Hoofdmenu  
Home English (United States)
Download  
audioE-BookPrint
AudioAudio
mp3 Download mp3mp3 is een populaire audioformaat dat op vrijwel alle mediaspelers te beluisteren is. meer info...
m4b Download m4bM4B is een Audiobook formaat voor Apple apparatuur (iPod, iPhone etc...) Uw plek wordt bewaard e.d. meer info...
E-BookE-Book
ePub Download ePubePub is de meest gangbare formaat voor E-Book readers. Het heeft geen absolute paginaindeling. meer info...
pdf Download PDFPDF is het meest ondersteunde formaat met absolute pagina indeling. meer info...
xps Download XPSXPS is een relatief nieuw formaat dat vanaf Windows 7 gelezen kan worden zonder extra software te installeren. meer info...
printPrint
book Download PDFPDF ingedeeld als printbaar boekje (dubbelzijdig printen en in het midden vouwen en nieten). meer info...
xpsbook Download XPSXPS document ingedeeld als printbaar boekje (dubbelzijdig printen en in het midden vouwen en nieten). meer info...

Gemanifesteerde zonen Gods, deel 4

Door William Marrion Branham

1a ...?... voor onze dierbare vrienden zijn we blij weer in de kerk te zijn. Het is wat warm, dus we zullen zo snel mogelijk voortmaken en meteen de boodschap ingaan.

     Eerst moeten we wat aankondigingen doen en een speciaal gebedsverzoek. Ik kreeg daar achterin uw brieven die me werden gegeven, en voor de zuster die voelt dat ze een hersentumor heeft en er was er een uit Louisville en een broer van een prediker zijn vader heeft een hartaanval. En er zijn vele, vele zieke mensen in de wereld vandaag. Velen bellen op en we bidden beslist voor hen met heel ons hart dat God ons zal helpen.

1b Gewoonlijk bestaat 95% van mijn bediening uit het bidden voor de zieken (Ziet u?), maar ik kreeg enigszins het idee dat... Ik bid nu nog steeds voor de zieken. Denk daar aan. Dat gaat er mee samen, maar oh, als we de gemeente maar daar konden krijgen waar haar positie is bepaald en haar in orde konden krijgen zodat we aan het werk konden gaan. Begrijpt u? Zodat we het georganiseerd krijgen en alles bij elkaar krijgen. (Ziet u?)

     Iets anders trof mijn hart daarstraks. Dat was toen een oude veteraan, met bijna een van z'n armen eraf geschoten, bijna een van zijn benen eraf geschoten... Hij zit nu niet hier naar me te luisteren, maar is een echte vorstelijke knaap met name Roy Roberson, een van de beheerders van de kerk hier en een fijne Christelijke heer... Hij stapte naar voren en zei: "Broeder Branham, vergeet de president niet." Hij zei: "Ik voelde zo'n spijt toen hij uitstapte..." Hij zag op de televisie dat hij uit het vliegtuig stapte, de tranen rolde over zijn wangen en hij trok met zijn mond opzij. Weet u, hij was ginds met Roy en de anderen in die strijd.

1c Ongeacht of u het met hem eens bent in de politiek, hij is toch onze president. Ja zeker. Wat mij betreft, ik ben Democraat noch Republikein; ik ben een Christen. Maar ik vertel u; ik had beslist grote bewondering voor president Dwight Eisenhower. Beslist. Naar mijn mening is hij zeker een groot man. Als hij weer had meegedaan en ik zou stemmen, had ik weer op hem gestemd. Zo is het. Het maakt mij niet uit, al was hij honderd jaar oud, ik zou toch op hem stemmen, omdat ik hem mag. En laten we hem in ons gebed gedenken vanavond.

     J.T., ik waardeerde zeker die fijne samenkomst die u allen had deze week, u en broeder Willard. Als ik van buiten binnen had komen lopen, had u allen gezegd: "Goed, broeder Branham, nu kent u Zo en zo." Maar het is beter buiten te staan en naar u te luisteren, Begrijp je? [Broeder Branham lacht – Vert] Goed. Erg fijn.

1d Ik kreeg wat aanbiedingen voor enige gemeenten indien u ze allen wilt. Als u bereid bent om nu herder te worden, als jullie je opleiding af hebt, wat ik geloof dat jullie hebben en helemaal gevestigd bent, ik heb er een in Oregon en een paar in Washington, Californië en Arizona, verschillende plaatsen. En als je ooit een kerk wilt nemen of zoiets, wel, hier is een goede plaats om te beginnen, hier meteen. En overal roepen zielen het uit, zelfs in de Indianenreservaten en waar je ook heen wilt. Laat het ons weten, want ik geloof dat jullie, knapen, nu verankerd bent. Zo is het. Ik zie ze dat graag doen.

     Daarginds aan de weg heb je broeder Ruddell. Over een paar dagen zal ik een samenkomst bij hem houden, zal ik een opwekking houden bij broeder Ruddell. Ik herinner me dat ik dat kereltje overal heen moest duwen om te proberen hem in het harnas te krijgen en te laten prediken. Hij was zo verlegen. Hij zei steeds: "Ik kan niet praten." Ha, je moest hem nu eens horen. Ziet u, zie? U weet niet wat u kunt totdat u de Heilige Geest houvast op u laat krijgen. Zo is het.

1e Broeder Graham Snelling in Utica en broeder Junior Jackson ginds, we beschouwen ze allemaal als kleine zustergemeenten van ons. We zijn allemaal tezamen. We verschillen niet over onze leer, onze hoop, ons doel, onze leer is één. We staan in alles samen. We zijn gewoon één gemeente en we willen ze graag overal verspreid hebben. We hebben er een paar in Afrika, een paar in India, en over het hele land. We... Daar willen we ze hebben om het nieuws te verspreiden.

     Ik zie zo die jonge knapen binnenkomen, zoals broeder J.T. Parnell hier en broeder Willard, en anderen die er aankomen, jonge knapen die, als ik ouder wordt... Als er een morgen is, zullen dat de mannen van morgen zijn. Ik wil dat deze boodschap nimmer zal sterven. Dat kan gewoon niet. Ze moet verder leven en ik geloof niet dat het al te veel langer zal duren om haar te brengen.

     De kleine baby waarvan men zei dat ze zou sterven, ik zie dat je het de hele dag in de samenkomst hebt gehad, zuster. Dat is erg fijn. We zijn de Here daar dankbaar voor, dat de Heer genadig is, vol mededogen. Blijf geloven wat u daar gezegd werd. Ziet u? Het zal in orde komen.

1f Nu, verheugt u zich in de onderwijzing? Houdt u van onderwijzing? Oh, ik geloof dat het ons werkelijk goed doet. Het geeft ons wat rust van het bidden voor de zieken en de visioenen en Goddelijke genezing. Natuurlijk zullen we vanavond na de dienst weer bidden voor de zieken. Dat willen we altijd doen. Ten allen tijde iemand dopen.

     Hoe velen weten nog dat ik langs de elektriciteitsdraden liep? Ik heb heel wat langs die draden gelopen. Ik moest dertig mijl per dag door de wildernis lopen. Ik moest honderd tachtig mijl aan lijnen aflopen. Ik zou me daar doorheen banen, shirt in mijn handen en bek af door die bossen en doornstruiken lopen.

     Dan ontmoette ik een oude boer, zat bij hem neer onder een boom en sprak met hem over de doop in de Naam van de Here Jezus. Hij zou zeggen: "Wel, ik heb me altijd al willen laten dopen."

     Ik zei: "Het is niet ver naar de beek."

2 Ik nam menigeen meteen mee naar het water en doopte hen in de Naam van Jezus. Dan liep ik weer zo snel mogelijk langs mijn lijn. Zo is het. Menigmaal nog in mijn oude werkkleren. Dan doopte ik iemand, meteen als ik uit een telefoonpaal kwam. Ik zat daar bovenin in zo'n paal te werken; ik was namelijk tevens lijnwerker. Als we dan elk aan een kant van de paal werkten, dan sprak ik met die ander over de Here. Als hij dan zei: "Wel, Billy, één dezer dagen zal ik met je mee komen naar de gemeente om me te laten dopen."

     Dan zei ik: "Waarom wil je wachten tot dan? We zijn hier vlakbij de rivier; er is daar veel water." Dan neem ik ze op hetzelfde moment mee. Dat is waar. Dàt is de tijd.

3 De kamerling zei tegen Filippus: "Zie daar is water, wat belet ons?" Zo is het. Niets; als u gereed bent, is dàt de tijd. Laat de duivel geen kans krijgen om er iets tussen te laten komen. Stel niet uit tot morgen wat u vandaag kunt doen. Misschien komt er helemaal geen morgen voor u.

     Ik herinner me dat ik eens iets uitstelde, maar daar leerde ik wel een les uit. Ik stelde iets uit wat ik die dag behoorde te doen en de volgende dag was het te laat!

4 Nu, ik wil u echt niet heel de tijd vasthouden, maar ik word gewoon zo opgewonden, ik weet het niet. Ik voel me zo goed dat ik gewoon bijna buiten mezelf raak. Zo goed voel ik me!

5 Nu laten we onze hoofden even een moment buigen voor we tot het Woord naderen.

6 Onze hemelse Vader, Gij zijt de levende God die immer leeft. De zon die zojuist onderging is dezelfde zon waar Daniël naar keek toen ze onderging, waar Jeremia naar keek; Adam zag haar ondergaan, Jezus keek er naar toen ze onderging. Dit is dezelfde wereld als waarin zij leefden en wandelden en ook U bent nog steeds dezelfde God gebleven.

7 Vanavond zijn er veel vragen om gebed. Er is een man met een tumor in de hersenen. Een zuster vreest hetzelfde. U bent de enige hoop, Here, die daarvoor bestaat. Die tumor is kwaadaardig geworden; niets kan het meer stoppen. Het is ver buiten het bereik van de handen van de dokter gekomen. Maar vanavond gaan we met onze kleine slinger achter dat lam aan, om het terug te brengen in de kudde van de Vader. In de Naam van de Here Jezus zenden wij ons gebed op om die leeuw te slaan, die tumor, die kwaadaardige aandoening, om hen weer veilig terug te brengen in de kudde.

8 En, God, wij gedenken vanavond onze geliefde president en broeder, Dwight Eisenhower. Hij heeft het land geleid, Here; hij heeft geprobeerd om ons buiten de oorlog te houden. Hij beloofde dat de Koreaanse oorlog zou eindigen als hij er maar enige mogelijkheid toe zag. Hij beloofde de moeders dat hij hun zonen terug zou brengen. "Maar", zei hij, "voor mijzelf is het onmogelijk, ik kan het niet. Ik kan mijn pogingen doen, maar God alleen zal het moeten doen." Maar U bent met hem geweest, Here, en nu is het allemaal voor elkaar. Waarom hebben zij dat niet meteen kunnen zien? God, ik bid dat U hem zult helpen. Zegen die dappere ziel, Here. Wij bidden dat U voor ons de leider zult kiezen die hem zal opvolgen. Uw voorbestemde wil geschiede, Here.

9 Maar Degene in Wie wij zo geïnteresseerd zijn vanavond, afgezien van onze nationale aangelegenheden, is die grote en heerlijke Koning, die zal komen om een koninkrijk te stichten dat geen einde zal hebben: de Here Jezus, Uw Zoon. Dan zullen ze de wapenen op een hoop gooien. Het signaal zal worden geblazen dat de strijd voorbij is, en er zal geen oorlog meer zijn. Ze zullen wijngaarden planten en de vrucht ervan eten. Ze zullen huizen bouwen en die bewonen. En ze zullen daarna nooit meer in moeilijkheden zijn...

10 Zegen ons nu, Here, als wij tot Uw Woord naderen. En Vader, Gij weet de reden waarom wij het Woord benaderen vanuit dit bepaalde Schriftgedeelte. Het is omdat ik voel dat U het mij op deze wijze wilt laten doen; dat het Uw Goddelijke wil is. Het past in Uw orde, het is in de orde van deze dag, om de mensen hun plaats te laten vinden en gereed te laten zijn voor het uur van de strijd. Zoals onze broeder niet lang geleden in zijn gebed tot U zei: "O, U hebt ons zolang getraind, Here." Daarom Vader, geef dan nu aan in welke gelederen we horen. Zet ons op de plaats waar wij verondersteld worden te zijn, zodat wij kunnen zijn in de dingen des Vaders. Wij vragen het U in de Naam van Jezus, Uw Zoon. Amen.

11 Ik had nogal een wonderbare middag; ik had een gesprek met een beroemde dokter in Louisville, of met zijn verpleegster. Zij hadden over de heerlijke daden des Heren gehoord. Haar vader was zelf een dokter. Ze kwam en heeft zowat de hele middag in mijn kamer gezeten. Ze kwam gewoon binnenvallen, een wonderbaar iemand. Nogal een beetje hard, weet u, een beetje onbuigzaam – van huis uit een echte Presbyteriaanse – maar toen ze wegging liepen de tranen haar over de wangen. O, God heeft ze gewoon overal, ze zitten in dokterskantoren, onder de verpleegsters, overal. Ik geloof niet dat er één verpleegster is daar in het Nortons Infirmary ziekenhuis, tegen wie ik niet heb getuigd over het hebben van de Heilige Geest, en die ik niet gevraagd heb of zij gedoopt waren in de Naam van Jezus. Ook elke dokter met wie ik in contact kwam, overal. Ziet u?

12 Vertel hen erover. U heeft niet veel tijd, broeder. Ongeacht hoe moeilijk het hier schijnt te zijn, wacht maar eens tot u die laatste ademtocht zult hebben uitgeblazen: dan zou u gewenst hebben dat u het had gedaan. Jazeker, wacht niet tot dat moment, laten wij het nu meteen doen. Dit is het uur. O, zij mogen het misschien niet met u eens zijn en erover opstuiven en er een klein beetje over redetwisten, maar ze menen het niet. Zij menen dat niet echt. Het is niet slecht met hen wanneer zij beginnen te redetwisten met u. Houd in gedachten dat zij dat in wezen niet bedoelen. Werkelijk, zij bedoelen dat niet zo. Er is hen misschien maar iets geleerd en daar houden ze zich gewoon aan vast, zodat u kunt zien hoe zíj erover denken. Redetwist niet met hen, redetwist met niemand; trek ze gewoon met liefde ernaar toe en bid dan voor ze...

13 Nu, ik dacht dat wij gekomen waren tot het negende vers. Ik ben er niet zeker van. Dat is nog een heel eind van het derde hoofdstuk af, is het niet? O, voor mij is het 'honing in de rots'.

     Wij hebben nu even gesproken opdat we weer een kleine achtergrond zouden krijgen. En nu, broeder Neville, trekt u mij even aan mijn jasje, als ik niet in de gaten heb dat de tijd verstrijkt, zodat ik nog voor de zieken kan bidden. We willen alles nemen wat wij maar kunnen vanavond. Ik wil een uitnodiging doen en ook dit onderwerp afmaken; dan kan ik misschien de rest ervan gewoon voorlezen.

14 Het doel van dit alles is echter dat u uw positie in Christus ziet. Dat u ziet dat het niet iets is waar u gewoon maar bij geval in terecht bent gekomen. Dat het niet iets is wat u zou hebben verdiend op de een of andere manier, maar het is wat God Zelf voor u deed. Niet dat u zo goed was, dat u op een avond naar de gemeente ging, en dat een arme broeder u naar het altaar leidde; dat was het niet. Het was God, die u van voor de grondlegging van de wereld voorbestemde tot eeuwig leven. Als u die dag daarginds komt, geen wonder dat de vierentwintig oudsten hun kronen voor de troon wierpen. Ieder legde zijn kroon neer, ieder viel op zijn aangezicht. Zij konden niets zeggen, geen prediker, geen oudste, nee niemand. Alle lof zij het Lam! God zal in Hem alle dingen bijeen brengen op die dag. O, als wij toch eens zouden weten en herkennen wie dat was die zij kruisigden...

15 Nu, laten we beginnen bij het achtste vers, om een kleine achtergrond te vormen.

     ... de rijkdom Zijner genade, welke Hij ons overvloedig heeft bewezen, in alle wijsheid en verstand, door ons het geheimenis van Zijn wil te doen kennen.

16 Het geheimenis van Zijn wil. Herinnert u zich hoe wij daarbij hebben stilgestaan? Hoevelen waren er hier deze morgen? Laten we eens kijken. Wel, hier waren we bij blijven steken, bij "het geheimenis van Zijn wil." Nu, het is niet zomaar iets, als het een geheimenis is. Gods wil is een geheimenis. En ieder mens moet de wil van God zoeken voor hem of haar: Gods geheimenis.

17 Maar hoe vinden wij dat? Aan Paulus was het bekend. Hij zei dat hij bij niemand te rade was gegaan; niet bij vlees en bloed. Hij ging niet naar een school of seminarie. Daar had hij niets mee te maken. Maar het werd hem geopenbaard door Jezus Christus, die hem ontmoette op de weg naar Damascus in een Licht, zoals een Vuurkolom; daar riep Hij hem. Daarna ging hij naar Arabië en woonde daar drie jaar. O, kunt u zich niet voorstellen, dat het nogal een tijd geweest moet zijn, broeder Egan? Drie jaar was Paulus daar in Arabië. Hij huurde ergens een kleine woning, waar hij door de kamer heen en weer zal hebben gelopen... met al die oude boekrollen. Zij hadden de nieuwe nog niet. Paulus schreef ze zelf voor het grootste deel. Precies in deze oude boekrollen las hij, hoe God ons in den beginne had voorbestemd tot eeuwig leven. Hij las hoe Hij Jezus zou zenden, opdat door Zijn offer, wij allen recht zouden hebben op de Boom des levens. "Degenen die Hij tevoren had bestemd, dezen heeft Hij ook geroepen. En degenen die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook reeds verheerlijkt."

