. We hebben U in tongen horen spreken. U het zien vertolken door Uw volk. O God, om U de zieken te zien genezen, de ogen van de blinden te openen, de kreupelen te laten lopen, de doven te laten horen, de doofstommen te laten spreken, wat een grote en machtige God zijt Gij!

195 En dan te begrijpen dat U dit in de laatste dagen beloofd hebt. Hoewel wij vele vleselijke nabootsers hebben, toch verklaart het alleen maar dat er een werkelijke God ergens is, die echt waar is. En ik bid, hemelse Vader dat wij ons vanavond zo bewust van God zullen worden dat wij zien dat U hier bent.

196 En deze mensen in de rij, wanneer zij door deze rij gaan, Heer... want wij doen dit omdat wij hun een belofte deden. En U zei: "Deze tekenen zullen degenen die geloven volgen."

197 Hier staan prediker-broeders, mannen die U gekozen hebt voor de grondlegging der wereld om te zijn wat zij vanavond zijn. U wist, vóór er een wereld was, dat wij hier vanavond zouden staan, omdat U oneindig bent.

198 Zo bidden wij vanavond, hemelse Vader, wanneer deze zieke mensen, kreupel, blind, lam, door kanker gekweld, wat het ook mag zijn dat deze rij passeert, mogen zij beseffen dat diezelfde God Die het geheim van het hart kent hen wil genezen, indien zij het alleen maar willen aannemen, alleen maar zien en begrijpen.

199 De mens die naar de koperen slang keek alsof het een stuk koper van een priester was, zou nooit genezen worden, omdat hij geen begrip had van wat het was.

200 En vandaag hetzelfde, Here. Als zij naar een gave kijken, en denken dat dit hen zou kunnen helpen, hebben zij geen begrip. Het is alleen een bevestiging van de tegenwoordigheid van God die hier is om te genezen. Sta het toe. Moge het worden gedaan in Jezus' Naam. Amen.

201 Ik wil dat de kleine pianist, als ze wil, man of vrouw, wie het ook is, daarheen wil komen en dit lied spelen: "De grote Heelmeester is hier, de medegevoelende Jezus", waar de pianiste ook mag zijn, als ze wil. Nu, dat is...

202 Ik herinner mij een van mijn eerste genezingsdiensten, Fort Wayne, Indiana. Een Amish meisje zat daar en speelde op die piano: "De grote Heelmeester is nu nabij, de medegevoelende Jezus." Een kleine baby werd naar mij op het podium gebracht; het was kreupel. En terwijl ik voor die baby bad, sprong het uit mijn armen en rende dwars over het podium. De moeder viel flauw. De grootmoeder wierp haar zakdoek omhoog en begon te huilen.

203 En dit Amish meisje nu, die helemaal niets over iets van Pinksteren wist omdat zij tot de Amish-kerk behoorde; toch speelde zij. Haar lange haar hing naar beneden; zij stond op in de Geest en begon te zingen in onbekende talen en de... en in harmonie met dat lied. En het klavier van de piano bewoog op en neer en speelde: "De grote Heelmeester is nu nabij, de medegevoelende Jezus." Amen! Hij is Dezelfde gisteren, heden en voor immer.

204 Laten we nu bidden terwijl... Laat ieder daar nu gaan bidden. U mensen die door de rij komt, wanneer wij u de handen opleggen, bedenk dat Jezus zei: "Als u het zou willen geloven, zou u genezen worden." Gelooft u het?

     Laten we nu allemaal zingen.

De grote Heelmeester is nu nabij,
De medegevoelende Jezus,
Hij spreekt... (Laten we nu gewoon onze ogen sluiten terwijl we zingen) ... harten opvrolijken,
O, hoor de stem van Jezus.

Lieflijkst geluid in engelenlied,
Lieflijkste naam op een sterfelijke tong,
Lieflijkst... (Vader God, beweeg nu op de mensen) ... gezongen.
O Jezus, gezegende Jezus.

205 "De grote..." Nu, als u hier nu doorheen wandelt, is Hij hier. Neem mijn woord, of geloof het zelf, Hij is hier. Ieder daar nu in gebed voor de mensen.

206 [Broeder Branham en de predikers bidden voor de zieken terwijl broeder Borders de samenkomst leidt in het zingen. Leeg gedeelte op de band – Vert]

O Heer, ik geloof: O Heer, ik geloof;
Alle dingen zijn mogelijk, O Heer, ik geloof.

207 Allen die geloven, steek uw hand op deze manier op en zeg: "Ik geloof." [Samenkomst zegt: "Ik geloof." – Vert]

208 Hier is een man die daar zit. De reden waarom ik zo uitgebreid sprak was omdat hij stervende is aan kanker. Hij is op deze kruk. Er is voor de man geen mogelijkheid in de wereld om te leven buiten God. Hij heeft kanker door heel zijn darmgestel. En hij zal gaan sterven als Gods genade er niet is. En ik wenste dat ik gewoon zou kunnen [Leeg gedeelte op de band – Vert] ... woord van bemoediging tot deze man.

209 U weet dat de doktoren nu niets meer voor u kunnen doen. U bent daar al te ver voor, ziet u. En u bent... U hebt nog één kans en dat is in Christus, zie. En broeder, u... Op een dag sterf ik ook. U zult moeten gaan wanneer Jezus vertoeft. Ik zal u aan de andere zijde ontmoeten, daar bij het oordeel staan. En deze avond...