     God heeft ons sinds het begin van de wereld voorbestemd om te worden aangenomen tot zonen. En nu zucht de hele schepping, wachtend op het openbaar worden van de zonen van God. O, ik stel mij voor, dat Paulus een wonderbare tijd had. Ik zou graag daar bij hem zijn geweest. U niet?

18 Wel, hij zei: "Hij heeft ons het geheimenis doen kennen." Krijg maar eens de Heilige Geest op u en begin dat dan door te nemen. En let dan maar eens op waar het heenleidt. Deze middag had ik zo'n dertig minuten om te studeren, misschien nog niet eens, alleen om de onderwijzing door te nemen, misschien nog niet eens. Ik zou zeggen de helft ervan, vijftien minuten, even tussendoor. Toen ik het begon door te nemen, dacht ik: "Het geheimenis! Hoe geheimenisvol!" De Schrift nam mij mee, regelrecht terug het Oude Testament in, en dan weer naar het Nieuwe Testament, paste iets bij elkaar, u ziet het geheimenis van Zijn komst, het geheimenis van Zijn wil en het geheimenis van ons, die samen gezeten zijn.

     Herinner u, het kan niet worden geleerd op een of ander seminarie. Het is een geheimenis. U kunt het niet te weten komen door een opleiding te volgen, door theologie. Het is een geheimenis, dat verborgen is geweest sinds de grondlegging van de wereld, wachtend op de manifestatie van de zonen Gods.

19 Vertel mij mijn broeder, vertel mij mijn zuster, wanneer was er eerder een tijd dat de zonen van God ooit zouden worden gemanifesteerd buiten deze tijd? Wanneer was er ooit een tijd in de geschiedenis dat dezen werden gemanifesteerd om heel de natuur te bevrijden? De natuur zelf zucht, wachtend op de tijd van die manifestatie. Vóór de verzoening plaats vond, vóórdat de Heilige Geest werd uitgegoten, vóórdat alles daar in het Oude Testament vroeger had plaats gevonden, kon er nooit zo'n manifestatie zijn. Het moest wachten tot deze tijd. En nu zijn alle dingen zover gevorderd, zover gekomen, in de vorm steeds dichter tot de hoeksteen komend, totdat er een manifestatie kan plaats vinden van de zonen Gods die terugkomen. En de Geest van God komt zo volmaakt in deze mensen, tot hun bediening zo dicht naast die van Christus zal staan dat het Hem en Zijn gemeente zal verenigen.

20 Hoevelen hebben ooit de geschiedenis van de piramide bestudeerd? Ik vermoed alleen deze dame hier die haar hand opstak; goed.

21 God schreef drie Bijbels. De eerste Bijbel was de dierenriem aan de hemel. De mensen moesten omhoog zien om te beseffen dat God van boven is. Volg die dierenriem eens. Heeft u hem ooit bestudeerd? Hij duidt elk tijdperk aan, zelfs het kankertijdperk, de kreeft. Hij geeft het begin aan: de geboorte van Christus, want wat is het eerste teken in de dierenriem? De maagd. En wat is het laatste symbool? Het is de leeuw. Dat zijn het eerste en het tweede komen van Christus. Dat staat er allemaal in geschreven.

22 De volgende Bijbel die werd geschreven was in steen en werd 'piramide' genoemd. God schreef in de piramides. Als u het bestudeert en let op die oude geschiedenissen en de oorlogen, dan ziet u dat ze werden gebouwd vóór de vernietiging door de zondvloed.

23 De derde Bijbel werd op papier geschreven voor die grote, knappe, intellectuele wereld die zou komen. Nu, daar God de tijdperken heeft doen komen en gaan zijn wij nu in dat van Leo de leeuw gekomen. Wij zijn gekomen tot de hoeksteen van de piramide. We zijn in het boek van de Openbaring, het laatste hoofdstuk. De wetenschap zegt dat wij, als het ware, leven om drie minuten voor middernacht. O, denk u eens in waar we aan toe zijn!

24 Let u eens op de vorm van de piramide. Het is gemakkelijk. Ze loopt op een punt uit, net als een driehoek.

25 Voor de mensen die hier vroeger leefden in het begin van het tijdperk van de gemeente, na de reformatie, in de tijd van Luther, betekende het al leven of dood als iemand zei dat hij een Christen was. Ze doodden hem zelfs al als hij zei dat hij een Christen was. Zij moesten vervolging doormaken. Trouwens, in elk tijdperk, in elke tijd is er vervolging geweest. "Allen die in Christus Jezus godsvruchtig willen leven zullen vervolgd worden." In het tijdperk van Luther was het verschrikkelijk om uit te spreken dat je Lutheraan was. Je werd als een fanatiekeling beschouwd, en je kon ter dood worden gebracht. Vele keren doodden ze hen dan ook op de brandstapel; verbrandden ze hen en allerlei andere dingen, omdat ze Lutheraan waren.

26 Toen werd de gemeente – net als de piramide – steeds smaller. Het kwam in een ander stadium van genade, dat van heiliging. Het was Wesley's tijd, toen hij protesteerde tegen de Anglicaanse kerk en heiliging ging onderwijzen. Maar weer was het een minderheid en ook zij werden een stel fanatiekelingen genoemd.

27 Hoevelen van die hier vanavond zijn waren vroeger Methodist, of verbonden met de Methodistenkerk? Ongeveer de helft van u. Wist u dat de Methodistenkerk eens bijna de doop met de Heilige Geest had? Ik ben in Methodistenkerken geweest en zag ze op de grond vallen, zodat zij hen water in het gezicht gooiden en koelte toewaaiden met een waaier om te voorkomen dat de Heilige Geest op hen kwam. Dat is waar. Het is de waarheid; het was daar in de heuvels van Kentucky, waar die Methodisten woonden. U mensen hier bent 'kerktoetreders', maar daar waren Methodisten en Baptisten, met wie we neerknielden bij het altaar en we bemoedigden elkaar tot wij iets kregen! We kwamen erdoor, en leefden daarna een beetje anders...

28 Maar u komt gewoon binnen, zet uw naam in het boek en zegt: "Ik ben nu Methodist." Dan nemen ze een klein zoutvaatje en sprenkelen een beetje water op u; dat is alles. U gaat weer naar buiten en draagt nog steeds korte broeken, gebruikt make-up, gaat naar de paardenrennen, wedt, dobbelt en speelt aan gokautomaten en al dat andere, en zijn nog steeds goede Methodisten, ziet u. Dat zijn geen Methodisten, dat zijn gewoon 'kerktoetreders'. Dat is waar. Met de Baptisten en de Presbyterianen is het precies zo; ze gaan dezelfde kant op.

29 Zoals David Du Plessis zei: "God heeft helemaal geen kleinkinderen." God heeft nooit een kleinkind gehad. Hij heeft zonen, maar geen kleinzonen. Dat is waar. Maar als u naar de Methodistenkerk gaat, of naar de Pinkstergemeente, of de Baptistenkerk, omdat uw vader of moeder van Pinksteren was, of Baptist was, dan bent u een kleinzoon. Zij waren zonen en u bent er dan een kleinzoon van. God heeft nooit zoiets gehad. De kerk heeft daar wel een heleboel van, maar God niet...

30 Nu, let er op dat naarmate het einde dichterbij komt, deze 'zonen' steeds meer een minderheid in de gemeente gaan vormen. Het Pinkstertijdperk brak aan; dat sneed beslist een heleboel 'bulten' eraf. Wat was het gevolg? Het liet de Methodisten en de Lutheranen gewoon helemaal achter zich.

31 En nu is de Heilige Geest opnieuw regelrecht verder gegaan, uit het Pinkstertijdperk weg! Wat hebben ze dan gedaan? Zij organiseerden zich, gaven zichzelf namen. "Wij zijn de 'Assemblies of God'. Wij zijn de 'Eenheidskerk'. Wij zijn de 'Tweeheidskerk'. Wij zijn 'De Gemeente Gods'. Wij zijn de dit of dat. Als u er niet bij hoort... U kunt niet in de hemel komen tenzij uw naam in ons boek is geschreven..." O, wat een onzin! Het kan mij niet schelen of u Baptist bent, Methodist of Presbyteriaan, u krijgt uw naam in het Boek des levens, als God hem daarin zet. Als u voorbestemd bent tot eeuwig leven, dan zal God u, hoe dan ook, op de een of andere wijze gaan roepen. Hij zal het zeker doen. "Al wat de Vader Mij heeft gegeven, zal tot Mij komen." Om te weten tot welke kerk u behoort, dat heeft er niets mee te maken. Die denominatie zal echter nooit één ding voor u doen behalve dan u misschien een heleboel hinderen om met God verder te gaan; maar iets anders zal het nooit kunnen doen. Zij voegen u samen met een groep gelovigen en ongelovigen. Natuurlijk komt u dat in wezen overal tegen, waar u ook heengaat. Ze hadden dat zelfs in de hemel. Dat blijft een feit, maar u ziet op uw denominatie. Zie liever op Jezus. Hij is Degene naar Wie u moet kijken.

32 Nu, als we verder komen tot... Ze hadden... Hoe velen... Ik geloof dat deze mevrouw hier haar hand opstak dat zij de piramide had bestudeerd. Weet u dat die piramide nooit werd afgedekt? Is dat niet zo? Er heeft nooit een hoeksteen op gezeten. Ze hebben hem zelfs nooit kunnen vinden. Ze weten niet wat ermee gebeurd is. En waarom? Waarom werd de hoeksteen er niet op geplaatst, deze afdeksteen, de top ervan? Omdat Hij verworpen werd, toen Hij kwam. Hij was die verworpen Steen. Zo is het. Maar toch zal ze worden afgedekt, dat is waar. En dan zullen de stenen die aansluiten bij die Hoeksteen, stenen moeten zijn die zo volledig passen bij die Steen, dat het overal passend aaneen gesloten kan worden. De piramide is zo volmaakt dat u zelfs geen scheermesje tussen de stenen kunt schuiven, in die voegen, waar die stenen op elkaar liggen. Zo'n prachtig metselwerk is het. Sommige van die stenen daarboven wegen honderden tonnen en toch zijn ze zo perfect samengevoegd.

33 Dat is nu ook de manier waarop God Zijn gemeente bouwt. Wij zijn nauw aaneen gesloten, samengevoegd, één van hart en één van zin. "Nu", zou iemand mogen zeggen, "die Lutheranen daar vroeger, die stelden ook niet veel voor." Denk dat niet. Die Lutheranen zullen er evengoed zijn in de opstanding als de anderen. Baptisten, Presbyterianen, ja, al Gods kinderen zullen in die opstanding komen. Tegenwoordig hoor je de mensen echter zeggen: "O, er zal een opwekkingsgolf komen, die hier uitgestort zal worden en die een honderd miljoen Pinkstermensen zal gaan redden. Zij zullen allen gered worden en dan zal de opname er zijn." U hebt het mis. Die opname zal zeker uit honderdduizenden bestaan, dat is waar, maar zij zullen dan ook worden genomen uit zesduizend jaar van redding, vanaf zesduizend jaar geleden. De mens wandelt in het licht, naarmate het licht tot hem komt. Hij steekt pas bruggen over als hij bij die brug komt. Nu, als hij weigert over te steken, dan wordt hij in duisternis achtergelaten. Het is, als hij slechts dóór blijft gaan!

34 Nu, denk eraan, dat de komst van de Here Jezus zeer dicht nabij is. De Heilige Geest heeft al gewerkt vanaf hier: 'rechtvaardiging', en ging daarna via 'heiliging' en 'de doop van de Heilige Geest', en nu regelrecht in de tijd van het komen van de Hoofdsteen... De gemeente zal zo volmaakt gelijk Christus moeten zijn, dat Christus en Zijn gemeente zich kunnen verenigen; dezelfde Geest. En als de Geest van Christus in u is, dan maakt het dat u het leven van Christus leeft, het leven van Christus uitbeeldt, en de werken van Christus doet. "Hij die in Mij gelooft, de werken die Ik doe, zal hij ook doen." Jezus zei dat. Zie? Nu, wij zullen zien dat er een bediening zal komen, die precies als het leven van Christus zal zijn. Wat betuigt die bediening? Het komen van de Here.

35 Kijk naar wat er in de wereld vandaag gebeurt. Let erop wat Chroestsjov zei, en al deze andere grote dingen die gebeuren. Deze wereldwijde geschillen die op het punt staan om elk moment los te barsten. Elk ogenblik kan de zaak ontploffen. Dat is waar. En wij weten dat het nabij is. Elk zinnig persoon die de krant kan lezen of luisteren naar de radio, weet dat het zo nabij is. Maar bedenk dan dat Christus voor Zijn gemeente komt, voordat dit gebeurt. Hoe dichtbij is dan het komen van de Here Jezus? Misschien wel voor deze samenkomst eindigt vanavond. Wij zijn in de eindtijd. Dat is beslist waar.

36 Let eens op de gemeente hoe zij opkwam. Overleg het eens bij uzelf, u als historicus, die de geschiedenis bestudeert. Kijk naar de Lutherse kerk, hoe zij door de prediking van rechtvaardiging door het geloof, nog maar nauwelijks uit het Katholicisme komend, gewoon doorgaat... Kijk eens naar Wesley, die het weer wat dichter benadert, in heiliging; hoe hij dieper de Schrift ingaat. U ziet hoe Wesley er met zijn tijdperk precies tussenin staat. Dan komt het volgende; het Pinkstertijdperk. Dat Pinkstertijdperk was het herstel van de gaven, de geestelijke gaven. En kijk dan tenslotte naar het tijdperk dat nu tot de Hoofdsteen komt. Ziet u wat ik bedoel? Het komen van de Here, het bekend maken. God, de hele schepping, wacht gewoon tot de gemeente positioneel haar plaats vindt.

37 Men heeft er moeite mee; praktisch iedereen die ik ontmoet. Ik zou uitgaan, we namen... Ik moet een medisch onderzoek ondergaan, weet u, als ik overzee ga. U zendelingen en zo voorts weet dat. Toen ik dat onderzoek onderging, brachten zij mij daar het vertrek weer uit. Ik had van dat spul gedronken, dat er uitzag als beslag, of zoiets. Ik had dat gedronken en kwam naar buiten. Ik ging zitten, want ik moest een half uur wachten, omdat ze moesten zien of het uit mijn maag ging of niet. Ik keek naar de overkant, waar de een of andere kleine vrouw zat. Het leek of ze op het punt stond te sterven. Ze had hele dunne benen en dunne armpjes. Ik begon tussen de mensen door te lopen, van de een naar de ander, steeds dichter bij haar komend, totdat ik kwam waar ze zat. Het leek werkelijk of die arme, kleine vrouw elk moment kon sterven. Ik kwam vlakbij haar en zei: "Neemt u mij niet kwalijk, mevrouw." Ze zei: "Hoe maakt u het?" O, wat was ze ziek! En ik zei: "Wat is er met u aan de hand?"

38 "Ik ging naar Tucson", zei ze, "om mijn dochter te bezoeken en ik werd ziek en ze kunnen niet vinden wat er aan de hand is."

39 Ik zei: "Ik wil u iets vragen. Ik ben een prediker van het Evangelie... Bent u een Christen? Bent u gereed om heen te gaan als dat uur zou komen?"

     "O, ik hoor bij die en die kerk", antwoordde ze.

40 "Dat was de vraag niet die ik u stelde", zei ik. "Bent u een Christin, vervuld met de Geest van God, en gereed om te gaan wanneer Hij u roept?" En de vrouw wist zelfs niet waar ik over sprak. O, wat is de wereld in een erbarmelijke toestand!

41 Nu, "om bekend te maken wat het geheimenis van Zijn wil is", wat aan het opkomen is. Laat ik u eens iets voorlezen, ik was aan het lezen, laten we opslaan over "het geheimenis van Zijn wil". Laten wij Hebreeën even een ogenblik opslaan; het zevende hoofdstuk van Hebreeën, geloof ik dat het is. Dan wil ik u graag wat voorlezen, waardoor u zich gewoon erg goed zult voelen als we daaraan denken om samen gezeten te zijn in hemelse gewesten. Hebreeën, het zevende hoofdstuk.

     Want deze Melchizédek,... (nu, let op) koning van Salem, priester van de allerhoogste God,...

42 Wat is hier nu het geheimenis? Hier is het geheimenis, let op! Wie is deze man, die het geheimenis van Zijn wil kent, deze Melchizédek? – Ik zal even wachten tot iedereen het heeft opgezocht in zijn Bijbel; Hebreeën 7. Hier spreekt Paulus, dezelfde die ook de brief aan de Galaten schreef:

     Want deze Melchizédek, koning van Salem, priester van de allerhoogste God, die Abraham bij zijn terugkeer na het verslaan van de koningen tegemoet kwam en hem zegende,

     aan wie Abraham ook een tiende van alles gegeven heeft, is vooreerst, volgens de uitlegging van Zijn Naam: Koning der Gerechtigheid, vervolgens ook: Koning van Salem, (Wie is deze Man?) dat is: Koning des Vredes;

     zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsregister, zonder begin van dagen of einde des levens,...

43 Wie was deze Man? Wie was Hij? Hij heeft nooit een vader gehad, had zelfs nooit een moeder. Er was nooit een moment geweest dat Hij ontstond; er komt zelfs nooit een tijd dat Hij ooit zal sterven. Hij ontmoette Abraham toen deze de koning had verslagen. Wat had Abraham gedaan? Hij was uitgetrokken om Lot, zijn verloren broeder, terug te halen. En hij versloeg de koningen, terwijl deze koningen, geloof ik, zojuist een tien of vijftien andere koningen en hun koninkrijken hadden verslagen. Maar Abraham was zijn dienstknechten gaan bewapenen en ging hem achterna. 's Nachts verdeelden ze zich in troepen. Ziet u wanneer hij kwam? In de nacht! O broeder, ook wij zullen nu in de duisternis moeten werken. Het enige licht dat wij hebben is het Evangelielicht. Maar hij ging heen, scheidde zich af, kreeg hem te pakken en bracht hem terug. En op de terugweg, nadat de strijd voorbij was...!

44 Laten we een ogenblik Genesis 14 opslaan om de geschiedenis duidelijk te maken. Laten we gaan naar Genesis, ik geloof het veertiende hoofdstuk. Genesis 14. Ja, laten we Genesis 14 nemen, te beginnen bij vers 18. Laten we iets daarvoor beginnen. Laten we beginnen, ja bij vers 18: "En Melchizédek..." Nu, dat is waar Abraham terugkeert van de slag tegen de koningen. Hij is op de terugreis, Lot terugbrengend, plus al de anderen die waren weggehaald. Allemaal!

45 Net als David. Wat deed David? Hij nam de kleine slinger, ging op zoek en rukte dat kleine lammetje uit de muil van de leeuw. Denk het u eens in, met een slinger achter die leeuw aan, om dat lam te redden! Wie ter wereld zou dat doen? Zeg mij maar wie van u dat ook zou doen. Steek dan even uw hand op, dan zal ik u direct vertellen dat u het fout hebt. U hebt mij de mijne ook niet zien opsteken. Nee, ik zou hem nog nauwelijks achterna gaan met een dertig-punt-zes geweer. Maar hij ging hem achterna met een slinger, met zo'n klein stukje leer met twee touwtjes eraan om rond te draaien. Eens daagde Goliath Israël uit. En toen opnieuw het moment kwam dat Goliath zijn grootspraak liet horen, ging David op hem af en zei: "De God des hemels heeft mij een lam laten bevrijden uit de muil van een leeuw en uit de muil van een beer." Hij wist wel dat het niet de slinger was, het was de kracht Gods die met hem was. Híj was Degene die dat lammetje terugbracht.

46 Zo kunnen we het ook vandaag nog zeggen. God heeft hier en daar 'Davids', jazeker, die de schapen van de Vader voeden. En zo nu en dan grijpt een tumor toe, of een kanker of zoiets grijpt een schaap en springt ermee weg, buiten het bereik van de doktoren. Dat zal die David niet stoppen! Hij zal er regelrecht achteraan gaan met zijn kleine slinger: "Al wat gij bidt in Mijn Naam, het zal u gegeven worden." Het kan mij niet schelen hoe de doktoren er om lachen. Alle anderen kunnen hem misschien ook bespotten, maar hij zal hoe dan ook achter hem aan gaan en dat schaap terugbrengen naar de kudde. Jazeker. "Dat is Gods kind! Blijf met uw handen van hem af!" David sloeg die leeuw neer en toen hij weer opstond greep hij hem bij de baard en doodde hem. Zo'n kleine rossige jongen, die waarschijnlijk maar een tachtig of negentig pond woog...

47 Nu kijk, Melchizédek was de Koning van Salem; dat betekent: 'Koning des Vredes'. Salem ligt in werkelijkheid over de heuvel. Dat was Hij dus: de Koning van Jeruzalem, want Jeruzalem werd eerst Salem genoemd, wat 'vrede' betekent. Hij was de Koning van Jeruzalem. Hij was de Koning der gerechtigheid. Hij was de Koning van Salem, de Vredevorst. Hij had geen vader, Hij had geen moeder, Hij had geen begin van dagen, Hij had geen einde des levens en zelfs geen geslachtsregister. O, o, o, wie is dat? Let op wat Hij zei, nadat de strijd voorbij was, nadat de overwinning was bevochten; Genesis 14, vers 18–24:

     En Melchizédek, de Koning van Salem, bracht brood en wijn; Hij nu was een priester van God, de Allerhoogste.

     En Hij zegende hem en zeide: Gezegend zij Abram door God, de Allerhoogste, de Schepper van hemel en aarde,

     en geprezen zij God, de Allerhoogste, die uw vijanden in uw macht heeft overgeleverd. En hij gaf Hem van alles de tienden.

48 Laten we nog wat verder lezen:

     De Koning van Sodom nu zeide tot Abram: Geef mij de mensen, en behoud de have voor u.

     Doch Abram zeide tot de Koning van Sodom: Ik zweer bij de HERE, bij God, de Allerhoogste, de Schepper van hemel en aarde:

     (Luister hoe hij dat afwees, hoe hij het aan hem gaf!)

     Zelfs geen draad of schoenriem, ja niets van het uwe zal ik nemen, opdat gij niet kunt zeggen: Ik heb Abram rijk gemaakt!

     Geenszins, alleen wat de knechten hebben verteerd en het aandeel der mannen, die met mij gegaan zijn,... laten die hun aandeel ontvangen.

49 Let op deze Melchizédek op het moment dat Hij Abraham ontmoette, toen deze terugkeerde van het verslaan van de koningen. Het geheimenis van God wordt nu bekend gemaakt! Want wie was Hij? Niemand... Ze kunnen in de geschiedenis niets over Hem vinden, omdat Hij helemaal geen vader had en evenmin een moeder. Hij heeft nooit een moment gekend dat Hij begon. En er is nooit een tijd dat hij ooit zal sterven, dus wie Hij ook was, Hij leeft nog! Hij heeft nooit enig begin gehad. Dus kon Hij niemand anders zijn dan El-Elah-Elohim, de in Zichzelf bestaande, de Almachtige God!

50 Jezus had een vader, Jezus had een moeder, Jezus had een begin van dagen. Jezus had een einde in Zijn aardse leven. Maar deze Man had noch vader, noch moeder. Amen! Geen vader en geen moeder. Jezus had zowel Vader als moeder, maar deze Man had noch vader noch moeder. Amen. Zag u wat Hij deed nadat de strijd voorbij was, nadat Abraham zijn positie had ingenomen?

51 En nadat de gemeente haar positie heeft ingenomen, worden wij geroepen om te worden aangenomen tot zonen door de Heilige Geest. Dan neemt ieder de plaats in waartoe God hem heeft geroepen, om stand te houden tot aan het einde van de weg, op zoek naar de verlorenen.

52 Eerst neemt Paulus alle vrees weg, zeggend: "Nu, als u geroepen bent – niet als u maar gewoon iets opgewerkt hebt in uw gedachten door een of andere soort theologie – maar als u werkelijk geboren bent uit de Geest, dan heeft God u voorbestemd van vóór de grondlegging van de wereld, uw naam in het Boek des levens van het Lam gezet en nu komen we bijeen om in hemelse gewesten vergaderd te zijn in Christus Jezus. Een heilig volk, een heilige natie, een bijzonder volk, een koninklijk priesterschap, dat God geestelijke offergaven brengt. Dat is de vrucht van onze lippen die Hem prijzen."

53 Er komen bezoekers binnen die zeggen: "Die mensen zijn gewoon krankzinnig." Dat zijn ze zeker, want de wijsheid van God is dwaasheid voor de mensen en de wijsheid van de mensen is dwaasheid voor God. Zij zijn tegengesteld aan elkaar.

54 Maar een werkelijk Geestvervulde gemeente, vol van de kracht van God, die bijeen gezeten is in hemelse gewesten, brengt Gode geestelijke lofoffers, Hem prijzend. De Heilige Geest is vaardig over hen, onderscheidt de zonde en spreekt de dingen uit die verkeerd onder hen zijn. Hij zet ze recht en brengt het weer in evenwicht. Waarom? Omdat daar in de tegenwoordigheid van God altijd dat bloedige Offer is.

55 Nu bedenk, wij namen het deze morgen door, dat u niet werd gered door het Bloed. Wel zorgde het Bloed dat u in uw geredde toestand bleef. Maar uw redding kwam door genade, door geloof, door Hem te geloven. God klopte aan uw hart omdat Hij u voorbestemd had. U keek omhoog en geloofde het; u accepteerde het. En nu vormt het Bloed een verzoening voor uw zonden. Herinner u wat ik al eerder zei: God veroordeelt een zondaar niet omdat hij zondigt, hij is een zondaar vanaf het eerste begin. Hij veroordeelt een Christen als hij zondigt. Maar omdat Hij hem veroordeelde, nam Christus onze veroordeling op Zich. "Zo is er dan geen veroordeling voor hen die in Christus Jezus zijn,... die niet naar het vlees wandelen, doch naar de Geest." En als u iets verkeerd doet, is het niet met opzet. U zondigt niet met opzet. De mens die met opzet zondigt, die weggaat en willens en wetens zondigt, is nog nooit in dat lichaam gekomen. Maar een mens die eenmaal daar binnen is gegaan, is dood en zijn leven is verborgen in God, door Christus, en verzegeld door de Heilige Geest; de duivel kan hem zelfs niet meer vinden, zover bevindt hij zich daarin. Hij zal daar eerst uit moeten komen, voordat de duivel er ooit binnen zou kunnen komen, want u bent gestorven...

56 Vertel een dode maar eens dat hij een huichelaar is, en kijk dan wat er gebeurt. Trap hem maar eens in zijn zij en zeg: "Hé, ouwe huichelaar!" Hij zal geen woord zeggen. Dat is waar, hij zal daar gewoon blijven liggen.

57 En de mens die dood is in Christus, die kunt u 'huichelaar' noemen, u kunt hem noemen wat u maar wilt, maar hij zal er nooit over opstuiven. Als hij al iets doet, dan zal hij zich misschien even ergens terugtrekken om voor u te bidden, zo is het... Maar o, sommigen zijn nog behoorlijk levendig! Nu ik dat zeg moet ik eraan denken dat wij worden verondersteld om dode mensen te begraven. Degenen die dood zijn in Christus, die begraven we in water. Soms begraven wij echter nog teveel mensen die nog leven... Er is nog te veel wrok en onenigheid in de gemeente. Wij kunnen daarin de scheidslijnen niet trekken, maar God wel. Hij kent Zijn volk. Hij kent Zijn schapen. Hij kent ieders stem. Hij kent Zijn kinderen en Hij weet wie Hij eruit roept: Hij weet wie Hij heeft voorbestemd. Hij weet aan wie Hij deze dingen heeft gegeven waardoor Hij Zichzelf bekend maakt. God kan vertrouwen stellen in Zijn kinderen; Hij kan ze zeggen wat te doen en weet dat zij dat precies zo zullen doen.

58 Gelooft u dat God dat doet? Wel, Satan sprak eens op een dag tot God over Zijn dienstknecht Job: "Ja, U hebt me een dienstknecht!"

59 God zei: "Niemand op de aarde is zoals hij, hij is een volmaakt man." God had vertrouwen in hem.

60 "O ja", zei Satan, "maar alles gaat hem ook voor de wind. Laat ik mij maar eens een poosje met hem gaan bezighouden, dan zal ik maken dat hij U in Uw gezicht vervloekt."

61 God zei: "Hij zij in uw macht; alleen spaar zijn leven." En hij deed alles met hem, behalve zijn leven nemen.

62 Maar o, wat deed Job? Vervloekte hij God toen God hem al zijn kinderen afnam, toen Hij al deze vreselijke dingen deed, hem dat alles liet overkomen? Job stelde geen vragen. Hij viel op zijn aangezicht en aanbad. (Halleluja!) Hij zei: "De Here heeft gegeven en de Here heeft genomen, geprezen zij de Naam des Heren." Daar hebt u het!

63 God wist dat Hij vertrouwen in Job kon stellen. God weet ook hoezeer Hij u kan vertrouwen, of hoezeer Hij mij kan vertrouwen. Maar laten wij nu verder spreken over het plaatsen van dit kind.

64 Nu, wat gebeurde er in de Bijbel toen de strijd helemaal voorbij was, toen alles voleindigd was? Wat was dan het volgende? Wat doen wíj wanneer de strijd voorbij is? Wist u wat wij dan doen? Dan ontmoeten wij Melchizédek. Laten wij even Mattheüs 16, vers 16 opslaan en eens kijken of dat waar is of niet. Mattheüs 16 vers 16. Ik ben er vrij zeker van dat dit goed is, Mattheüs 16:16... Mattheüs 16... Neen, dat is fout, het kan niet zo dichtbij zijn... 26:26. Hij spreekt er tegen Simon Petrus. Vergeef me, dat had ik niet moeten zeggen. 26:26, want ik bedoel het gedeelte over het laatste Avondmaal. Mattheüs het zesentwintigste hoofdstuk, vers 26. Nu, hier heb ik het: het laatste Avondmaal:

     En terwijl zij aten, nam Jezus een brood, sprak de zegen uit, brak het en gaf het aan Zijn discipelen en zeide: Neemt, eet, dit is Mijn lichaam.

     En Hij nam een beker, sprak de dankzegging uit en gaf hun die en zeide: Drinkt allen daaruit.

     Want dit is het bloed van Mijn verbond, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden.

     (Ziet u? Z-o-n-d-e-n: dingen die Christenen verkeerd doen.)

65 Goed, luister nu naar het negenentwintigste vers:

     Doch Ik zeg u, Ik zal van nu aan voorzeker niet meer van deze vrucht van de wijnstok drinken, tot op die dag, dat Ik haar met u nieuw zal drinken in het Koninkrijk Mijns Vaders.

66 Wat is dat? Hetzelfde als wat Melchizédek deed, nadat Abraham zijn positie had ingenomen. Hij bracht zijn mannen in orde en won de strijd. En toen hij terugkwam van de strijd, kwam Melchizédek met brood en wijn. Zo zullen wij, als de strijd voorbij is, het bruiloftsmaal eten met de Here Jezus in de nieuwe wereld. O, geprezen zij de Naam van de Here.

67 Goed. We gaan weer terug naar de Efezebrief, naar het negende vers van het eerste hoofdstuk:

     ... de verborgenheid van Zijn wil, naar Zijn welbehagen, hetwelk Hij voorgenomen had in Zichzelf.

     Om in de bedeling van de volheid der tijden,...

68 Denkt u eraan. We namen het zojuist door in Efeze, het eerste hoofdstuk vers 10.

     Om in de bedeling van de volheid der tijden,...

69 Nu, we leerden dat de volheid der tijden waarop wacht? De volheid van alle tijden wacht op de tijd dat de zonde zal ophouden, dat de dood er niet meer zal zijn, op de tijd dat de ziekte zal verdwijnen, de tijd dat de zonde zal ophouden; wanneer alle verdraaiing zal eindigen (alle dingen die de duivel heeft misvormd). En wanneer ook de tijd zelf zal eindigen. Kijk.

     Om in de bedeling van de volheid der tijden, wederom alles tot één te vergaderen in Christus, beide wat in de hemel is, en wat op de aarde is.

70 "Om alles onder Christus samen te vatten." Zoals ik deze morgen zei: al die kleine goudklompjes die we vinden, deze juweeltjes, kunt u oppoetsen in Genesis, u kunt ze oppoetsen in Exodus, u kunt ze oppoetsen in Leviticus en zo door de hele Schrift heen, tot ze tenslotte in Openbaring zullen blijken uiteindelijk 'Jezus' te zijn. Of u nu Jozef neemt of Abraham, of u nu Izaäk, Jakob of David neemt, kijk of u in elk van deze goudklompjes - in elk van deze mannen Gods – niet Jezus Christus getoond ziet. Om wederom alles tot één te vergaderen in Christus Jezus.

71 Nu wat verder, nu dat elfde vers:

     ... in wie wij ook het erfdeel ontvangen hebben,...

72 O, een erfdeel! Iemand heeft u iets na te laten om te erven. Is dat waar? Een erfenis. Welk erfdeel hebben we dan? Welk erfdeel had ik? Ik had helemaal geen erfdeel, maar God liet mij wel een erfdeel na: toen Hij mijn naam zette in het Boek des Levens van het Lam vóór de grondlegging van de wereld.

73 "O," zegt u, "wacht een ogenblik broeder, Jezus deed dat toen Hij voor u stierf." Nee, dat deed Hij nooit: Jezus kwam om dat erfdeel voor mij te kopen. Leest u de volgende regel maar:

     ... in wie wij ook het erfdeel ontvangen hebben, waartoe wij tevoren bestemd waren, krachtens het voornemen van Hem die in alles werkt naar de raad van Zijn wil.

74 God deed het, vóór de grondlegging van de wereld. Zoals wij het in de onderwijzing al met u doornamen: hoe wij zagen dat God in Zichzelf bestaand was. Hoe dat er in hem liefde was; dat het in Hem was om God te zijn. Maar er was niets om Hem te aanbidden. Dat het in Hem was om Vader te zijn, maar Hij was helemaal alleen. Dat het in Hem was om Redder te zijn en er was niets verloren. Het was ook in Hem om Geneesheer te zijn. Dat waren Zijn eigenschappen. Verder was er niets. Dus was Hij het Zelf die naar de goede raad van Zijn wil deze dingen voortbracht, opdat Hij door deze ene Mens, Christus Jezus, alles weer samen zou mogen brengen. O, als ik dit hier zie, is het geen wonder dat het een geheimzinnig iets is.