210 Weet u, zoals met televisie, televisie heeft dat opgenomen, telkens wanneer wij zelfs onze vinger bewegen, alles, wordt het geregistreerd. Elk woord dat wij zeggen wordt geregistreerd. Nu, ziet u, televisie heeft dat bewezen. Televisie fabriceert geen beeld. Het geleidt slechts die golven naar het televisiescherm. Ziet u, het vervaardigt het niet. Er was televisie toen Adam op aarde wandelde, er was televisie toen Mozes door de Rode zee trok, er was televisie toen Elia op de Karmel stond, zie, maar nu hebben ze het pas ontdekt. Ziet u? En nu overal waar ik...

211 Elke beweging die wij maken, en elk geluid wordt op een geluidsfilm gezet die ons in het oordeel zal ontmoeten. Elke beweging die we maken zal ons daar ontmoeten. En ik zal me moeten verantwoorden voor de woorden die ik als voorganger tot u spreek. Ik zal het moeten doen, omdat God mij er verantwoordelijk voor houdt.

212 Welnu, als ik kon zou ik u gezondmaken; daar u maar weinig tijd hebt, als God er niet zou zijn. Nu, naar beneden komen en voor u bidden is alles wat ik weet te doen. Broeder, alles in de wereld wat ik voor een mens zou kunnen doen die daar zit in die toestand, zou ik willen doen.

213 En laat mij u vragen, zie. U bent reeds genezen, omdat Jezus zei dat u het was. Ziet u, "Door Zijn striemen werden wij genezen." Als u, uit het diepste van uw hart dat zou kunnen accepteren, zult u nu niet sterven, maar u zult leven.

214 Nu kijk, we weten nu dat televisie door deze ruimte komt. Wij weten dat. We zien het niet. We kunnen het niet zien, onze ogen zijn er niet voor gemaakt, onze zintuigen kunnen het niet opnemen. Een gefabriceerde buis of wat het ook is, kristal, is nodig om dat op te nemen.

215 Zo is God aanwezig. We zien Hem niet, maar wij weten dat Hij hier is. Jezus Christus is Dezelfde. Kijk, Hij verklaarde Zich, hoe Hij Zichzelf maakte. Welnu, zover het genezing betreft, als Hij hier nu stond, zou Hij niets meer voor u kunnen doen, ziet u, niets anders. Als de Zoon van God hier stond, wat zo is, Hij is hier, maar Hij zou niets meer voor u kunnen doen, omdat Hij Zich hier reeds heeft geïdentificeerd. Ziet u? En Hij is hier nu, precies eender, om u te genezen en gezond te maken.

216 En die kleine dame daar, die daar zat in die rolstoel, vertelde me, en zei: "U vroeg de zegen en profeteerde of zoiets, over haar, dat zij een baby zou krijgen". En ze kreeg het, ze had haar baby.

217 En nu de kleine dame die hier zit. Nu heeft zij een kropgezwel operatie gehad en het verlamde haar. Wel, we zien zoveel van dergelijke dingen gebeuren. Nu, kleine zuster, ik weet dat u een echte Christin bent. Waarom God u daar heeft laten zitten, weet ik niet. Ik denk dat het misschien is omdat u... Geloof, u probeert om geloof te hebben, om daar uit te komen, zie; maar kijk, laten we niet proberen het te hebben, laten we het nu hebben, zie, en gewoon daar zijn. Dat is alles wat nodig is, het zal nu direct beginnen, en we zullen gezond worden. En u mensen daar in uw rolstoelen, waar of wat u ook bent. Bedenk slechts dat Christus tegenwoordig is.

218 Nu zegt u: "Is er iemand, ziet u mijn beeld doorkomen." O ja.

219 Zelfs de Woorden van Jezus Christus die Hij sprak toen Hij hier op aarde was, passeren rechtstreeks door deze ruimte. Het sterft nooit. Hoeveel weten dat dit wetenschappelijk de waarheid is? [De samenkomst zegt: "Amen." – Vert] Wel, wat betekent het? Dan pikt de Geest dit Woord dat geschreven is op en manifesteert het. O, glorie!

220 Hij is hier. Hij is hier rechtstreeks nu, de Here. Wij... We hebben al zoveel gezien, Hij heeft zoveel gedaan, tot we er eigenlijk, weet u, er bijna eigenlijk over struikelen. Indien wij zouden beseffen, niet een of ander verdichtsel, een theologische term; maar de getuigenis die Hij beloofde dat Hij Zich in deze dag zou laten zien, hier verklaart Hij het precies, hier voor ons nu. Wat een wonderbare zaak! Is het niet wonderbaar? [Samenkomst zegt: "Amen." – Vert]

221 Geloof nu. Wilt u het geloven? Geloof dat u niet zult sterven. U zult gaan leven en u zult God gaan eren. U gaat God eren. Bent u ooit gedoopt? Bent u een Christen, ja? En u bent een Christen. Wel, u wilt leven tot Gods eer. Ga dan leven, mijn broeder. In de Naam van Jezus Christus, leef!

222 En zuster, u wilt lopen voor de heerlijkheid van God en voor uw baby zorgen; loop dan, zuster, in de Naam van Jezus Christus!

223 U, elk van u, doe hetzelfde, in de Naam van Jezus Christus! Westward Ho Motel hier vanavond vergeet dit niet, de tegenwoordigheid van God is hier geïdentificeerd. Hij is geen aanziener des persoons. Hij wenst alleen dat u gelooft. Gelooft u Hem nú? [Samenkomst zegt: "Amen." – Vert] Amen. God zegene u.

224 Laat ons onze hoofden buigen. Ik weet niet wie men gekozen heeft om te sluiten. Broeder Mushegian hier, kom direct hier, broeder. Hij zal gaan sluiten met gebed. God zegene u.