75 Kijk, Hij heeft ons voorbestemd tot dit erfdeel. Als ik een echte erfgenaam van iets ben, dan kan God aan mijn hart kloppen en zeggen: "William Branham, Ik heb je een lange tijd geleden geroepen, vóór de grondlegging van de wereld, om het Evangelie te prediken..." Ik heb een erfdeel – een erfdeel van eeuwig leven. Nu, God zond Jezus om dat erfdeel werkelijk voor mij te maken, omdat er niets was wat ìk kon doen om het te beërven. Het was volkomen gereed, het was geldig; er was niets wat ik kon doen. Maar in de volheid der tijd zond God – op Zijn eigen welbehaaglijke tijd – Jezus, het Lam, geslacht voor de grondlegging van de wereld. En Zijn Bloed werd gestort opdat ik tot mijn erfdeel mocht komen. Tot welk erfdeel? Om wat te zijn? Tot het zoonschap, om een zoon van God te zijn.

76 Nu, dit mag u misschien gewoon de adem benemen, maar wist u dat mensen, die zonen van God zijn, kleine goden zijn? Hoevelen hebben dat ooit geweten? Hoevelen weten dat Jezus dat zei? Jezus zei in de Bijbel: "Is er niet geschreven in uw wet: Ik heb gezegd: 'Gij zijt goden'? En als Hij hèn goden genoemd heeft..." Want God zei in Genesis 2 dat zij goden waren, in die zin, dat zij de volledige heerschappij hadden over de aarde. Hij gaf hem de heerschappij over alle dingen. En toen verloor hij zijn god-zijn, zijn zoonschap, en zijn gebied; Satan nam het over... Maar o glorie, wij wachten op het openbaar worden van de zonen van God die terug zullen komen en het weer zullen overnemen. Wij wachten op de volheid der tijd, wanneer de piramide haar top bereikt en de volgroeide zonen Gods zullen worden gemanifesteerd, wanneer de kracht Gods naar voren zal treden, (halleluja!), om Satan elke macht die hij heeft, af te nemen. Jazeker, het hoort Hem toe.

77 Hij is de Logos die van God uitging, dat is waar, dat was de Zoon van God. Toen maakte Hij de mens tot een kleine god. Zei Hij niet: "Als Hij hen goden genoemd heeft tot wie het Woord Gods gekomen is..." [Johannes 10:35 – Vert] Zij noemden de profeten 'goden', God zei Zelf dat zij goden waren. Hij zei tegen Mozes: "Zie, Ik stel u als god, en uw broeder Aäron zal uw profeet zijn... " [Exodus 7:1 en 4:16 – Vert] Amen! O...! Ik weet dat ik mij een beetje gedraag als een religieuze dwaas; ik ben het niet, maar o, als onze ogen open kunnen gaan en we deze dingen kunnen zien! Goed. Hij maakte de mens tot een god, een god in zijn gebied. En uw gebied strekt zich uit van zee tot zee en van kust tot kust; deze mens heeft de macht daarover.

78 En toen Jezus kwam, welke die ene God was – zonder zonde – bewees Hij dit. Toen de winden opstaken zei Hij: "Zwijg, wees stil!" Amen. En tot de boom sprak Hij: "Nooit ete meer iemand vrucht van u in eeuwigheid."

79 "Voorwaar, Ik zeg u – gij die kleine goden zijt – indien gij tot deze berg zou zeggen: 'hef u op', en in uw hart niet zou twijfelen, maar zou geloven dat hetgeen u zegt geschiedt, dan zal het geschieden, u kunt hebben wat u hebt gezegd."

80 Ga terug naar Genesis, naar het oorspronkelijke. Wat is het dan? De hele wereld zucht op dit moment, heel de natuur, zij schreeuwt; alles is in beroering. Waarom? Om het openbaar worden van de zonen Gods; en als ware, geboren en vervulde zonen Gods spreken, dan wordt hun woord bevestigd. Ik geloof dat wij op dit moment op de grens ervan staan. Jazeker: spreek tot deze berg, laat het zus en zo zijn.

81 "Broeder, ik verlang er zo naar, dat dit en dat zal gebeuren; ik ben een gelovige in Jezus Christus."

82 "Ik geef het u in de Naam van Jezus Christus." Amen, daar ziet u de manifestatie.

83 "O broeder, mijn oogst staat te verbranden op het veld ginds; ik heb helemaal geen regen gehad."

84 "Ik zal u regen zenden in de Naam des Heren: Hij zegene uw oogst." O, er is een wachten, een zuchten, de hele natuur ziet uit naar het openbaar worden van de zonen Gods. God bestemde het zo voor in den beginne! Hij gaf de mens de heerschappij.

85 God gaf het Jezus Christus en Jezus gaf het ons in Zijn Naam, met deze verzekering: "Indien gij de Vader iets vraagt in Mijn Naam, Ik zal het doen." [Johannes 14:14.] O, broeder Palmer! We wachten op de manifestatie van de zonen Gods, de positie, de gemeente!

86 Zoals ik al zei loopt de Efezebrief parallel aan het Boek Jozua. Jozua bracht het volk op de plek waar het hoorde. Nu, als zij niet tot rust wilden komen, als Efraïm die hij hier had geplaatst, tòch naar het land van Manasse liep en dat één ruzie makend en mopperend weg zou lopen van zijn plaats, hoe zouden zij dan ooit iets bereiken? Als er één zou zeggen: "Ik ben Baptist, ik ben Methodist, ik van Pinksteren, ik ben Eenheids, ik ben Tweeheids, ik ben van de Zus en Zo-kerk..."?

87 Hoe zult u zo ooit iets gaan bereiken? Sta stil! God is Degene die Zijn gemeente haar plaats gaf, Zijn zonen en dochters. God, laat mij zo lang leven dat ik het zal zien, is mijn gebed. Het is zo nabij dat ik het gewoon bijna met mijn handen kan voelen, broeder; het is er. Dat is waar ik naar heb verlangd, om dat te zien. Ik heb gewacht op de tijd dat we – als we door een straat lopen en daar iemand zien liggen die van de schoot van zijn moeder af aan kreupel was – kunnen zeggen: "Zilver en goud bezit ik niet..." [Handelingen 3:6.] O, we zijn wachtend op de manifestatie van de zonen Gods, halleluja! wanneer God Zich bekend zal maken; wanneer ziekte zal stoppen, kanker zal stoppen en ziekten zullen ophouden.

88 Denkt u dat kanker iets voorstelt? De Bijbel zei dat er een tijd zal komen dat de mensen zullen wegrotten in hun eigen vlees, dat de buizerds hun lichamen zullen eten, nog voordat ze sterven. Kanker is nog maar kiespijn vergeleken bij wat nog komt. Maar herinner u, dat die afschuwelijke zaak niet werd toegestaan, om diegenen aan te raken in die dagen die het Zegel van God hadden. Dat is waar wij nu naar streven: om binnen te komen, om op onze plaats te worden gezet in het Koninkrijk van God, vóórdat deze verschrikkelijke plagen toeslaan. O, hoe goed! De bedeling der tijd, de volheid der tijd; het erfdeel.

     in Hem, in wie wij ook het erfdeel ontvangen hebben, waartoe wij tevoren bestemd waren...

89 Hoe werd ons erfdeel ons gegeven, waardoor? Door voorbestemming. Voorbestemming is voorkennis. Hoe wist God dat Hij u kon vertrouwen om een prediker te zijn? Door Zijn voorkennis. Het hangt er niet vanaf of iemand wil of dat iemand loopt, maar van God die Zich ontfermt. [Romeinen 9:16.] Dat is waar, het is voorbestemming. Hij wist wat er in u zat. Hij wist wat er in u was, zelfs voordat u op de aarde kwam. Hij wist wat er in u was, zelfs voordat er ooit een aarde was waarop u zou komen. Dat is Hij, zo is de oneindige God, de Oneindige. Wij zijn eindig, wij kunnen alleen maar over tijdelijke dingen denken.

90 Het betekent zoveel voor mij, sinds dat met mij gebeurde. Ik weet het niet, maar als ik eraan terugdenk, dat ik daar stond, voor die paar vreugdevolle ogenblikken, toen ik dacht: "Er is hier geen morgen, er is hier geen gisteren, geen ziekte en geen verdriet. Er bestaat daar helemaal niet zoiets als: 'Een beetje geluk', maar alleen maar 'heel veel geluk'. Het is één en al geluk." O, toen ik daar stond vroeg ik: "Wat is dit?"

91 Toen sprak die stem: "Dit is volmaakte liefde, en alles wat u ooit hebt liefgehad en alles wat u ooit heeft liefgehad, is hier nu bij u."

92 "En u zult ons aan de Here Jezus voorstellen wanneer Hij komt, als de zegetekenen van uw bediening." Ik zag die wonderschone vrouwen daar staan, die me allemaal vastpakten en riepen: "Mijn dierbare, geliefde broeder!" En ik zag die mannen met dat borstelige haar zo in hun nek, die kwamen aanlopen en mij beetpakten en zeiden: "Onze geliefde broeder!"

     En ik dacht: "Wat betekent dit?"

     Hij zei: "Dat is uw familie."

93 Ik zei: "Mijn familie? Zoveel Branhams konden er nooit zijn, het zijn er miljoenen."

94 Hij zei: "Het zijn uw bekeerlingen!" Halleluja. "Dit zijn uw bekeerlingen. Zij zijn degenen die zaten... Ziet u die vrouw die daar staat?" (De knapste vrouw die ik ooit heb gezien.) Hij zei: "Zij was over de negentig toen u haar tot Christus leidde. Geen wonder dat zij het uitriep: 'Mijn geliefde broeder.' Zij zal nooit meer oud worden", zei Hij. "Ze heeft het achter zich gelaten; zij is in de bloei van haar jeugd. Daar staat ze, zij kan geen koele dronk water drinken, ze heeft het niet nodig. Zij kan niet gaan liggen om wat te slapen, omdat zij niet vermoeid wordt. Hier is geen morgen, geen gisteren, helemaal niets daarvan. We zijn nu in de eeuwigheid. Maar op een heerlijke dag zal de Zoon van God komen en u zult worden geoordeeld overeenkomstig het Woord dat u hen hebt gepredikt." O broeder!

     Ik zei: "Zal Paulus ook zijn groep moeten brengen?"

     "Jazeker."

95 Ik zei: "Ik predikte precies zoals Paulus het verkondigde. Ik ben er nooit van afgeweken, ik heb er nooit welke kerkgeloofsbelijdenis of wat anders ook, bij gehaald. Ik bleef precies bij hetzelfde."

96 Toen riepen ze allen als in koor: "Dat weten wij! Daar zijn wij meer dan zeker van. U zult ons aan Hem voorstellen", zeiden ze, "en dan gaan we allen weer terug naar de aarde om voor immer te leven." O!

97 En precies op dat moment begon ik weer tot mijzelf te komen. Ik keek. Daar op het bed zag ik mijn oude lichaam, dat aan het oud worden was, geplaagd met ziekte, en aangevochten. Ik zag dat ik half opgericht lag, met mijn handen achter mijn hoofd en ik dacht: "O, zal ik daar weer in terug moeten gaan?"

98 Maar ik hoorde nog steeds die stem zeggen: "Blijf doorgaan! Blijf doorzetten!"

99 Ik zei: "Here, ik heb altijd geloofd in Goddelijke genezing, ik zal het blijven geloven, ik zal doorzetten voor die zielen, helpt U mij dan. Laat mij lang mogen leven zodat ik nog een miljoen de hemel kan binnenleiden; laat mij blijven tot ik het weet."

100 Het kan mij niet schelen welke kleur, van welke geloofsbelijdenis, welke nationaliteit, of wat ze ook zijn, zij zullen allen één zijn, wanneer ze daar komen. De oude grenzen hebben dan afgedaan. O, ik kan die vrouwen zien, zo knap waren ze; elk litteken was verdwenen. Ze hadden lang haar, naar beneden op hun rug hangend, droegen lange jurken, heel lang. Ze liepen op blote voeten. Ik zag die mannen met ruig haar in hun nek, met rood haar, zwart haar, en allerlei andere kleuren. Ze sloegen hun armen om mij heen; ik kon ze voelen. Ik kon hun handen voelen. God is mijn Rechter, met dit heilig Boek open voor mij. Ik kon ze net zo voelen als ik nu mijn handen op mijn gezicht voel. Ze sloegen wel hun armen om mij heen, maar dat wekte geen gevoelens op, zoals een vrouw dat nu zou doen. Het maakt niet uit hoe heilig u bent, wie u bent, wat voor prediker u ook bent, of u een priester bent, of wat u ook zou mogen zijn. Er is geen man die een vrouw haar armen om hem heen kan laten slaan zonder menselijke gevoelens te ervaren. Dat is precies waar. Maar broeder, wanneer u overgegaan bent van hier naar ginds, dan is het niet meer op die manier. O nee, het is daar onmogelijk! Het is één en al liefde. Alles is daar waarachtig 'broeder' zijn en echt 'zuster' zijn. Er is geen dood, geen verdriet, geen jaloezie, helemaal niets, niets daarvan kan daar binnengaan. Het is gewoon volmaaktheid. Dat is waarvoor ik strijd. Daarvoor zet ik dingen op hun plaats.

101 Ik zei: "O Here, dat is waarvoor ik hier in de gemeente ben, om te proberen de gemeente op orde te brengen." Ik vertel u, broeder en zuster, dat er maar één ding is wat ooit die plaats kan binnengaan; dat is volmaakte liefde. Het is niet omdat u trouw bent aan de Branham Tabernakel, of aan de Methodistenkerk of de Baptistenkerk. Die dingen zijn in orde, dat behoort u te zijn. Maar, o vriend, het is niet omdat u in tongen sprak of dat u danste in de Geest, niet omdat u duivelen hebt uitgeworpen of door geloof bergen hebt verzet – dat is allemaal in orde, dat is goed – maar toch, tenzij die werkelijke volmaakte liefde daar binnen is. Daar was volmaakte liefde... [Leeg gedeelte op de band - Uitg.]

     in Hem, in wie wij ook het erfdeel ontvangen hebben,... (Wat was ons erfdeel? Eeuwig leven!) waartoe wij tevoren bestemd waren...

102 Hoe? Begrijpt iedereen dat? Hebt u om God geroepen? Nee, God riep u. Geen mens heeft ooit God gezocht. Het is God die de mens zoekt. Jezus zei: "Niemand kan tot Mij komen tenzij de Vader hem eerst trekt." Het is de natuur van de mens om van God weg te lopen. En u zegt dat...

103 Dat is wat mij zorgen baart, ziet u. Als ik tot mensen predik, blijf dan niet toch gewoon in dezelfde toestand verder gaan. Verander nu! Hoor mij als ik het u zeg, 'Zo spreekt de Here'. Ik heb mijzelf dit nooit genoemd, dat ben ik niet. Maar u noemt mij uw profeet of een profeet... De hele wereld gelooft het, over de hele wereld, miljoenen en nog eens miljoenen mensen. Ik heb direct en indirect gesproken tot tien- of twaalf miljoen mensen of nog meer, direct gesproken. Ik heb tienduizenden visioenen, tekenen en wonderen gezien en niet één ervan heeft gefaald! Dat is de waarheid. Hij heeft mij de dingen voorzegd. Nooit hebben ze gefaald. Steeds gebeurden ze precies zo. Ik daag iedereen uit om dat te weerleggen, zeker. Ik beweer niet dat ik een profeet ben, maar luister naar mij.

104 ZO SPREEKT DE HERE: Er zal volmaakte liefde voor nodig zijn om u naar die plaats te brengen, want dat was alles wat daar was. Het maakt helemaal niet uit hoeveel religieuze handelingen u hebt tentoon gespreid, hoeveel goede daden of wat u ook maar hebt gedaan. Dat zal op die dag helemaal niet meetellen; er zal volmaakte liefde voor nodig zijn. Dus wat u ook doet, leg al het andere opzij totdat u gewoon zó vervuld bent met de liefde van God, dat u hen kunt liefhebben die u haten.

105 Zoals ik vanmorgen al zei: wat ik ben, mijn hele opmaak is 'genade'. Een heleboel mensen zeggen: "Wel, als u mijn rug krabt, dan krab ik de uwe. Doet u iets voor mij dan doe ik iets voor u." Dat is geen genade. Genade is, dat als uw rug jeukt ik hem hoe dan ook zou krabben of u de mijne nu krabt of niet. Als u mij in het gezicht zou slaan en zou zeggen: "Mijn rug jeukt, hij moet gekrabt worden!" Dan zal ik hem krabben, ziet u, dat is het, doe iets. Ik geloof niet in werken op zich. Ik geloof dat 'werken' in wezen 'liefde' is. De werken zijn er de betuiging van dat genade heeft plaats gevonden. Ik ben mijn vrouw niet trouw omdat ik bang ben dat zij anders echtscheiding zou aanvragen. Ik ben haar trouw omdat ik haar liefheb.

106 Ik predik het Evangelie niet omdat ik denk dat ik naar de hel zou gaan als ik het niet zou doen; ik predik het Evangelie omdat ik Hem liefheb. Zeker. Denkt u dat ik voor mijn plezier die woelige zeeën zou oversteken, om in die vliegtuigen heen en weer te worden geschud terwijl de weerlicht om je heen flitst, iedereen zit te schreeuwen en de 'Ave Maria's' en alles door het vliegtuig klinken? Die mensen worden heen en weer geslingerd in hun veiligheidsgordels, terwijl de piloot meedeelt: "Er is nog benzine om vijftien minuten in de lucht te blijven; we weten niet waar we ons op dit moment bevinden." Denkt u dat ik dat gewoon voor mijn plezier zou doen? Denkt u dat ik zomaar daar de oerwouden in zou gaan, waar Duitse soldaten elke avond zo hun armen om mij heen moesten slaan om mij veilig in en uit de samenkomst te laten gaan? Maar de Heilige Geest begon wonderen te doen. Er zaten daar communisten met nachtkijkers om mij vanaf anderhalve kilometer afstand neer te schieten. Denkt u dat ik dat gewoon voor de aardigheid doe? Maar er is iets in mij: 'liefde'. Daar zijn menselijke wezens voor wie Christus stierf. Paulus zei: "Ik voor mij ben bereid niet alleen naar Jeruzalem te gaan, maar er ook gekruisigd te worden. Ik ga er heen om te sterven. Ik ga er heen om te sterven terwille van de Here." Er is iets, het is de liefde die u dringt, wat het u laat doen. Dat is precies waar.

107 Als ik het Evangelie om geld zou prediken, dan was het niet gebeurd dat ik vanavond twintigduizend dollar schuld heb; dan zou ik die schuld niet hebben. O nee, dan zou ik wel wat hebben gehouden van de miljoenen die mij werden gegeven. Eens zond iemand een F.B.I-agent naar mij toe met een cheque van anderhalf miljoen dollar en ik zei: "Neem hem mee terug." Niet voor geld! Het gaat niet om geld. Ik predik het Evangelie niet om geld, niet dáárvoor.

108 Liefde is de drijfveer. Wat ik wil is, dat als ik straks de laatste adem heb uitgeblazen, en dat kan over vijf minuten zijn, het kan over een uur of twee gebeurd zijn, of misschien na jaren, misschien wel over vijftig jaar, ik weet niet wanneer het zal zijn, maar wanneer het plaats vindt en ik daar aankom, dan wil ik hen daar zien in de bloei van hun jeugd, roepend: "Mijn geliefde broeder, ik heb het gehaald!" Dat leeft er in mijn hart. Dat is de reden. Ik probeer niet om het oneens met u te zijn, ik doe het niet om anders te zijn, maar ik probeer u de weg te wijzen die juist is en recht. Zo is Híj ook. Het is niet uw kerk, niet uw denominatie, maar uw geboorte in Christus... Oh! Tjonge!

     in Hem, in wie wij ook het erfdeel ontvangen hebben, waartoe wij tevoren bestemd waren krachtens het voornemen van Hem, die alles werkt naar de raad van Zijn wil,

109 Luister. We gaan over enkele momenten sluiten. Luister goed nu voor we sluiten.

     opdat wij zouden zijn tot lof Zijner heerlijkheid, wij, die reeds tevoren onze hoop op Christus hadden gebouwd.

110 Let hier nu goed op. Trek uw jas maar aan, uw Evangeliejas, houd uw oren open en luister aandachtig naar het dertiende vers:

     In Hem zijt ook gij, nadat gij het Woord... (Geloof komt door het horen van het Woord van... [De samenkomst zegt: "God."]) der Waarheid,... hebt gehoord...

111 Wat is de waarheid? Het Woord van God. Is dat zo? In Johannes 17:17 (voor degenen die de Schriftgedeelten opschrijven) zei Jezus: "Heilig hen Vader, door de Waarheid; Uw woord is de Waarheid."

     ... nadat gij het Woord der Waarheid, het Evangelie uwer behoudenis, hebt gehoord;...

112 Wat was die behoudenis waarover hij hen hier probeert te vertellen? Voorbestemd sinds de grondlegging der wereld (is dat juist?), tot de aanneming als zonen, voorbestemd tot eeuwig leven. Nu, u bent een zoon als u het eeuwig leven binnenkomt, nadat u bent gered, geheiligd en vervuld met de Heilige Geest. Nu wil God u echter op uw plaats brengen, opdat u kunt werken voor Zijn Koninkrijk en Zijn eer.

113 Dat is het Evangelie. Dat houdt in: eerst luisteren naar het Woord: "Bekeert u en een ieder van u late zich dopen in de Naam van Jezus Christus tot vergeving van uw zonden." Dat wil zeggen dat al uw zonden worden weggenomen, terwijl u de Naam van de Here Jezus Christus aanroept om het beloofde land binnen te gaan. De belofte ervoor is voor elke bijwoner die op weg is. Als u vanmorgen van huis ging als een zondaar met de gedachte: "Laat ik eens naar de 'Branham Tabernakel' gaan", dan biedt God u vanavond een gelegenheid. Er is één ding wat tussen u en dit beloofde land ligt. Wat is dit beloofde land? Het is de Heilige Geest. Wat lag er tussen Jozua en het beloofde land? De Jordaan! Precies.

114 Mozes, die een type van Christus was, had de kinderen tot aan het beloofde land geleid. Maar hij nam ze niet mee naar binnen. Het was Jozua die het volk naar binnen bracht en het land verdeelde. Jezus betaalde de prijs; leidde hen tot aan de Heilige Geest. Toen zond God de Heilige Geest neer en bracht zo de gemeente op haar plaats, ieder vervullend met de tegenwoordigheid van Zijn Wezen. Ziet u wat ik bedoel? Alles in Christus Jezus, hoe God dit voorbestemde tot de roeping van dit Evangelie!

115 Paulus zei in Galaten 1:8: "Maar ook al zou een engel u iets anders komen verkondigen, die zij vervloekt!" De Waarheid, het Evangelie. Nu luister aandachtig als we verder lezen en het vers afmaken:

     ... nadat gij... (Luister goed.) het Woord der Waarheid, het Evangelie uwer behoudenis, hebt gehoord; in Hem zijt gij, nadat gij gelovig werdt, ook verzegeld met de Heilige Geest der belofte,

116 De Bijbel zegt ons (en let nu goed op), dat er in de laatste dagen twee klassen mensen zullen zijn. De ene zal het Zegel van God gaan hebben en de andere het merkteken van het beest. Is dat juist? Hoevelen weten dat? Welnu, als het Zegel van God het Zegel is, als het Zegel van God de Heilige Geest is, dan is het niet hebben van de Heilige Geest het merkteken van het beest. Voorts zegt de Bijbel ons dat die twee geesten zozeer op elkaar zouden lijken, dat het – ware het mogelijk – ook de uitverkorenen zelf zouden verleiden. Dat zal echter nooit gebeuren, want zij werden uitverkoren tot eeuwig leven. Ziet u? De gemeente gaat gewoon...

117 Wij weten dat er tien maagden uitgingen om de Here te ontmoeten. Allen geheiligd, allen heilig, elk van hen was geheiligd. Vijf van hen talmden echter en lieten hun lampen uitgaan. Vijf hadden wel olie in hun lampen. "Ziet, de Bruidegom komt." Toen gingen de vijf die olie in hun lampen hadden naar binnen, naar het bruiloftsmaal en werden de anderen buiten gelaten, waar geween is en tandengeknars. Wees gereed, want u weet niet het moment dat de Here komt. Wat stelt olie in de Bijbel voor? De Heilige Geest.

118 Nu, u Zevendedags adventisten-broeders zegt dat de zevende dag het Zegel Gods is. Kunt u mij één Schriftgedeelte aanwijzen om dat te bewijzen? De Bijbel zegt dat het Zegel van God de Heilige Geest is. Let hierop. Let nu op in het dertiende vers:

     in Hem zijt gij, nadat gij gelovig werdt, ook verzegeld met de Heilige Geest der belofte,

119 Sla nu even op, Efeze 4:30, geloof ik. Zie of we het niet krijgen in 4:30, zie of het niet hetzelfde is. Efeze het vierde hoofdstuk, vers 30. Ja, hier is het:

     En bedroeft de Heilige Geest Gods niet, door Wie Gij verzegeld zijt tot de dag der verlossing.

120 Tot hoelang? Wanneer u echt, werkelijk de Heilige Geest ontvangt, hoelang zal het dan voor u duren? Tot de volgende opwekking? Totdat grootmoeder uw pad kruist? Totdat de baas u uitscheldt? Nee, tot de dag van uw verlossing! Halleluja!

121 Nadat u bent gestorven, nadat u al bent overgegaan naar dat land daar en u daar bij uw geliefden staat, bent u nog steeds vervuld met de Heilige Geest. Dat is de Schrift! U bent precies zoals u nu bent, alleen bent u overgegaan in een ander lichaam. U bent gewoon van woning veranderd. Deze woning werd oud; u kon er de dakpannen niet meer op krijgen, de balken en latten waren verrot... (Zo is het.) Daarom dankte u het oude gewoon af, u liet het verrotten en verhuisde naar een nieuwe woning. Is dat waar? "Indien de aardse tent waarin wij wonen wordt afgebroken, hebben wij een gebouw van God dat ons wacht."

122 Kunt u zich nog herinneren dat ik dat onlangs met u doornam? Wanneer een kleine baby wordt gevormd in de schoot van de moeder, dan laten zijn kleine spiertjes hem al schoppen en springen. Maar zodra hij de moeder verlaat en ter wereld komt, is het eerste wat er gebeurt, dat er een geestelijk lichaam is om dat kleine natuurlijke lichaam te nemen. Dan geeft de dokter hem zo een tik of zoiets, om hem even een schok te geven en dan: "Whaa-whaa-whaa." Onmiddellijk zal hij regelrecht de borst van die moeder zoeken en "um-um-um", zijn kleine hoofdje op en neer bewegen tegen de borst van de moeder, om te maken dat de melkklieren hun melk gaan geven.

123 Zodra een kalfje geboren is uit zijn moeder, zal hij al na een paar ogenblikken omhoog komen op zijn knietjes. Wat zal hij gaan doen? Hij komt meteen in beweging, vindt de moeder en begint zijn kleine kopje naar beneden te duwen en dan haalt hij zijn melk! Halleluja! Ja zeker.

124 Wanneer dit natuurlijke lichaam hier op aarde komt, is er een geestelijk lichaam dat daar op hem wacht.

125 Maar zo is het ook wanneer dit natuurlijke lichaam daarboven verschijnt – halleluja – dan wacht ook daar reeds een ander! Wij gaan gewoon van het ene naar het andere; wij veranderen slechts van woonplaats. Dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen. Dit geestelijke, dit vergankelijke, doet dan onsterfelijkheid aan. Dit oude, gerimpelde, gebogen lichaam zal echter zijn werkelijke uiterlijk niet helemaal veranderen. Ik bedoel, dat wanneer het ginds komt, het nog steeds dezelfde geest zal hebben.

126 Laat ik u iets vertellen wat u misschien wat verwarrend toeklinkt, maar wat volgens de Bijbel is. Daarna zal ik u iets geven wat het weer voor u uit de war haalt. Let op, de oude koning Saul was een grote beste denominatieprediker daar in die tijd, die met hoofd en schouders boven allen uitstak. Maar hij werd bang, omdat zij daar helemaal niets afwisten van het bovennatuurlijke. Toen moest David komen om dat land te bevrijden uit de muil van de leeuw. Hij doodde Goliath. Let eens op deze Saul. Hij ging zover weg van God, dat hij deze kleine heilige roller-prediker ging haten. In plaats van voor hem te zijn en te proberen hem te helpen, keerde hij zich tegen hem. Is dat niet precies een beeld van wat er vandaag aan de hand is? Het is precies hetzelfde beeld. Hij keerde zich volkomen van hem af!

127 Hoevelen waren hier toen ik zou vertrekken voor mijn eerste reis, toen ik ook over David predikte, die Goliath versloeg? – een paar oudgedienden. Ik sta nu op het punt om opnieuw op dezelfde wijze te vertrekken. Herinnert u zich wat het was wat vorige week zondag naar voren kwam? De bediening gaat over in een andere fase. Davids tweede campagne, de tweede fase van zijn bediening. Zo is het; het was dat hij koning over Israël werd. Let erop, dat de bediening nu overgaat in een grotere fase, die grootser naar voren komt. Zo was het ook bij David. Let er eens op hoe hij opkwam, deze David. Eerst liet God hem daar ingrijpen om een leeuw te verslaan en een beer, en let er op, toen de Filistijn. Daarna kwam het moment dat God een boze geest over deze oude knaap liet komen. Om wat te bewerken? Dat hij David zou gaan haten. En ik geloof...

128 Nu, deze geluidsbanden. Luister broeders, u die deze banden hoort. Als u het niet met mij eens bent, vergeef mij dan. Ziet u, ik heb u lief en ik zal u hoe dan ook ginds gaan ontmoeten. Want ik zal u, als u een man van God bent, hoe dan ook daar ontmoeten. Maar ik zou u de reden willen noemen. Hier komt ze: Het was alleen maar omdat Saul zag dat David iets had wat hij niet had. Wat gebeurde er toen?

129 Een klein rossig kereltje trok erheen. De Bijbel zegt dat hij 'rossig' was. Hij was niet zo'n erg knap kind. 'Rossig' betekent geloof ik dat hij een wat gebogen ventje was. Hij kwam bij Saul, maar toen Saul hem zijn wapenrusting aandeed... Ik kan me voorstellen dat het schild helemaal tot over zijn voeten zakte. Hij zei: "Trek mij dat gedoe maar uit." (Wel, misschien heeft hij hem wel een doctorsgraad gegeven, een titel of een graad in de rechten of zoiets, weet u.) Hij zei: "Ik weet niets over dit gedoe; ik heb het niet beproefd. Laat mij gewoon iets nemen waarvan ik weet dat ik het ermee kan doen." Jazeker, hij nam zijn slinger.

130 Saul werd razend omdat de dochters, de kerken, zongen: "Saul heeft zijn duizenden verslagen, maar David zijn tienduizenden."

131 Hij werd jaloers. "Dat gedoe over de Naam van Jezus, dat heeft helemaal geen zin." Zo ging het. En wat deed God toen met hem? God zond een boze geest op hem – dat is precies wat er gebeurde – om David te haten. En hij haatte David zonder reden.

132 David had zich al een paar maal van hem kunnen ontdoen, hij had het kunnen doen. Maar hij liet het gewoon begaan. Hij zei er nooit niets over. Hij had het zeker kunnen doen. Op een nacht sneed hij zelfs een stuk van zijn jas af. Hij kwam terug en zei: "Kijk eens! Ziet u dat?" Hij zou het hebben kunnen doen, maar hij liet hem gewoon begaan. Als hij dat had gewild, had hij heel z'n samenkomst kunnen breken en verstrooien, om zelf een organisatie te beginnen. Maar hij deed het niet, hij liet Saul gewoon begaan. Hij liet God de strijd strijden. Ja zeker.

133 Naarmate hij verder ging en de campagne teneinde begon te lopen kreeg die boze geest zo'n greep op Saul dat hij geen antwoord meer van God kon krijgen. Niet lang daarna was de Geest van de Here geheel van hem geweken. Ook de oude Samuël, degene die zij hadden afgewezen, degene die in werkelijkheid voor hen de stem van God was, die tot hen sprak nog voordat het zelfs in hen was opgekomen dat ze wilden handelen als de wereld...

134 Hoe kan dit dat de gemeente zich wil gedragen zoals de wereld? Waarom willen Pinkstermensen, die gedoopt zijn, en Methodisten, die de ervaring van de Heilige Geest hebben, Presbyterianen en Baptisten zich gedragen als de wereld? Waarom doen zij het? Ik weet het niet. Ik kan het gewoon niet begrijpen. U zegt: "Dat doen we gewoon voor de aardigheid, een klein beetje poker spelen met een cent inleg", of hoe u dat ook noemt. Het is een zonde! U behoorde dat soort zaken niet in uw huis te hebben. "Ach het kan geen kwaad om buiten eens een glaasje bier te drinken. We namen er maar een paar. Mijn vrouw en ik nemen er zo 's middags een paar." Maar voor u het weet nemen uw kinderen er ook een paar! Zo zeker als wat!

135 En u vrouwen, de duivel heeft precies zo met u gedaan als in den beginne; hij heeft u ongetwijfeld tot zijn doelwit genomen, zusters. En hij doet dat, omdat hij weet wat hij met u kan doen. Hij kan een vrouw duizendmaal sneller verleiden dan een man. Ik weet dat dit uw gevoelens kwetst, maar het is de waarheid. Dat is beslist juist. Dat is wat hij ook deed in de Hof van Eden. Eva was eerlijk, ze was oprecht, maar ze werd misleid. Het was niet Adam die werd misleid, zegt de Bijbel. Hij werd niet misleid, maar zij werd misleid. Dus kan hij haar misleiden. En toch zullen voorgangers doorgaan met het aanstellen van vrouwelijke predikers om ze zo over samenkomsten te stellen, terwijl deze Bijbel het veroordeelt van Genesis tot Openbaring. U zegt: "Wel, dat is best in orde, het is goed; ze hebben daar geweldige predikers staan." Ik weet dat het waar is.

136 Zo bleef ik eens doorgaan met de prediking terwijl er iemand in tongen begon te spreken. Na de dienst, toen ik naar buiten was gegaan, zei een vrouw tegen mijn zoon: "Ik heb morgenavond een boodschap uit te spreken, wanneer uw vader op het podium komt."

     "Een boodschap," vroeg hij, "hoe bedoelt u?"

137 Die avond toen ik bijna klaar was en op het punt stond de uitnodiging te doen, maakte zij haar kapsel in orde, trok haar kousen op, enzovoort en sprong op toen ze klaar was midden in de zaal en begon daar op en neer te springen, in tongen te spreken en te profeteren. Ik bleef gewoon door prediken en deed mijn uitnodiging. Ik had er werkelijk helemaal geen ontzag voor. Het was niet in orde. De Bijbel zegt om dit niet te doen. Er staat: 'De geesten der profeten zijn aan de profeten onderworpen.' Als God op het podium aan het spreken is, laat Hem dan spreken. Paulus zei, dat als er iemand iets wordt geopenbaard, dat hij moet zwijgen tot de eerste klaar is. Dat is waar.

138 Nu, toen ik buiten kwam, zei een aantal mensen, een grote groep: "U bedroefde de Heilige Geest vanavond."

     Ik zei: "Waarmee? Wat heb ik gedaan?"

139 Ze zeiden: "Toen die zuster die boodschap had, halleluja, toen ze dat uitsprak."

     "Wel," zei ik, "ik was aan het prediken. Zij was uit de orde."

140 "O," zeiden ze, "maar dat kwam rechtstreeks van de troon Gods, dat is frisser dan wat u predikte."

141 Nu dat toont alleen – en ik zeg dit met het oog op u – of krankzinnigheid of oneerbiedigheid of een gebrekkige onderwijzing, die net zoveel te maken heeft met God als een konijn met sneeuwschoenen. En ik zeg dit niet om een dwaze opmerking te maken, want dit is geen plaats om grappen te maken, maar omdat het precies de waarheid is. Ieder moet weten dat God geen schepper is van verwarring. Hij is vrede. De Bijbel kennen zij niet. Alles wat zij weten te doen is op en neer springen, in tongen spreken en te zeggen: "Ik heb de Heilige Geest. Halleluja!"

142 Ik heb er in Afrika bij gestaan en gezien hoe toverdokters en zo spraken, tegen de vijfduizend tegelijkertijd, op en neer springend, met bloed over hun hele gezicht, terwijl ze in tongen spraken en bloed dronken uit een menselijke schedel; de duivel aanroepend en in tongen sprekend.

143 Toch is spreken in tongen een gave van God. Het is echter niet het onfeilbare bewijs van de Heilige Geest. Ik geloof dat alle geïnspireerde heiligen in tongen spreken. Ik geloof dat een mens soms door God zo wordt geïnspireerd, dat hij in tongen begint te spreken; ik geloof dat. Maar ik geloof niet dat dat enig teken is dat u de Heilige Geest hebt ontvangen. Ja zeker. Ik geloof dat er momenten kunnen zijn dat iemands geloof erg groot kan zijn. Iemand zou regelrecht op een klein kind af kunnen lopen dat een kankergezwel heeft en het de handen opleggen, terwijl er al vijftig predikers voor hebben gebeden en het zou worden genezen, omdat die moeder geloof heeft voor dat kind. God heeft het aan haar gegeven; zij is een lid van het lichaam van Christus. Jazeker, ik geloof dat. Ik heb dat zien gebeuren; ik weet dat het waar is. Maar weet u wat het is? U moet zorgen dat de gemeente op orde komt, breng haar in orde, dan kunnen we werken.

144 Goed, we zullen de rest van dit vers afmaken, voordat we sluiten:

     ... in Hem zijt gij, toen gij gelovig werdt, ook verzegeld met de Heilige Geest der belofte,

145 Een zegel! Wat is dit voor een zegel? Wat is een zegel eigenlijk? Wel, het eerste wat een zegel toont, is dat het een werk is dat is voltooid; een voltooid werk. Vervolgens duidt het op eigendomsrecht. En tenslotte betekent het ook 'veiligheid'. Het bewaart.

146 Ik zal u een voorbeeld geven. Vroeger werkte ik samen met mijn vader voor de Pennsylvania Spoorwegen; wij laadden daar wagons. We moesten er blikken inladen van de conservenfabriek. We zetten hier wat op en daar wat onder, hier en daar wat. Maar voordat die wagon werd verzegeld, liep de inspecteur erdoor. Hij duwde er tegen; hij schudde hier eens en schudde daar eens... "Afgekeurd! Alle blikken zullen zo kapot vallen, nog voor zij op hun bestemming zijn. Afgekeurd! Haal het er allemaal maar weer uit, doe het maar over." De inspecteur kon de wagon afkeuren!

147 De Heilige Geest is die Inspecteur. Hij zal u een beetje schudden en u rammelt... Gelooft u het hele Woord van God? "Ja, maar ik geloof niet in dat gedoe in Jezus' Naam." Afgekeurd; u rammelt! "Ik geloof niet in gebedsgenezing en dat soort uitwassen." U rammelt nog steeds! Haal het eruit. Gelooft u dat Jezus Christus gisteren en heden Dezelfde is? "Nou ja, in zekere zin." U rammelt, schop het eruit, u bent nog niet gereed. Beslist.

148 Broeder, het moet zover komen dat u kunt antwoorden met een "Amen"! Hebt gij de Heilige Geest ontvangen? "Amen!" Is alles gereed? "Amen." Wat doet de Inspecteur dan? Als alles goed en stevig is ingepakt, vol van het Evangelie: "O, elk Woord van God is goed, alles is perfect. Ik geloof elk Woord. Amen. Amen. Amen." Gelooft u dat God nog steeds geneest? "Amen." Gelooft u dat Jezus Christus Dezelfde is, gisteren, heden en tot in eeuwigheid? "Amen." Gelooft u dat de Heilige Geest net zo werkelijk is, als Hij ooit was? "Amen." Gelooft u dat dezelfde Geest die op Paulus viel op ons valt? "Amen." Gelooft u dat Hij precies dezelfde dingen bij ons doet die Hij ook bij hen deed? "Amen." O, nu komt de zaak vast te zitten, er komt nu stevigheid in. Wij zijn klaar om de deur te sluiten.

149 Goed, dan sluit de inspecteur de deur. Wat doet hij dan? Hij verzegelt haar. Hij gaat heen, pakt een buigtang en een loodje en dan verzegelt hij de wagon. U kunt dat zegel maar beter niet verbreken! Als de bestemming van die wagon Boston is, kan het vóór die tijd niet worden verbroken. U zou gerechtelijk vervolgd kunnen worden als u, voordat die wagon in Boston aankomt, dat zegel zou verbreken. Alleen iemand die daartoe bevoegd is kan dat zegel verbreken; hij alleen. Zo is het. Het is het bezit van die en die spoorwegmaatschappij. Er staat op: "Verzegeld." Het is hun zekerheid dat deze wagon is ingepakt, dat hij gereed is en hij hen toebehoort. Zij konden geen wagons van B&O op die van de Pennsylvania Spoorwegen zetten. Ook moesten ze verzegeld zijn; dan pas kon het.

150 En wanneer een Christen volgeladen is met het Evangelie; vervuld met de goedheid van God, als al de goede dingen van God in hem zijn, als hij met een open hart gereed is om te werken, gewillig is om zijn plaats in te nemen en alles te doen wat de Heilige Geest hem zegt te doen; als hij is overgegaan van dood in leven, geheiligd is en zich heeft afgezonderd van al de dingen van de wereld en wandelt in het licht naarmate het licht tot hem komt, steeds doortrekkend; dan is hij gereed. Dan sluit God de deur van de wereld achter hem, gooit haar in het slot en verzegelt hem met de Heilige Geest der belofte. Halleluja! Hoelang? Tot aan zijn eindbestemming. Probeer hem daar buiten op de spoorbaan niet open te breken om daar nog eens te zien of alles toch wel in orde is. Het is in orde, laat hem gewoon gaan, de inspecteur heeft hem al geïnspecteerd! Hoelang bent u dan verzegeld? Tot de dag van uw verlossing. Dat is hoelang u verzegeld bent.

151 "Maar als je sterft, broeder Branham, hoe is het nadat je bent gestorven? Zei u, dat je het dan nog steeds hebt?" U hebt het voor immer. Waar begint het leven? Bij het altaar. Daar ziet u er al meteen een klein stukje afschaduwing van. Die schaduw is het Zegel van de Heilige Geest. Maar dat is nog maar de schaduw van de schaduw van de schaduw, zoals ik onlangs zei. Wanneer u sterft, dan blijft u steeds verder door deze schaduwen gaan, totdat u als het ware in een vochtige atmosfeer komt en het van die vochtigheid tot een klein sijpelend bronnetje wordt. Van een bron tot een beek; van een beek tot een rivier, totdat die rivier overgaat in een oceaan, een oceaan van de liefde van God. Maar u blijft gewoon dezelfde persoon.

152 Kijk eens naar koning Saul. Hij was teruggevallen. Hij kon niet doorbreken tot God; toch was hij niet verloren, dat was hij zeker niet. Hij was een profeet, maar hij raakte gewoon buiten God. Dat is ook de reden broeders, dat ik u zei: "U bent niet verloren." Herinner u, dat hij gewoon uit de wil van God ging. Dat is het eerste wat er gebeurde, weet u, dat hij niet meer met God wilde overeenstemmen. Nu, misschien behoorde ik dat niet te hebben gezegd, maar nu ga ik vanavond gewoon verder voor een gelukkige samenkomst. Weet u wat het eerste was wat hij deed? Hij ging naar de Urim en Tummim.

153 Weet u wat de Urim en Tummim waren? Ze waren in het borstschild, op de efod die Aäron droeg. Nu is het altijd zo geweest dat God een bovennatuurlijk God was, die antwoordde op een bovennatuurlijke wijze. En als een profeet profeteerde en dat mystieke schijnsel kwam niet over die Urim Tummim, dan was hij verkeerd. Ook als een dromer zijn droom vertelde en het lichtte niet op, daar op die Urim en Tummim, ongeacht hoe goed het klonk, dan was het fout. Dat is waar.

154 Zo maakt het mij ook niet zo erg veel uit hoeveel doctorstitels u hebt of hoe groot uw organisatie is. Als u profeteert of predikt en het is niet overeenkomstig dit Woord, dan bent u fout, broeder. Dit is Gods Urim en Tummim. Als u beweert dat u niet werd voorbestemd vóór de grondlegging der wereld, dan zal zij niet oplichten, omdat de Bijbel zei dat u dat wel bent. [Efeze 1:4 – Vert] Wanneer u zegt dat u behoorde te worden gedoopt in de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, dan zal het niet oplichten, omdat niemand in de Bijbel ooit op die wijze werd gedoopt. Daar werd alleen gedoopt in de Naam van de Here Jezus. En als het niet oplicht, dan is er ergens iets fout.

155 De Urim en Tummim antwoordde de oude koning Saul niet meer en hij kon zelfs geen droom meer krijgen. Hij was zover heen dat hij geen droom meer kon krijgen. Weet u wat hij toen deed? Hij ging naar een heks, naar zo'n duivelsdokter, zo'n toverdokter daar en vroeg haar: "Kunt u waarzeggen?"

156 Zij zei: "Ja, maar Saul heeft gezegd dat hij iedereen zou doden die waarzeggerij zou plegen."

157 Hij zei: "Ik zal u beschermen." Hij was gekleed als een gewone soldaat. Hij zei: "Wil mij waarzeggen met behulp van iemand uit de wereld der doden;" (Nu, luister hier naar.) "laat mij de geest van Samuël opkomen."

158 Ze ging haar waarzeggerij bedrijven, en toen ze dat deed, viel ze op haar aangezicht en zei: "Ik zie goden opkomen." Ziet u, zij was een heidense, "goden", het waren er twee of drie, zoals Vader, Zoon en Heilige Geest, iets in die richting, weet u. Ze zei: "Ik zie goden uit de aarde opkomen."

159 "Beschrijf hem", zei hij. "Hoe ziet hij eruit, hoe is zijn gestalte?"

160 Ze zei: "Hij is mager en hij is gekleed met een mantel over zijn schouders." Hij was niet veranderd.

161 Hij zei: "Dat is Samuël; breng hem in deze kamer, breng hem hier voor mij."

162 Nu let op, toen Samuël voor Saul verscheen, zei hij: "Waarom raadpleegt gij mij; de Here is immers en uw vijand geworden?" Als u oplet dan merkt u dat hij niet alleen nog steeds Samuël was, maar dat hij ook nog steeds de geest der profetie had. Zegt u maar dat dit niet waar is; laat iemand maar zeggen dat dit niet klopt. Het is de waarheid. Hij was nog steeds een profeet, want hij profeteerde en zei: "De strijd gaat tegen u, morgen, en gij met uw zonen zullen vallen in de strijd en morgen omstreeks deze tijd zult ge bij mij zijn." Is dat waar? Hij was nog steeds een profeet!

     "Wel", zegt u, "maar dat was een heks die dat zei!"

163 Goed, dan zal ik u er één noemen die geen heks was. Eens nam Jezus Petrus, Jakobus en Johannes mee, de Berg der Verheerlijking op. Hij stond daar bovenop de berg, toen God Zijn Zoon Zijn plaats gaf, zoals ik onlangs 's avonds zei, toen ik sprak over het 'plaatsen van een zoon'. Toen ze daar stonden keken zij rond en bemerkten dat ook Mozes en Elia daar waren. Zij waren in gesprek en onderhielden zich met elkaar. Het waren geen witte wolkjes of zoiets, die daar ronddreven, maar het waren mannen die daar met elkaar spraken. Mozes was al achthonderd jaar geleden begraven en gelegd in een graf waarop geen gedenkteken stond. En Elia was vijfhonderd jaar geleden naar huis gegaan in een karos. En hier stonden ze allebei, net zo levend als ooit, met Hem te spreken, voordat Hij naar Golgotha ging. Halleluja! Net zo levend als zij ooit waren geweest. 'Verzegeld tot de dag der verlossing'!

164 Ik zal voortmaken en dan zullen we gaan sluiten, omdat het laat is geworden. Dan zullen we over een minuut of vijf ook nog voor de zieken bidden. Vers 14, ik neem u nog even mee naar het dertiende vers, om de achtergrond vast te houden:

     In Hem zijt ook gij, nadat gij het Woord der Waarheid, het Evangelie uwer behoudenis hebt gehoord;...

165 Nu, u ziet wat voor behoudenis zij hadden, deze Christenen uit Efeze. Let eens op het verschil met de Korinthiërs. Hij moest hun altijd zeggen: "Wanneer ik bij u kom dan heeft de één tongentaal, een ander heeft ook tongentaal, een derde heeft een psalm; dan heeft iemand profetie en weer een ander nog wat anders." Ziet u, hij kon hen niets leren, gewoon omdat zij altijd allerlei dingen wilden.

     Deze mensen in Efeze hadden hetzelfde, maar zij hadden het op orde. Hij heeft nooit de Korinthiërs dingen als dit onderwezen; hij kon het hun niet leren. Hun gemeente was nog niet op orde om het te kunnen onderwijzen. Wel, hij kon deze mensen de werkelijke zaak leren.

     ... het Evangelie uwer behoudenis hebt gehoord; in Hem zijt gij, nadat gij gelovig werd, ook verzegeld met de Heilige Geest der belofte,

     die een onderpand is... (Oh, laat ik dit niet voorbij gaan.) van onze erfenis, tot verlossing van het volk, dat Hij Zich verworven heeft, tot lof Zijner heerlijkheid.

166 O, wat is de Heilige Geest? Nu, ik zal de rest ervan heel snel lezen, als u dat met mij wilt volhouden. Weet u nog waar we het onlangs 's avonds over hadden, broeder Mike? Toen ze allemaal zo gelukkig waren? O, alles was in vrede; dat was volmaakte liefde. Nu, iedere keer dat u verder deze kant opkomt, komt u er een klein beetje dichterbij. Elke keer als u een stap doet, komt u een paar centimeter dichterbij. Als deze liefde de aarde heeft bereikt, is ze nog maar een schaduw van de schaduw van de schaduw der schaduwen. Nu, dat is zo ongeveer hoeveel van de Heilige Geest u in u hebt. Dat is liefde, maar o, u dorst naar iets.

167 Zouden mensen niet, zoals oude, oude mensen en ik zelf trouwens ook, niet graag terug willen gaan om weer vijftien te zijn, of twintig? Ik zou er alles voor geven, maar wat zou het voor goed doen? Al zou ik nu weer vijftien zijn, toch zou ik vanavond nog kunnen sterven; het is onzeker. Al was u nu vijftien jaar oud, hoe zou u weten of uw moeder nog zou leven als u thuiskwam? Hoe zou u weten of u zelf nog thuis zou komen? Hou zou u weten of u morgen nog leeft, al bent u twaalf jaar oud? U mag volmaakt gezond zijn, maar u zou kunnen worden gedood bij een ongeluk; misschien valt u plotseling dood neer. Er zou van alles kunnen gebeuren met u; het is onzeker. Er is hier niets zeker. Maar u verlangt er naar. Wat is dat? Het is dat wat daarboven is, wat u ernaar laat verlangen.

168 Nu, als u hier binnentreedt, dan hebt u eeuwig leven. Wat gebeurt er dan? U ontvangt het onderpand, de aanbetaling.

169 Wat is een aanbetaling? Wel, als ik bij u kom om een auto te kopen, dan vraag ik: "Wat kost die auto?"

170 Dan zegt u: "Broeder Branham, deze auto kost drieduizend dollar."

     "Wat is de aanbetaling ervoor?"

     "Wel, als u alvast vijfhonderd dollar betaalt, kunt u hem hebben."

171 "Goed, hier hebt u vijfhonderd dollar, ik zal de rest te zijner tijd brengen, zo gauw ik kan. Houdt u die auto voor mij vast." Ik geef u alvast vijfhonderd dollar, dat is de aanbetaling. Is dat juist?

172 Nu, houd dat even vast, dat is het 'onderpand', de 'aanbetaling'.

     ... in Hem zijt gij, nadat gij gelovig werdt, ook verzegeld met de Heilige Geest der belofte,

     (Wat is dit Zegel der belofte, de Heilige Geest die werd beloofd?)

     die een onderpand is van onze erfenis, tot verlossing van het volk, dat Hij Zich verworven heeft, tot lof Zijner heerlijkheid.

173 Wat is het? Het is een onderpand. Wel, broeder, oh, oh, oh, oh, als dit pas de aanbetaling is, wat zal het dan gaan zijn, wanneer we daar allemaal komen? Wat zal het gaan zijn? Als dit waar wij ons nu in verheugen ons al zo gelukkig maakt. Ik heb mannen zien komen van negentig jaar oud...

174 Ik zag een oude prediker op een avond, die opstond en zo naar het podium kwam. Ik dacht: "Zal die oude man gaan prediken?"

175 Hij zei: "Prijs de Here!" Een oude kleurling, met een hele lange predikersjas aan.

176 Ik zei: "Waarom lieten ze niet een paar van die jonge predikers spreken? Hoe zou die oude man ooit kunnen prediken?"

177 Hij begon met: "Vandaag heb ik de hele dag de broeders horen prediken over wat Jezus op aarde deed, maar ik wil u gaan vertellen wat Hij deed in de hemel." Hij zei: "Ik zal mijn tekst gaan nemen uit Job 38:7, toen het nog ver voor de grondlegging der wereld was, toen Hij zei: 'Waar waart gij... terwijl de morgensterren tezamen juichten en al de zonen Gods jubelden?'" En op die manier ging hij verder.

     Hij zei: "Weet u, er is daar vroeger iets gebeurd." En hij begon naar voren te brengen wat er plaats vond in de hemel. Toen verder, tot hij tenslotte kwam bij de regenboog aan de horizon bij de tweede komst van Christus. Toen hij daar ergens gekomen was viel de Heilige Geest op hem. (Wel, ze hadden de oude baas moeten helpen met lopen, hij was ongeveer vijfennegentig jaar oud, liep helemaal voorover gebogen en hij had nog maar zo'n klein randje haar, weet u.) Maar toen hij begon te prediken en riep: "Woepie, halleluja! Glorie!" Hij begon op en neer te springen en zei: "Jullie hebben hier niet genoeg ruimte voor mij om te prediken!" Hij sprong op en neer zo hard als hij maar kon. En dat is nog maar het onderpand. O!

178 Wat doet de Heilige Geest? Hier is een goede tekst; laat ik het eerste vers van het volgende hoofdstuk even lezen. Is dat goed? Als het goed is, zeg dan 'amen'! [De gemeente antwoordt: "Amen!"] Nu goed; het eerste vers van het tweede hoofdstuk, heel vlug. Luister:

     Ook u, hoewel gij dood waart door uw overtredingen en zonden,...

     heeft Hij mede levend gemaakt...

179 "U heeft Hij levend gemaakt." Wat betekent: levend gemaakt? Levend gemaakt. U stond op het punt om onder te gaan, maar Hij wekte u op door de aanbetaling! Wat zal het dan zijn wanneer u werkelijk de volle prijs in handen krijgt? Geen wonder dat Paulus zei, toen hij was opgenomen in de derde hemel: "Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen: al wat God bereid heeft (in voorraad) voor hen die Hem liefhebben." God weet wat het is. Ziet u, over een onuitsprekelijke vreugde gesproken, vol heerlijkheid! O, u die eens dood was in zonden en overtredingen, heeft Hij tezamen levend gemaakt, opgewekt door de schaduw van de schaduw van de schaduwen. Wat zal het dan gaan zijn, wanneer u komt tot de schaduw van de schaduwen en dan in de schaduwen, en van de schaduwen in de beek, van de beek in de rivier en van de rivier in de oceaan?

180 Wat zal het zijn wanneer u daarginds bent gekomen, heel ver weg, verlost met een splinternieuw lichaam en dat u weer helemaal een jonge man of een jonge vrouw bent geworden. Dan zult u nooit meer sterven. U kijkt naar beneden op de aarde en dan denkt u: "Ik zou mij echt kunnen verheugen in wat druiven en wat heerlijk koel water. Maar ik heb het hier helemaal niet nodig." Maar op een dag zal Jezus komen en vanuit dit lichaam – wat als dat van een engel was, dit theofanie-lichaam waarin ik leef – zal ik niet meer terugkomen via de schoot van een vrouw; niet meer via sexueel verlangen. Maar omdat Jezus werd geboren buiten sexueel verlangen om, zal ik evenzo zonder dat worden opgewekt. Hij zal op een dag spreken en dan zullen de doden in Christus opstaan. En dat lichaam waarin ik eens leefde, zal worden opgewekt tot een verheerlijkt lichaam waarin ik zal wandelen, waarin ik zal spreken en zal leven en van het leven genieten, halleluja! in al die heerlijke tijden die zullen komen, door Jezus Christus onze Heer! Daar hebt u het broeder; dat is het Evangelie!

181 "Daarom houd ook ik..." Paulus vertelt nu wat Hij is... Laat ik de rest van dit hoofdstuk nog even voorlezen, voor we voor de zieken gaan bidden. "Die het onderpand is van onze erfenis, tot de verkregen verlossing, tot prijs Zijner heerlijkheid."

     Daarom ook ik, gehoord hebbende het geloof in de Heere Jezus, dat onder u is, en de liefde tot al de heiligen,

     (Ik hoorde dat u deze dingen geloofde; ik hoorde dat u werkelijk geloofde in voorbestemming en eeuwig leven, in redding, enzovoort...)

     Houd niet op voor u te danken, u gedenkende in mijn gebeden;

     Opdat de God van onze Heere Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u geve de Geest der wijsheid en der openbaring in Zijn kennis;

     (Opdat Hij gewoon door blijft gaan met Zich heel de tijd aan u te openbaren. Opwassend van genade tot genade, van kracht tot kracht, van heerlijkheid tot heerlijkheid. Niet terugvallend, maar voortgaande van heerlijkheid tot heerlijkheid, steeds verder. Ik zal voor u blijven bidden.)

     Namelijk verlichte ogen van uw verstand,...

182 Weet u, dat de Bijbel zei dat u blind was en het niet wist? Maar Paulus zei hier, dat hij zou gaan bidden voor u om 'verlichte ogen uws verstands'. Iets 'verstaan' doet u met uw hart. Daar spreekt hij over. U kijkt met uw oog, maar u ziet met uw hart. U weet dat. Goed. "Opdat de God der heerlijkheid..." Laten we verder lezen in het achttiende vers:

     Namelijk verlichte ogen van uw verstand, opdat gij moogt weten, welke de hoop van Zijn roeping is, en welke de rijkdom der heerlijkheid van Zijn erfenis is in de heiligen;

     En welke de uitnemende grootheid van Zijn kracht is aan ons, die geloven, naar de werking van de sterkte Zijner macht,

     (O! Zegt men dat de kracht verdwenen is? De kracht is zelfs nog niet gekomen!)

     ... naar de werking van de sterkte Zijner macht.

     (Ik bid gewoon dat God op u, die hebt geloofd in de werking van deze geweldige Kracht, Zijn kracht ook op u zal uitgieten. Ziet u?)

     Die Hij gewerkt heeft in Christus, toen Hij Hem uit de doden heeft opgewekt; en heeft Hem gezet aan Zijn rechterhand in de hemel;

     Ver boven alle overheid, en macht, en kracht, en heerschappij, en alle naam, die genaamd wordt,...

183 Oh, oh, oh. Want... Nee, ik doe het maar beter niet. We konden daar zeker de rest van de avond over blijven spreken.

     ... alle naam, die genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende;

184 Wat betekent dat? Wat is 'elke naam van elk persoon die genaamd wordt'? De hele hemel draagt de Naam van Jezus. De hele gemeente wordt 'Jezus' genoemd. Alles wordt 'Jezus' genoemd. Want dat is de enige Naam die God ooit had. Hij wordt ook 'Jehova' genoemd; 'Jehova Jireh': de Here heeft in een offer voorzien; 'Jehova Rapha': de Here uw Heelmeester; 'Jehova Nissi': de Here is onze Banier. 'Manasse.' Er zijn verschillende Jehova-namen. Dan wordt Hij nog 'de Morgenster' genoemd. Hij wordt 'Vader' genoemd, Hij wordt 'Zoon' genoemd, Hij wordt 'Heilige Geest' genoemd. Hij wordt 'Alpha en Omega' genoemd; Hij wordt 'Het Begin en het Einde' genoemd. Hij wordt 'De Spruit' genoemd, o, Hij wordt gewoon met allerlei soorten titels aangeduid, maar Hij had maar één Naam!

185 Dat is waarover Mattheüs sprak, toen hij zei: "Gaat dan henen, maakt al de volken tot Mijn discipelen en doopt hen in de Naam... (niet namen) in de Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes." 'Vader' is geen naam, 'Zoon' is geen naam en 'Heilige Geest' is ook geen naam. Het zijn titels die bij een Naam horen. Het is de benaming van drie eigenschappen, die bij één God behoren. Wat is dan Zijn Naam? De engel zei: "Gij zult Hem de naam 'Jezus' geven, want Hij is het die Zijn volk zal redden van hun zonden." [Mattheüs 1:21 – Vert] Dat is de reden dat ze in de Bijbel allemaal op die wijze doopten. Dat is de wijze waarop Augustinus de koning van Engeland doopte, misschien honderdvijftig of tweehonderd jaar na de dood van Christus: 'in de Naam van Jezus Christus'. In orde.

     en Hem te zetten aan Zijn rechterhand in de hemelse gewesten, boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij en alle naam, die genoemd wordt niet alleen in deze, maar ook in de toekomende eeuw.

     En Hij heeft alles onder Zijn voeten gesteld en Hem als hoofd boven al wat is, gegeven aan de gemeente,

     die Zijn lichaam is,...

186 Nu, als mijn lichaam de macht heeft over alle dingen, dan betekent 'mijn lichaam': dat wat ik ben. Klopt dat? Dat is wat ik ben. Dat is de manier waarop u mij kent. Is dat waar? Nu dan, alles wat God was, goot Hij uit in Jezus, want Hij was de volheid van de Godheid lichamelijk. Is dat waar? En alles wat Jezus was, goot Hij uit in de gemeente. [Zie Kolossenzen 12:9 en 10 – Vert] Hij zei: "De werken die Ik doe, zult gij ook doen en grotere nog dan deze, want Ik ga tot de Vader."

     die Zijn lichaam is, vervuld met Hem, die alles in allen volmaakt.

187 O, wat heb ik Hem lief! Wat heb ik Hem lief! Ik las onlangs het boek dat werd geschreven over een reis die ik als prediker maakte naar Afrika. Ik had het nog nooit eerder gelezen. Hoevelen hebben het boek gelezen: "Een profeet bezoekt Zuid-Afrika"? Daarin stond hoe ik daar een kleine Indiase jongen zag. Hoevelen hebben die foto gezien?

188 Een bepaalde evangelist hoorde ik vertellen dat hij al vijftien jaar of meer voor de zieken had gebeden. "Maar", zei hij, "ik heb nog nooit in mijn leven een wonder zien gebeuren. Ik heb wel gezien dat mensen die zeiden dat ze hoofdpijn hadden, gezond werden en dat mensen die zeiden dat ze buikpijn en zo hadden, gezond werden, maar geen wonder dat iets geschapen, dat er iets gemaakt werd..."

189 Ik dacht: "Die jongen had daar bij moeten kunnen staan om het te zien." Het been van die Indiase jongen was nog slechts ongeveer zo dun. Het andere was een normaal been, zoals een normaal menselijk wezen heeft. Hebt u op zijn beugel gelet op de foto? Dan zag u dat de ene schoen ongeveer tweeënveertig centimeter hoger zat dan de andere. Onderaan zat een ijzeren plaat en bovenaan zat zijn schoen vast aan twee lange standaards die op de grond stonden. Hij kwam naar mij toelopen. Ze brachten hem daar boven. Hij had twee krukken. Hij nam z'n zware ijzeren schoen en zette zich daarop af. Ik keek naar zijn been, het was niet meer dan ongeveer zo dik.

190 Nu, die mensen zijn mohammedaan. Herinnert u zich nog vorige zondag toen ik u voorlas wat de kranten moesten schrijven? Ik heb het nu bij me; het komt uit Afrika. Het werd mij door teruggekeerde zendelingen opgestuurd. Dat is het artikel, broeder Stricker, waarin staat hoe Billy Graham moest inbinden, zeker; daar dreven die Mohammedanen hem in wezen regelrecht de zee in. Wat is er aan de hand? De zendelingen verlaten het veld. Wat heeft het voor zin om nog langer te blijven? Zij zijn gewoon verslagen.

191 Ik heb Billy Graham lief. Ik geloof dat hij een wonderbare Godsman is. Maar Billy Graham had hem moeten aanvallen en had moeten zeggen: "Wacht eens even..." (Als een paar van deze eigenzinnige Baptisten het hem tenminste zouden hebben laten doen, geloof ik dat hij het zou hebben gedaan; ik geloof dat Billy Graham een man van God is.) Als hij zou hebben gezegd: "Wacht eens even, ik ben een prediker van het Evangelie. U gelooft in het Oude Testament, maar u zegt dat Jezus slechts een mens was? Dan daag ik u uit voor een debat." Ik geloof niet in het aannemen van uitdagingen van de duivel, o nee. Maar ik zou hèm hebben uitgedaagd. Ik zou hebben gezegd: "Laten u en ik eens samenkomen; ik ben een doctor in de godgeleerdheid." (Billy Graham is doctor in de godgeleerdheid.) "Ik daag u bij deze uit. Laat mij u bewijzen dat Jezus de Christus was. Nu, wat Goddelijke genezing betreft, die gave bezit ik niet, maar er zijn een paar broeders die het wel hebben. Nu, als u de mensen naar daar en daar wilt laten komen, laat mij dan gewoon even één van hen roepen." (Oral Roberts of zo iemand, iemand die een grote bediening heeft, die hier ook werkelijk zou komen.) "Kom dan hierheen. Dan ziet u wat hier werkelijk plaats vindt en u zult zeggen: 'Christendom is toch niet wat we dachten dat het was.'"

192 Nu, iedereen voelde zich alsof hij een klap in het gezicht kreeg, want hij ging gewoon weg; hij vertrok. Natuurlijk geloof ik niet dat u zich door een duivel moet laten uitdagen. Ik heb hem ook wel als het ware in zijn gezicht gespuwd om dan bij hem vandaan te lopen. Dat is waar. Maar wanneer het komt tot zo'n moment, dan had Billy kunnen maken dat die Mohammedaan zich zo klein als een onkruidje zouden hebben gevoeld. Hij had de Bijbel kunnen nemen, Jesaja 9:6 en kunnen zeggen: "Over wie sprak Jesaja dit: 'Een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven'? Wie was die Man? Wie was dit, over wie hij sprak? Wie was deze Profeet, deze Messias die zou komen? Toon mij waar Hij Zich bekendmaakte in Mohammed... 'Om onze overtredingen werd Hij doorboord, om onze ongerechtigheden werd Hij verbrijzeld en de straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem en door Zijn striemen is ons genezing geworden.' Toon het mij in Mohammed. Jezus riep uit: 'Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?' Er staat: 'Ze hebben Mijn handen en voeten doorboord...' enzovoort. Toon mij de vervulling ervan in uw eigen woord, uw eigen testament." Hij zou die Mohammedaan zozeer hebben verslagen dat hij niet zou hebben geweten hoe hij het had. Dat is waar.

193 Toen moest de krant haar standpunt wijzigen, en dat was pijnlijk, maar het maakte dat mijn hart opsprong. Er stond: "Hoewel Billy moest inbinden en bakzeil halen, konden de Mohammedanen toch niet zeggen dat hij fout was," schreven ze, "want toen de eerwaarde William Branham in Durban (Zuid Afrika) was, gebeurde onomstotelijk wonder op wonder, met Goddelijke kracht. terwijl bij één gelegenheid tienduizend Mohammedanen ter aarde vielen en ze gaven hun leven over aan Jezus Christus." Absoluut, zij weten ervan. Die fundamentalisten weten erover, dat hoeft u mij niet te vertellen.

194 Eens kwam er iemand tot Jezus die zei: "Rabbi!" U weet dat het een Farizeeër was. Hij zei: "Wij weten dat Gij van God gekomen zijt als leraar, wij weten het, want niemand kan die tekenen doen welke Gij doet, tenzij God met Hem is. Wij begrijpen het en we weten het, maar we kunnen het gewoon niet belijden. (Ziet u?) Wij kunnen dat niet toegeven, want als we dat doen, worden we uit onze kerk gezet. Dan zullen wij ons aanzien verliezen." Toen zei Jezus hem dat hij eerst wederom geboren moest worden.

195 Nu, wat die Mohammedaanse jongen betreft, toen hij daar stond (daar staat zijn foto; de camera zal geen leugen verkondigen – u ziet dat het ene been korter, zo'n vijfendertig centimeter korter was dan het andere), met die ijzeren schoen aan, zei ik tegen hem: "Spreek je Engels?"

196 "Nee meneer." Hij kon geen Engels spreken. De tolk zei: "Hij spreekt geen Engels."

     "Hoelang ben je al zo?" De tolk vroeg het hem.

     "Sinds mijn geboorte."

     "Kun je dat been wel bewegen?"

     "Nee meneer."

     "Geloof je in Jezus Christus?"

     "Ik ben Mohammedaan", antwoordde hij.

     Ik zei: "Wil je Jezus Christus aannemen, als Hij je gezond zal maken?"

197 "Ik zal Jezus Christus als mijn Redder aannemen als Hij mij gezond zal maken."

198 "Als Hij het zo in orde zal maken, dat je ene been weer net zo wordt als het andere, zal je Hem dan werkelijk aanvaarden?"

     "Dat zal ik doen."

199 "God, wat wilt Gij doen?" Dat was het volgende. Alle vragen waren beantwoord, maar, broeder Mike, ik moet Hèm voelen. Ik wachtte gewoon een ogenblik om te zien wat Hij zou gaan zeggen. Toen keek ik en zag de jongen gaan alsof hij langs de zijmuur wegwandelde. Ik zei: "Hoevelen van u Mohammedanen zullen Hem dan eveneens aanvaarden? Hier staat een Mohammedaanse jongen, kijk naar hem, daar staat hij." Ik zei: "U dokters, wilt u naar hem komen kijken? Daar staat hij." O, dan weet u waar u aan toe bent. Dan weet u waar u staat. "Niemand?" Daar stond hij.

200 Ik zei: "Loop deze kant maar op, zoon." Ze haalden hem, daar kwam hij: tik-stap, tik-stap. Ik zei: "Het lijkt mij toe of hij wel dertig of vijfendertig centimeter korter is." Ongeveer zo ver.

     "Ja."

201 Ik zei: "Maar Jezus Christus, de Zoon van God, kan hem gezond maken. Zult u, Mohammedanen, dan geloven en Hem aannemen als uw persoonlijke Redder?"

202 Duizenden van die donkere handen werden omhoog gestoken. Nu kon de Here komen. Ik zei: "Hemelse Vader, als U mij ooit antwoordde, antwoord mij dan nu; dit is tot Uw eer, dit is voor U. Ik bid dat U deze jongen gezond zult maken." Op die manier bad ik voor hem.

203 Ik zei: "Doe je schoen uit." De tolk keek mij heel vreemd aan. Ik zei: "Doe je schoen uit." Hij maakte de veters los. Omdat ik dat visioen had gezien, wist ik wat er zou gebeuren. Hij deed dat ding af, pakte hem op en kwam naar mij toelopen, met beide benen helemaal normaal; hij kwam op beide benen recht op mij af. Ik zei: "Wil je niet heen en weer lopen?"

204 Hij begon te huilen toen hij heen en weer liep; hij wist niet wat hij moest doen. Terwijl hij zo liep, riep hij: "O Allah, o Allah."

     Ik zei: "Jezus, Jezus!"

     "O", riep hij toen: "Jezus, Jezus! – Jezus, Jezus!" Op die manier.

     Ik zei: "Blijven er nu nog voor iemand vragen over?"

205 Hoevelen kennen Julius Stadsklev, broeder Stadsklev, die hier naar de gemeente kwam? Hij vertrok pas naar Duitsland. Hij zei: "Even een ogenblikje, broeder Branham, even een ogenblikje." (Het was om een fotograaf te halen.) "Kan ik een foto van hem nemen?" Ik zei: "Ga uw gang."

206 Hij zei: "Loop naar hier en houd je schoen zo." En daar stond hij; ze namen de foto van de jongen, beide benen zo normaal als het maar kon, die beide benen, allebei zo.

207 Ik zei: "Hoeveel van u Mohammedanen verwerpen nu Mohammed als profeet en geloven dat Jezus de Zoon van God is en aanvaarden Hem als uw persoonlijke Redder?" En tienduizend handen werden opgestoken! Halleluja! Ze willen geen...

208 Ze proberen het tegen te houden, omdat wij 'Heilige rollers' zijn, zoals ze ons dan noemen. Het maakt niet uit, God is vaardig, bezig Zijn gemeente te plaatsen. En Hij doet dit op buitengewone wijze, overvloedig, boven alles wat wij ooit zouden kunnen doen of denken. Hij is evenzeer God vanavond, als Hij het ooit is geweest.

209 Dus mijn vrienden, laat mij u nu meteen iets zeggen. Mijn geliefde, dierbare mensen, u hier in dit land en de anderen in het geluidsbandenland, overzee of waar u ook bent, wees niet bevreesd. Alles is in orde. God, onze Vader, wist al voor de grondlegging van de wereld alles wat er zou gaan gebeuren. Alles werkt precies mede. Hebt u Hem lief? Houd goede moed!

210 En bedenk, u oude mensen en ook u jonge mensen, als uw adem in dit leven stopt; u moeders, als u naar uw kleine baby'tje kijkt, naar dat kleine baby-meisje dat stierf toen ze nog geen acht dagen oud was, of nog geen vijf dagen oud, bedenk dan dat ze een schone jonge vrouw zal zijn wanneer u haar weer ziet. En die oude grootvader, zo gekromd dat hij nauwelijks nog kon zien waar hij ging, als u hem straks ziet, grootmoeder, dan zal hij een fijne knappe jonge man zijn. Hij zal er even jong uitzien als toen hij zo'n twintig jaar oud was; gewoon in de kracht van zijn jeugd. En zo zal hij voor altijd zijn. U kunt hem de hand schudden, u kunt uw armen om hem heenslaan, maar hij zal niet meer uw lieve man zijn, uw 'Mannie'; hij zal uw 'broeder' zijn. O, hij zal iets zoveel groters zijn dan 'Mannie'... Denkt u dat u hem liefhad? Zeker deed u dat. Maar dat was nog maar phileo-liefde; wacht maar eens tot u Agape-liefde krijgt. Wacht tot die werkelijke, Goddelijke liefde komt, en kijk dan eens wat dàt is. Dit hier is niet veel meer dan een oude smeulende vuilstortplaats; het is niet goed, het stelt niets voor. Het enige wat ik u adviseer, mijn vriend...

211 Wat later zal ik... Zou u graag willen dat ik ook die andere twee hoofdstukken nog een keer doorneem? Ik moet nu echter gewoon een klein beetje rusten voor de Chatauqua samenkomsten. In die samenkomsten kan ik deze dingen niet prediken. Er zijn daar teveel verschillende geloofsrichtingen. Dit is gewoon voor de gemeente. Ik heb hier het recht om te prediken wat ik maar zou willen. Dit is mijn tabernakel, ziet u, en ú vertel ik het. Nu, ik geloof dat die mensen gered zijn. Zeker, dat geloof ik beslist, maar o, hoeveel meer betekent het dat u al lopende ook weet waar u loopt. Hoeveel beter is het om te weten wat u doet, in plaats van voort te wankelen en te strompelen. Laten wij gewoon rechtop in het licht staan en wandelen in het licht en weten waarheen u op weg bent. Zo is het. De Here moge met u zijn.

212 Maar als ieder van u hier binnen, wat zijn positie betreft, nog niet geplaatst is! U mag misschien niet meer zijn dan gewoon een huisvrouw... U zegt misschien: "Broeder Branham, ik heb nog nooit eens iets in mijn leven gedaan. Ik ben geen prediker." Wel, misschien bracht God u hier om een gezin met kinderen op te voeden. Misschien komt uit die kinderen een ander gezin voort, waarvan een van de kinderen een prediker zal zijn die miljoenen zielen tot Christus zal brengen. U moest hier zijn. U bent hier met een doel. Wist u dat?

213 "Wel," zegt u, "alles wat ik ooit heb gedaan was dat ik harde kluiten aarde heb geëgd om mijn kinderen een bestaan te verschaffen. Elke avond als ik de paarden uitspande, vroeg ik me af hoe ik in het onderhoud van mijn kinderen zou moeten voorzien. Als ik dan naar de arme, kleine makkers keek, zonder schoenen aan hun voeten, dan heb ik vaak zitten huilen. Maar ik had een oud rijtuigje en daar gingen mamma en ik altijd mee naar de gemeente." Maak u geen zorgen, broeder. Blijf Hem gewoon liefhebben. Hij heeft een doel voor u. Blijf gewoon precies op die wijze doorgaan zoals u bent. Blijf gewoon rechtdoor gaan. Ziet u? U mag misschien nooit één prediking prediken. Maar u zou de overgrootvader kunnen zijn van iemand die dat wel zal doen.

214 Wist u dat God het (Even kijken, hoe heette hij?) Levi toerekende dat hij tienden betaalde toen hij nog in de lendenen van Abraham was, toen Melchizédek hem ontmoette? [Hebreeën 7:1–10 – Vert] Hoevelen weten dat? Laten we eens kijken. Abraham gewoon Izaäk, Izaäk gewon Jakob en Jakob kreeg Levi; dat was vader, grootvader en overgrootvader... En toen hij nog in zijn lendenen was – in het zaad van zijn overgrootvader – rekende de Bijbel hem toe dat hij tienden betaalde aan Melchizédek. O, o mijn broeder!

215 Er was een kleine Engelsman die daar in Engeland op een avond tot bekering kwam en die steeds maar uitriep: "O, ik ben zo gelukkig, zo gelukkig!"

216 En dat ben ik ook: te weten dat deze dingen wáár zijn! Op de een of andere heerlijke dag, ik weet niet wanneer die dag zal zijn, maar als dat een visioen was, ik zeg niet dat ik hier was... Houd altijd dit in gedachten – en laten de bandenluisteraars hetzelfde doen – dat ik niet weet of het nu een visioen was of dat ik werd opgenomen in de geest. Maar het was net zo werkelijk als dat ik nu mijn broeder Neville beetpak; zo werkelijk was het. Ik kon naar ze kijken en met deze mensen spreken. En daar stond mijn eerste vrouw. Maar zij riep niet: "Mijn man"; ze zei: "Mijn dierbare broeder..."

217 Ook stond daar een meisje met wie ik jaren geleden bevriend was. Misschien zitten hier vanavond nog familieleden van haar; Alice Lewis uit Utica, een erg fijn oprecht Christenmeisje. Ze trouwde toen ze al ouder was en stierf bij de geboorte van haar eerste baby. Ik kwam net thuis toen ik hoorde dat zij was gestorven, Alice Lewis. Ik ging naar de rouwkamer om haar te zien. Ik liep er binnen, maar er was niemand in de kamer. Ik zei: "Is hier misschien ook ene mevrouw Emmerke?" (Want haar naam was toen Emmerke.) Ze trouwde met een fijne Christenjongen. Zij was zelf ook een fijn Christenmeisje. Ik ben overal met haar heen geweest, naar allerlei plaatsen. We waren nog maar kinderen, achttien, negentien jaar oud, maar we gingen overal heen. Ze was een fijne Christin. Ik heb nooit iets anders over haar geweten dan dat zij een echte Christin was. Alhoewel ik zelf een zondaar was, ging ik toch met haar uit. Haar man was een wederomgeboren Christen, een echte kerel. Ik wist dat niet; ik wist alleen dat ze was overleden. Ik had het in de krant gelezen. Toen ben ik erheen gegaan en zij hebben het me toen verteld. Daarna ben ik naar de begrafenisondernemer gegaan, naar Coots, en ik zei: "Ligt hier misschien ene mevrouw Emmerke opgebaard?" Hij zei: "Ja Billy, ze ligt daar in die kamer."

218 Ik ging erheen en daar stond ik, naast de kist. Ik dacht: "Alice, ik ben in de donkerste kerkers geweest, ik ben langs donkere wegen gegaan. Jij en ik hebben samen langs de wegen gewandeld en reden samen aan de overkant langs de rivier. (Ze hadden toen nog die oude plezierboten.) Wij gingen dan ergens zitten en luisterden als er op zo'n 'calliope-orgel' werd gespeeld. En als we daar heen en weer liepen, was jij altijd echt een dame. Wat dank ik God voor jouw leven. Rust, mijn dierbare zuster, rust in de vrede van God."

219 En toen ik onlangs 's nachts dat 'visioen' kreeg, kwam zij daar snel op mij toelopen en zei: "O, mijn gezegende broeder!" En ze sloeg haar armen om mij heen. O, mijn broeder en zuster, dat heeft mij veranderd. Ik kan nooit meer dezelfde zijn. Het is zo werkelijk! Het is gewoon net zo reëel als dat ik naar u zit te kijken. Zo werkelijk is het. Daar bestaat geen vrees. Misschien ben ik daar spoedig, misschien sterf ik voor deze avond om is...

220 Ik wil mijn kleine jongen opvoeden, die daar achterin zit, Jozef. Ik wil hem op de preekstoel zien; dan kan ik deze Bijbel nemen... Mocht ik tot het moment komen dat ik Jozef op de preekstoel zal zien staan, dat ik hem zie prediken als een jongeman, vervuld met de Heilige Geest, gezalfd met de Geest van God. Ik geloof dat hij een profeet zal zijn. Ik had hem al gezien, al zes jaar voordat hij geboren werd. Herinnert u zich dat ik u toen heb verteld dat hij op komst was? Ook zult u zich nog herinneren dat ik daar naast het altaar – tijdens het opdragen van baby's en niet wetend wat ik zei – hem er uitriep en zei: "Jozef, gij zijt een profeet."

221 Wel, onlangs stond ik buiten op het erf, toen hij naar mij toekwam en zei: "Pappie, heeft Jezus net zo'n hand als u?"

     Ik zei: "Ja, mijn jongen. Hoe zo?"

222 Hij zei: "Ik zat op mijn fiets. Ik keek uit of Sara (dat is z'n jongste zusje) nog niet thuiskwam van school." Hij zat daarbuiten; ik wilde hem niet de straat op laten gaan, dus zat hij zó achterop zijn fiets. Hij zei: "Pappie, ik keek omhoog en toen zag ik een hand, net als de uwe, met een witte mouw, en die was over mij uitgestoken. En", zei hij, "toen ging hij zo naar boven." Hij zei: "Was dat Jezus' hand die naar boven ging?" Ik keek naar moeder en moeder keek mij aan. We gingen naar mevrouw Woods. Zij is hier ook vanavond, al weet ik niet waar ze zit. We onderwierpen hem aan een kruisverhoor; van alle kanten en op elke manier die we wisten ondervroegen we hem. Het was een visioen. Hij zàg het. Ik hoop mee te mogen maken, dat de kleine Jozef daar staat. Ik hoop dat ik zo lang mag leven dat ik hem getrouwd zie, als Jezus toeft te komen.

223 Ik ben een oud man; ik krijg hier in mijn nek al grijze haren. Ik zou nog twee of drie miljoen zielen méér tot Christus willen brengen, als ik mogelijkerwijs kan. Ik ben vastbesloten om het Evangelie te prediken in alle hoeken van de aarde, jazeker. Zo God mij helpt, zal ik het doen. O, wanneer ik die tijd zou kunnen zien komen, broeder Mike!

224 Ik kan de tijd zien bij mamma, Meda; ik noem haar mijn lieveling. Zij wordt oud. Ik zie haar haar grijs worden. Ik zie dat wij minder worden, dat wij achteruit gaan.

225 En dan Rebekka; ik ben zo dankbaar voor Rebekka. Haar muziekleraar zei me onlangs 's avonds: "Wel, als zij zo volhoudt, broeder Branham, dan is het moeilijk te zeggen wat zij niet zal kunnen bereiken." Kijk, zij gaat door in de muziek. Ik wil graag Sara achter het orgel, Becky aan de piano en Jozef op de preekstoel.

226 Als ik dàt kan zien, als ik samen met mamma op een avond langs de weg aan kom strompelen, leunend op mijn oude wandelstok en naar binnen kijkend daar mijn jongen zie staan, die daar onder de zalving van de Heilige Geest ditzelfde Evangelie predikt, dan wil ik deze oude Bijbel nemen en zeggen: "Zoon, hier is hij, hij is van jou. Blijf erbij; sluit over geen enkel Woord ervan ooit een compromis. Houd je hier steeds aan vast, beste jongen. Maak je verder geen zorgen. Laat het je niet kunnen schelen wie er tegen je is. Wie dan ook tegen je zal zijn, God zal vóór je zijn. Predik elk Woord precies op de wijze dat het hier in geschreven staat en pappa zal je terugzien aan de overkant van de rivier."

     Ik zou graag mijn arm om mijn vrouw heenslaan, haar in mijn armen nemen en zo de Jordaan oversteken.

227 God, laat mij tot die tijd op het veld blijven. Laat mij getrouw zijn. Het maakt mij niet uit hoe hoog de prijs is, wat ik ook moet doen, of wat er ook gebeurt, laat mij trouw blijven aan het Woord van de levende God, opdat wanneer die dag komt en ik moet oversteken, ik naar de overkant kan kijken en zeggen: "O, u bent er ook, mijn dierbare vriend, mijn dierbare broeder en mijn dierbare zuster."

228 Jonge prediker, ga het veld op, blijf in de wapenrusting. U jonge predikers en al die anderen, blijf niet rondhangen. Blijf daar niet zomaar zitten 'nietsdoen'! Ga uit en win een ziel. Doe iets. Sta op. Zet u in beweging. Stop niet, jonge prediker daar; God zegene u.

229 Hij doet mij denken aan de tijd dat ik ook ongeveer zo oud was. Ik geloof dat ik nog een beetje jonger was. Ik was een jaar of twintig toen ik daar die hoeksteen legde. Ik herinner me nog dat ik meestal een blauwe jas droeg en een witte broek. Ik stond daar en legde de hoeksteen. Dat is ongeveer eenendertig jaar geleden. Ziet u hoe oud ik toen was? Ik was nog maar een jongen, toen ik de hoeksteen legde. Ik heb over niet één Woord ooit water bij de wijn gedaan. Ik ben er precies bij gebleven, op dezelfde wijze als toen ik daar die hoeksteen legde. Daar ligt nog steeds mijn getuigenis, zoals ik het toentertijd op het schutblad van mijn Bijbel schreef. Ik scheurde het eruit en legde het in die hoeksteen; het ligt daar nog steeds. Moge het geschreven staan op de bladzijden van Gods eeuwige Woord in de hemel. Moge ik tot aan het einde trouw standhouden.

230 Laten we onze hoofden buigen voor even een ogenblik van gebed, als afsluiting van deze avond, als afsluiting van dit ene hoofdstuk. U had recht gehad op meer. U behoorde ook het andere te hebben gehad; hoe hij verdergaat en de gemeente op haar plaats zet. Ik zal het u nog eens brengen, zo God wil. Ik moet nu even een korte tijd rust nemen voor ik naar Chatauqua ga, waar opnieuw een grote samenkomst wordt gehouden, om vandaar over te steken naar Oklahoma.